[p. 55]
Jan van Zutphen's afscheidsmaal 1257
I
Droef neuriënd kust daarbuiten
De nachtwind de torentinnen.
Maar hoog boven den zang van den nachtwind
Stijgt het feestgezang daarbinnen.
Daarbinnen geeft
Jan van Zutphen
Voor de allerleste male
Zijn wakkeren vrienden ten afscheid
Festijn in de opperzale.
Want, als het weer daagt in 't oosten,
Tijgt
Zutphen's
dapper heere
Met het roode kruis op den schouder
Naar het land van Overmeere.
En als het weer purpert in 't westen,
Dan dragen hem reeds de golven
Naar 't verre land, waar al menig
Zich een heldengraf heeft gedolven.
Maar hem jaagt niet als zoo menig
Onleschbre gouddorst henen
Tot den kamp in de lommer der palmen
Met de woeste Saracenen.
De noodkreet der vele broedren,
Die daarginds in ketenen zuchten,
Die gespt hem het zwaard aan de heupe
En drijft hem naar zuiderluchten.
Want onder zijn maliejak klopt hem
Een edel mannenharte,
Dat, staal voor eigen lijden,
Krimpt van weedom bij anderer smarte.
[p. 56]
Doch nu dwaalt zijn oog zoo somber
Langs den feestdisch in de opperzale,
Waar hij aanzit met zijn vrienden,
Nog ééns, voor de leste male.
Daar rusten zijn blauwe blikken
Op tal van baroenen en knapen,
Die, al keert hij van 't Oosten eens weder,
Dan toch lang in den grafkelder slapen.
Daar tellen zijn blondruige lippen
Zoovele hem dierbare namen,
Die uit Holland en 't Sticht en uit Friesland
Op zijn huis ten afscheidsmaal kwamen.
Aan zijn rechte rolt de lach van
Jacobus van Meerenbergen
,
Die zoete lach, die zelfs nonnekens
Tot wereldsche grapkens kon tergen.
Hij lacht met
Janus van Steenbeek
Om
den zwarten slotvoogd van Bommel
,
Die den rug van het slapend
Cocqjen
Van Gorcum
gebruikt als trommel.
Aan 's gastheers slinke zetelt
Zijn trouwe leidsman en rader,
De
astroloog
, in het veld hem ten broeder,
In het stil klozet hem ten
vader
.
Verderop zit
Karel de Kaper
En drinkt minne met
Peter den Langen
.
Daartusschen zingt
de eedle van Mackum
Zijn Friesche tafelzangen.
Op hem volgen
Jan van den Bossche
,
Fel op kloosters en papen gebeten,
En
Dorus de Mooie
, druk bezig
Om pauwebraadsel te eten.
[p. 57]
Ook
Zutphen's
grijze lijfarts
,
Met zijn
broeder
, en blonde
Janje
Van de Rotte
laven de kelen
Aan de druiven van 't lauwe Spanje.
Aan het eind van den disch doet
Eligius
,
Dat sieraad der clerezije
Van 't Oversticht, zich te goede
Aan de tintlende malvezije.
En nog menig andere degen
Zit aan in de opperzale,
Nu
Jan van Zutphen
festijn geeft
Voor de allerleste male.
II
Doch ziet, daar buigt
Melchior
, de page,
Zich over
Zutphen's
zetel,
Ietwat vrees in de donkerbruine oogjes,
Zoo schelmsch anders en vermetel.
‘Daar buiten aan de slotpoort,’
Zoo lispt hij zijn heer in de ooren,
‘Daar staat weer de doode minstreel,
En hij eischt, dat gij hem zult hooren.
De minstreel, die, vier jaar geleden,
Zoo spoorloos van 't huis is verdwenen,
En sinds nog driemaal in 't nachtuur
Aan den torenwacht is verschenen.’
‘Hij kome, de doode minstreel!’
Roept
Zutphen
, van wijn bevangen,
‘Hij kome en zing mij ter eere
Zijn helsche minnezangen!’
[p. 58]
De
astroloog
fronst zoo ernstig de wenkbrauw:
‘Heer
Jan
, wil u dan toch bezinnen!
Met minstreels, als zij eens dood zijn,
Daar is niet mee te beginnen.’
‘En zingt mij de boef ook lijden,
En krast mij de dief ook sterven,
Ik wil, dat hij zinge! Geen liedjes
Zullen
Jan van Zutphen
verderven!’
Het kersrood van
Melchior's
wangen
Wordt witter dan pasgebleekt linnen,
En knieknikkend spoedt hij zich henen
En laat den doode binnen.
Zóó rilt op den adem van 't koeltje
Het donkere beukengebladert,
Als de knapen en baanrotsen rillen,
Nu het lijk van den minstreel nadert.
Zóó klappren de castagnetten
Van Biscaje's zwartoogige schoonen,
Als de tanden der ridders, bij 't zien van
Des minstreels marmeren koonen.
Maar nooit nog ook, sinds voor het eerst hier
Ellendigen tranen schreiden,
Lag in één oog zóó'n afgrond
Van onpeilbaar zielelijden.
Maar nooit nog ook, sinds de wanhoop
Voor het eerst hier een hart vervulde,
Zag men zóó'n grimlach, als die zich
Om de lippen des minstreels krulde.
Van grafbloemen is de kranse,
Die zich wingert door zijn haren.
Van doodkistenhout is de harpe, -
Doch geen menschenoog ziet er de snaren.
[p. 59]
Slechts geestenblik merkt er de snaren,
Waaruit zijn doode vingren
Een woestschoonen stroom van accoorden
Den ridders in de ooren slingren.
En grijpen die lijkkoude vingren
Die grafdampaâmende snaren,
Dan golven de boezems der knapen
Als door stormwind gebeukte baren.
Dan rommelen de ingewanden
Van al die ontembre baronnen,
Als wen de wind uit de verte
Ons toewaait den zang van kanonnen.
Nu ratelt de harp als de donder,
Dan suist ze als de kus van een engel;
Nu ploft zij als een lawine,
Dan klokluidt ze als kuddengebengel.
Wee! Daar opent de minstreel zijn lippen;
Daar... Het sieraad der clerezije,
Eligius
, schiet plots onder tafel. -
Dat komt van de malvezije!