[p. 25]
LXXII
Wij zaten met ons vieren
In den tuin van de societeit.
‘Kijk, jongens!’ riep
Sand
, ‘wat passeert daar
Een eeuwige knappe meid.’
‘Ja,’ zei
Kaai
, ‘dat 's een pracht van een meisje!
Zoo zijn er geen twaalf in 't land!’
‘Ik hoor,’ zuchtte
Haas
, ‘ze is in stilte
Geëngageerd met een luitenant.’
‘Wat mankeert je,
Paal
?’ riep
Sand
weer,
‘Je wordt zoo bleek als de dood!
Neem wat dubbelgebeide!’ - ‘Neen,
Dundas
!’
Schreeuwde
Haas
, ‘breng gauw een glas rood!’
Wel dronk ik, om
Haas
te pleizieren,
Het rood uit, - ook smaakte 't wel goed, -
Maar op geen van mijn beide wangen
Herriep het den rozengloed.
Sinds ik weet, dat een luitnant in stilte
Mag bluffen op háár bezit,
Zien mijn vroeggeknakte wangen
Onherroepelijk marmerwit.