terug  begin  verderprepost
[p. 48]

De Friesche poëet

I
 
De Harlinger stoomboot schommelt
 
Over de Zuiderzee
 
Van Stavoren naar Enkhuizen.
 
Een dichter schommelt mee.
 
 
 
Kwijnend rust op de verschansing
 
De zangrige elleboog.
 
Glazig staart naar Friesland
 
Het bleekblauw poëtenoog.
 
 
 
Soms ook is 't, of een klaaglied
 
De schampere lippen ontstijgt.
 
De hofmeester denkt, dat mijnheer dan
 
Een aanval van zeeziekte krijgt.
 
 
 
Och, de hofmeester is niet onmooglijk
 
Een mensch met een edel hart,
 
Maar, al meent hij het goed, hij heeft geen
 
Verstand van dichterssmart.
 
 
 
En ik denk, dat is maar goed ook;
 
Want kende de man die pijn,
 
Hoe zou hij nog voor de betrekking
 
Van hofmeester bruikbaar zijn? -
 
 
 
‘Vaarwel!’ ruischt het van de verschansing
 
Naar het langzaam wegblauwend strand,
 
‘Vaarwel! mijn diepverbasterd,
 
En toch mijn vaderland!
 
 
 
Wat al waatren rolden grimmig
 
Uw vernederde terpen voorbij,
 
Sinds in eigen taal uw kindren
 
Konden zeggen: “wij, Friezen, zijn vrij!”
[p. 49]
 
Naar ploeg en koestal vluchtte
 
Uw taal, eenmaal Holland's schrik,
 
Om uw steden te zien verzinken
 
In allerlei vreemde kwik.
 
 
 
Uw adel ligt op sterven;
 
Dat prachtige, koppige ras,
 
Dat, om voor een koning te buigen,
 
Te stijf eens van knieën was.
 
 
 
En begraven zijn ze op een paar na
 
Uw dochters van edel bloed
 
Met het oorijzer om den schedel
 
En de schaatsen onder den voet.
 
 
 
Friesche jonkers solliciteeren
 
Om een postjen als ambtenaar
 
En nemen zich tot vrouwen
 
Friezinnen - met los haar!’
 
 
 
Een ontzaglijk-hoonende tandknars
 
Bezegelt het slotaccoord,
 
En ‘help!’ gilt de man aan het stuurrad,
 
‘Een passagier overboord!’
 
 
 
Te laat! De poëet is verdwenen
 
In de diepte van 't dansende meer.
 
Slechts zijn pet vindt men acht dagen later
 
Op de kust van Wieringen weer.
[p. 50]
II
 
In overoude tijden,
 
Toen men nog geen stoombooten had,
 
Lag er halfweg tusschen Enkhuizen
 
En Staavren een bloeiende stad.
 
 
 
Haar koene schippers brachten
 
Haar schatten van heinde en veer,
 
En onder haar kooplui telde
 
Zij meer dan één millionair.
 
 
 
Maar - wat men meer ziet gebeuren -
 
't Geld maakte haar kooplieden grootsch.
 
Toen streken de elementen
 
Over haar het vonnis des doods.
 
 
 
Op zeekren morgen kon men
 
In de Leeuwarder krant zien staan,
 
Hoe het trotsche Oud-Staavren eensklaps
 
In de Zuiderzee was vergaan.
 
 
 
Sinds verliepen er honderden jaren;
 
En men hield het er algemeen voor,
 
De bodem der zee droeg langer
 
Van Oud-Staavren geen enkel spoor.
 
 
 
Slechts vond men er nog op Schokland,
 
Die zwoeren bij kris en bij kras,
 
Dat er onder in de diepte
 
Nog heel wat van over was.
 
 
 
Een oude visscher beweerde:
 
Hij was dikwijls door klokgelui,
 
Dat uit de zee opkwam, gewaarschuwd
 
Voor een naderende onweersbui.
 
 
 
De torenklok van Oud-Staavren,
 
Die moest dat hebben gedaan.
 
Had zijn vader niet eens het uurwerk
 
In dien toren halfacht hooren slaan?
[p. 51]
III
 
De dichter is verdwenen
 
In de diepte van 't dansende meer.
 
Hij zinkt als een steen. En eindlijk
 
Komt hij in Oud-Stavoren neer.
 
 
 
Want, ja, wat die goede Schokkers
 
In hun eenvoud steeds hebben beweerd,
 
Dat is waar: de verdronken koopstad
 
Bestaat nog ongedeerd.
 
 
 
Haar muren zijn nog stevig;
 
Haar torens zijn nog hoog;
 
Slechts is er alles druipnat,
 
Wat er eenmaal als kurk was zoo droog.
 
 
 
En op haar pleinen en straten,
 
Van menschengedruis eens vol,
 
Daar zwemmen nu stilzwijgend
 
Tarbot en schelvisch en schol.
 
 
 
In haar achterbuurten leeft het
 
Van krab en slak en garnaal,
 
En kabeljauw vult met bruinvisch
 
Op het raadhuis de groote zaal. -
 
 
 
Tot allerlei bochten zich wringend
 
En van benauwdheid loodblauw,
 
Zinkt de dichter-drenkling neder
 
Op de stoep van een deftig gebouw.
 
 
 
Stuiptrekkend beweegt hij den klopper.
 
O wonder! de poortdeur wijkt,
 
En de zanger drijft den gang in.
 
Maar hij is daar niet, of hij bezwijkt.
[p. 52]
IV
 
Hoelang de gezonken poëet wel
 
Bewustloos gelegen heeft,
 
Dat zou ik niet kunnen zeggen.
 
Genoeg, - de man herleeft.
 
 
 
Hij heft de gevoelvolle blikken,
 
Maar twijfelt schier aan hun trouw;
 
Vlak toch tegenover zich ziet hij
 
Een wonderschoone vrouw.
 
 
 
Haar gitzwarte lokken golven
 
Langs een voorhoofd van elpenbeen
 
Over leliewitte schouders
 
En een sneeuwblanken boezem heen.
 
 
 
Haar wenkbrauwen buigen zich prachtig
 
Boven oogen van lazuur,
 
Beschaduwd door zware wimpers
 
En tintlend van prettig vuur.
 
 
 
Een neusje, Venus waardig,
 
Scheidt haar wangen, wier zachte gloed
 
De rozen beschaamt, maar voor 't blosje
 
Van haar lipjes nog tanen moet.
 
 
 
Ivoren tandjes glinstren,
 
Zoo vaak haar mondje lacht;
 
En de mollige kin bergt een kuiltje,
 
Dat stil naar een kusje smacht.
[p. 53]
V
 
De dichter begrijpt er niets van;
 
Maar eindelijk waagt hij het toch
 
De vreemde schoone te vragen:
 
‘Waar ben ik?’ en ‘leef ik nog?’
 
 
 
En als kristal klinkt haar antwoord:
 
‘Mijn lieve landgenoot,
 
Gij zit hier in Oud-Staavren,
 
En ge zijt volstrekt niet dood.
 
 
 
Gelukkig voor u bewoon ik
 
Hier een waterdicht lokaal,
 
Waar ik versche lucht kan krijgen
 
Door een onderzeesch kanaal.
 
 
 
Nog even bijtijds ontdekte ik,
 
Hoe gij sparteldet op de stoep...
 
Doch al praatjes genoeg! Gij hebt honger,
 
Eet dus eerst eens dit bordje soep.
 
 
 
Dat zal u goeddoen, mijn jongen!
 
Ik zelf heb ze klaargemaakt.
 
En drink er dit glas Pommies bij;
 
Die weet ik dat lekker smaakt.
 
 
 
Ga u daarna eens goed verdrogen,
 
En - kom dan in mijn arm;
 
Dan, voor den drommel, kus ik
 
U nog eens ouderwets warm!’
[p. 54]
VI
 
‘Vergeef mij,’ huivert de dichter,
 
‘'t Is onbescheiden misschien,
 
Maar mag ik ook vragen, wat dame
 
Ik de eer heb vóór mij te zien?’ -
 
 
 
En de schoone glimlacht: ‘Wel zeker!
 
- Maar eet ondertusschen voort, -
 
Ik ben dat weeuwtje van Staavren,
 
Daar ge mooglijk wel van hebt gehoord;
 
 
 
Die een lading Dantziger tarwe
 
Aan stuurboord in zee werpen liet...
 
Maar, man, waar wordt ge zoo bleek van?
 
Dat hindert u, hoop ik, toch niet?’ -
 
 
 
‘Dat geval met die Dantziger tarwe,
 
Mevrouw, is te lang geleên,
 
Om mij nu nog te kunnen hindren,
 
Al was het dan ook - gemeen.
 
 
 
Maar wat mij van lust om te eten
 
En om u te kussen berooft.
 
Is, dat gij, geboren Friezinne,
 
Geen oorijzer draagt om uw hoofd.
 
 
 
Maar wat mij zóó vreeslijk ergert,
 
Dat de wang er mij van verbleekt
 
Is, dat ook het weeuwtje van Staavren
 
Gebroken-Hollandsch spreekt.
 
 
 
Verbasterd is mijn Friesland
 
Tot op den bodem der zee.
 
Ik heb genoeg van het leven.
 
Drink zelf uw flesch Pommies.’
 
 
 
Zoo galmt de rampzalige dichter
 
En vliegt de voordeur uit.
 
Nog een korte strijd, - en de haaien
 
Verdeelen hun zangrigen buit.
 
 
 
1852

prepostterug  begin  verder