terug  begin  verderprepost
[p. 46]

De zelfmoordenaar

 
In het diepst van het woud
 
- 't Was al herfst en erg koud -
 
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
 
Och, zijn oog zag zoo dof!
 
En zijn goed zat zoo slof!
 
En hij tandknerste, als was hij aan 't malen.
 
 
 
‘Ha!’ dus riep hij verwoed,
 
‘'k Heb een adder gebroed,
 
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!’
 
En hij sloeg op zijn jas,
 
En hij trapte in een plas;
 
't Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.
 
 
 
En meteen zocht zijn blik
 
Naar een eiketak, dik
 
Genoeg om zijn lichaam te torschen.
 
Daarna haalde hij een strop
 
Uit zijn zak, hing zich op,
 
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.
 
 
 
Het werd stil in het woud
 
En wel tienmaal zoo koud,
 
Want de wintertijd kwam. En intusschen
 
Hing maar steeds aan zijn tak,
 
Op zijn doode gemak,
 
Die mijnheer, tot verbazing der musschen.
 
 
 
En de winter vlood heen,
 
Want de lente verscheen,
 
Om opnieuw voor den zomer te wijken.
 
Toen dan zwierf - 't was erg warm -
 
Er een paar arm in arm
 
Door het woud. Maar wat stond dát te kijken!
[p. 47]
 
Want, terwijl het, zoo zacht
 
Koozend, voortliep en dacht:
 
Hier onder deez’ eik is 't goed vrijen,
 
Kwam een laars van den man,
 
Die daarboven hing, van
 
Zijn reeds langverteerd linkerbeen glijen.
 
 
 
‘Al mijn leven! van waar
 
Komt die laars?’ riep het paar,
 
En werktuigelijk keek het naar boven.
 
En daar zag het met schrik
 
Dien mijnheer, eens zoo dik
 
En nu tot een geraamte afgekloven.
 
 
 
Op zijn grijnzenden kop
 
Stond zijn hoed nog rechtop,
 
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
 
Was gerafeld en grauw.
 
Door een gat in zijn mouw
 
Blikten mieren en wurmen en spinnen.
 
 
 
Zijn horloge stond stil,
 
En één glas van zijn bril
 
Was kapot en het ander beslagen.
 
Op den rand van een zak
 
Van zijn vest zat een slak,
 
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.
 
 
 
In een wip was de lust
 
Om te vrijen gebluscht
 
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het spreken.
 
't Zag van schrik zóó spierwit
 
Als een laken, wen dit
 
Reeds een dag op het gras ligt te bleeken.
 
 
 
1852
prepostterug  begin  verder