terug  begin  verderprepost
[p. 31]

Tijgerlelies 1851-1853

[p. 33]

Aan Betsy

 
Het heugt mij als de dag van gistren. Op het mos
 
In hartverovrend achtelooze houding lag
 
Uw rijzige figuur, wijl de anderen het bosch
 
Langzaam doordwaalden. 't Was een vreeslijk heete dag.
 
 
 
Gij hieldt mijn veldflesch aan uw rozenlipjes, droog
 
Van 't lachen. Diep-gemoedlijk, als wen de avondklok
 
Door 't dal luidt, klonk het in uw keel. En zacht bewoog
 
Uw zoete strot zich op en neer bij elken slok.
 
 
 
Intusschen leunde ik schilderachtig op den tronk
 
Eens duizendjaargen eiks en vroeg mij heimlijk, wat
 
Voor smaak wel 't lot had, dat het aan een veldflesch schonk,
 
Wat droomend slechts mijn dichtermond genoten had.
 
 
 
O, ware 't noodlot niet alleen behept met koud
 
Verstand maar ook met warm gevoel, - uw poezle hand
 
Had plots de flesch, zoodra ze leeg was, door het woud
 
Gekeild, en op mijn lippen had uw mond gebrand.
 
 
 
Nu echter dronkt ge alleen de flesch leeg, onbewust,
 
Dat de inhoud nog al koppig was, - 't was witte port, -
 
En sloot uw loddrige oogjes dicht en sliept gerust. -
 
Nooit heb ik zóóveel tranen op één dag gestort.
prepostterug  begin  verder