[p. 26]
LXXXIII
Hem, die mij grof beleedigt,
Mij overlaadt met schand
En openlijk mij belastert,
Hem reik ik de broederhand.
Maar die mij voorkomend bejegent,
Die mij aan zich verplicht
En zich mijn vriend durft noemen,
Dien spuw ik in 't gezicht.