terug  begin  verderprepost
[p. 22]

XXXIII

 
Mijn hart was toegevroren,
 
Mijn tranen vloeiden niet meer.
 
Toen trof mij haar gloeiende blikstraal,
 
En de wateren ruischten weer.
 
 
 
O ware ik toch verdronken
 
In den bitterzilten vloed!
 
In liefdetranen, hoe brak ook,
 
Te smoren, is honingzoet.
prepostterug  begin  verder