terug  begin  verderprepost
[p. 35]

Aan Jacoba

 
In uw groote bruine blikken
 
Schuilt een wondre toovermacht.
 
Nu eens troosten zij mij zacht;
 
Dan weer doen ze mij verschrikken.
 
 
 
Praat ik rustig met u over
 
Iets van algemeen gewicht,
 
Vriendlijk straalt dan uw gezicht,
 
Als de maan door lenteloover.
 
 
 
Maar nauw waag ik het, te kikken
 
Van mijn hard poëtenlot,
 
Of meedoogelooze spot
 
Vuurspuwt uit uw donkre blikken.
 
 
 
Is het dan zoo iets bespotlijks,
 
Steeds te plassen in een zee
 
Van het onverklaarbaarst wee?
 
Is dat niet iets gruwzaam-godlijks?
 
 
 
Hoe? Reeds fonklen weer uw blikken?
 
Engel, och, genade! Ik zweer:
 
'k Spreek nooit van mijn lijden weer!
 
Stom hoop ik mij dood te snikken.
prepostterug  begin  verder