In het voorgaande hoofdstuk werd o.a. onderzocht, hoe of de relatief grote vruchtbaarheid der Nederlandse katholieken de bevolkingsgroei van ons land heeft beïnvloed.
Wij dienen ons thans eerst de vraag te stellen, welke overige factoren, behalve de later nog te behandelen religieuze gezindheid van de door ons bestudeerde groep, dit vruchtbaarheidsverschil veroorzaakt kunnen hebben.
Bij de bestudering van dit vraagstuk zullen wij de volgende methode toepassen. Door regionale en sociaal-structurele vergelijking kan wellicht enig inzicht worden verkregen omtrent de werkingsintensiteit en frequentie der factoren, welke voor de demografische ontwikkeling der Nederlandse katholieken het meest van belang zijn. Gelijk wij nader zullen toelichten, betreft de werkingsintensiteit de kracht van de factor; met de frequentie wordt aangeduid het percentage, dat de katholieken uitmaken van de aan de werking van de desbetreffende factor onderhevige groep. Dit percentage wordt vergeleken met het percentage dat de katholieken van de totale bevolking van het Rijk uitmaken. De werkingsintensiteit van twee factoren, b.v. verstedelijking en godsdienstige gezindheid, kan worden vergeleken, door het geboorte-niveau der katholieke bevolking van een grote stad te plaatsen naast dat van een niet-katholiek agrarisch gebied, waar geen productie-omstandigheden heersen, welke het geboorte-niveau laag houden1.
Bij het onderzoek van de frequentie der werking van een factor wordt nagegaan of de katholieken al of niet oververtegenwoordigd zijn in de groep, waarop deze factor inwerkt. Wij noemen als voor-
beeld de vraag: zijn de Nederlandse katholieken over- of ondervertegenwoordigd in de grootste steden van ons land, vergeleken met hun aandeel in de totale Nederlandse bevolking? Zijn zij aldus naar verhouding in groter of geringer aantal onderhevig aan de invloed van het urbanisme op het geboorte-niveau?
Het begrip werkingsintensiteit kan worden toegepast bij het tegen elkaar afwegen der factoren, die het vruchtbaarheidsverschil tussen de diverse godsdienstige groepen beïnvloed hebben.
Op grond van de beschikbare literatuur kunnen de volgende factoren worden genoemd, die waarschijnlijk voor het verschil in geboorteniveau van de naar godsdienst ingedeelde Nederlandse bevolkingsgroepen van betekenis zijn geweest:
| 1. | verstedelijking; |
| 2. | industrialisering; |
| 3. | agrarische productie-omstandigheden (bodem, bedrijfstype, expansiemogelijkheden); |
| 4. | quantitatieve samenstelling der beroepsstructuur1. |
Wij zullen de werkingsintensiteit van deze factoren in vergelijking met de godsdienstfactor thans eerst bespreken en daarna zo mogelijk ook de frequentie van hun werking nagaan.
Met nadruk wijzen wij er op, dat in dit hoofdstuk geen volledige berekeningen omtrent de invloed van vermelde demografische krachten zullen worden uitgevoerd. Hiertoe ontbreken ons de noodzakelijke hulpmiddelen (afgezien nog van de vraag of hier een volledig en exact overzicht ooit met meer hulpmiddelen bereikt zou kunnen worden). Ons doel is slechts van de kracht (werkingsintensiteit) en frequentie der demografisch belangrijke factoren, welke de besproken verschillen in geboorte-niveau eventueel zouden kunnen beïnvloeden, een indruk te verkrijgen. Hopelijk zal later dit verkennend onderzoek door uitvoeriger quantitatief researchwerk worden gevolgd.
Dat de urbanisering het geboorte-niveau der volken in de Westerse cultuurkring tijdens bepaalde historische phasen zeer heeft verlaagd, mag als bekend worden verondersteld. Het verschijnsel doet zich uiteraard het sterkst voor in de grote steden. Wat de Nederlandse verhoudingen betreft, in de 10 jaren voorafgaand aan de tweede wereldoorlog lagen de geboortecijfers in de Nederlandse gemeenten boven 100.000 inwoners geregeld ca. 20 tot 25 % beneden het Rijks-
gemiddelde. Hoewel zich tijdens de jaren van het hoge na-oorlogse geboorte-niveau in dit opzicht even merkwaardige verschuivingen hebben voorgedaan, waren in 1949 de cijfers der grote steden wederom aanmerkelijk lager dan het Rijksgemiddelde (± 15 à 20 %)1.
Dikwijls is men de opvatting toegedaan, dat de grote invloed, die van het urbaniseringsproces op het geboorte-niveau uitgaat, de invloed van de godsdienstfactor in betekenis overtreft. Vergelijkt men echter de geboortecijfers van de katholieke bevolking van Amsterdam2 met die van de Nederlandse gemeenten beneden de 5.000 inwoners, dan blijken deze voor de jaren rondom de volkstelling van 1930 vrijwel gelijk te zijn:
| Amsterdamse katholieken 1930/1931, geboorten per 1.000 in woners | 25.19 |
| Bevolking gemeenten beneden de 5.000 inwoners voor dezelfde periode | 25.3 |
| Voor 1949/1950 waren deze cijfers: | |
| Amsterdamse katholieken | 32.71 |
| Gemeenten met minder dan 5.000 inwoners | 27.6 |
Laatstgenoemde vergelijking moet uiteraard, gezien de incidentele geboortestijging na de oorlog, met de nodige reserve worden beschouwd; het opmerkelijkste is echter, dat het cijfer van de kleinste gemeenten dat van de Amsterdamse katholieken nog steeds niet overtreft.
Interessant is het in dit verband om de vruchtbaarheidscijfers (meer betrouwbare maatstaven dan de geboortecijfers) van katholieken te Amsterdam te vergelijken met dezelfde cijfers voor typische plattelandsgemeenten3. Volgens het kartogram blijkt, dat in de jaren 1929 tot 1932 het vruchtbaarheidscijfer der Amsterdamse katholieken, (bedragende 125.1) juist nog in dezelfde grootte klasse lag als het merendeel der overwegend Nederlands Hervormde Drentse agrarische zandgemeenten. Niet minder dan 10 van deze gemeenten hadden een lager cijfer. Ook hier blijkt, dat de godsdienstfactor demografisch minstens even sterk werkt als de urbaniseringsfactor.
Heeft de verstedelijkingsfactor naar verhouding op een geringer aantal Nederlandse katholieken ingewerkt vergeleken met de andere Nederlandse bevolkingsgroepen? Dit is inderdaad voor de grote steden het geval, gelijk onderstaande cijfers tonen.
| % katholieken, telling 1947 | |
|---|---|
| Amsterdam ............... | 22.0 |
| Rotterdam ................ | 22.9 |
| 's-Gravenhage .............. | 28.2 |
| Utrecht ................. | 35.3 |
| Rijk ................... | 38.5 |
De cijfers in de vorige twee volkstellingen tonen soortgelijke verhoudingen.
In de gemeenten met 50- tot 100.000 inwoners wijkt de vertegenwoordiging der katholieken niet sterk af van het Rijksgemiddelde. Het percentage katholieken bedraagt in deze gemeenten volgens de volkstelling 1947 bijna 43 %.
De factor industrialisering wordt dikwijls geacht van grote invloed te zijn wat betreft de verlaging van het geboorte-niveau. Een industrieland gelijk Engeland met slechts 8 % agrarische beroepsbevolking had reeds voor de oorlog een lager vruchtbaarheidscijfer dan Frankrijk. Het is voor ons ongetwijfeld van belang om na te gaan in hoever of de industrialisatie het katholieke geboorte-niveau heeft kunnen beïnvloeden. Men krijgt hieromtrent ten dele reeds een indruk wanneer men de overwegend katholieke industriesteden Tilburg, Eindhoven en Helmond met niet-katholieke, niet-geïndustrialiseerde gebieden in Nederland vergelijkt en - om van de urbaniseringsfactor te isoleren - tevens met een weinig geïndustrialiseerde grote katholieke stedelijke gemeente gelijk b.v. 's-Hertogenbosch. Wij kiezen voor deze niet-katholieke gebieden bij voorkeur de hervormde zandstreken in het oosten van het land, omdat de bevolking van genoemde katholieke industriesteden ook hoofdzakelijk uit zandgebieden afkomstig is.
Het treft ons daarbij in de eerste plaats, dat de moderne industriestad Eindhoven, waar in 1930 ruim 90 % katholieken woonden, omstreeks dat jaar een hoger vruchtbaarheidscijfer had dan meer dan
drie kwart van de Drentse zandgemeenten, die in 1930 vrijwel nog niet geïndustrialiseerd waren1. Eindhoven werd slechts door twee gemeenten (Emmen en Schoonebeek) in vruchtbaarheid overtroffen. De leeftijdsopbouw der bevolking in deze snel opgekomen industriestad kan hier van betekenis zijn geweest, doch ook Tilburg verschilt weinig met het Drentse platteland. Deze stad had in 1930 een wat lager cijfer dan Eindhoven, maar werd slechts door 7 Drentse gemeenten overtroffen. Waar juist Drente onze protestantse provincie is met het hoogste geboorte-niveau, is dit geringe verschil tussen Drente en Tilburg wel opmerkelijk. In het kartogram betreffende de jaren 1949/52 liggen Tilburg en Helmond nog steeds boven het merendeel der Drentse zandgemeenten; Eindhoven, Breda en Maastricht bevinden zich ongeveer op dit niveau2. Dit feit spreekt des te meer, daar in genoemde steden de industrialiserings- en urbaniseringsfactor elkaar versterken. De industrialiseringsfactor op zichzelf schijnt, althans in het stedelijk milieu, geen grote werkingsintensiteit te hebben, te oordelen op grond van een vruchtbaarheidsvergelijking van het weinig-geïndustrialiseerde 's-Hertogenbosch en het geindustrialiseerde Tilburg3.
Teneinde een indruk te verkrijgen van de werkingsintensiteit van de factor industrialisering los van de factor verstedelijking, voegen wij nevenstaande vergelijking toe.
In landelijke katholieke gebieden heeft de industrialiseringsfactor, betrekkelijk geïsoleerd optredend, meestal enige betekenis, te oordelen naar nevenstaande cijfers. De werkingsintensiteit van de verstedelijkingsfactor is echter groter.
Onder de industriële beroepsbevolking van Nederland zijn de katholieken vrijwel naar verhouding tot hun aandeel in de totale beroepsbevolking vertegenwoordigd, zodat het niet waarschijnlijk is, dat de industrialiseringsfactor het geboorte-niveau der Nederlandse katholieken meer frequent heeft beïnvloed dan dat der nietkatholieken.
Het aandeel der katholieken in de Nederlandse beroepsbevolking bedraagt 33,4 %; voor de groep ‘arbeiders in fabrieken en werkplaatsen’ bedraagt hun percentage 35,4. Zij zijn aldus nog even oververtegenwoordigd4. Hetzelfde geldt voor de groep ‘Bedrijfshoofden in de nijverheid’.
| Economisch-geografisch gebied | Ter plaatse wonende beroeps- bevolking |
Ter plaatse werkende beroeps- bevolking |
Levend- geborenen 1949/1952 per 1000 gehuwde vrouwen 31 December 1950 |
||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | van wie in de nijver- heid |
Totaal | van wie in de nijver- heid |
||||
| abs. | % | abs. | % | ||||
| Kempenland | |||||||
| Bergeijk .... | 1205 | 560 | 46.5 | 1062 | 436 | 41.1 | 203.9 |
| Reusel ..... | 907 | 471 | 52.0 | 1037 | 599 | 57.8 | 277.6 |
| Bladel en Netersel | 1029 | 491 | 47.7 | 864 | 332 | 38.4 | 229.8 |
| Moergestel ... | 842 | 353 | 41.9 | 777 | 303 | 39.0 | 183.5 |
| Diessen ..... | 527 | 122 | 21.2 | 463 | 50 | 10.8 | 228.7 |
| Oost- en West-Middelbeers .. | 628 | 166 | 26.4 | 543 | 93 | 17.1 | 260.1 |
| Vessem ..... | 575 | 117 | 20.3 | 522 | 65 | 12.5 | 263.9 |
| Luijksgestel ... | 487 | 142 | 29.2 | 388 | 51 | 13.1 | 254.2 |
| Brabantse Peel | |||||||
| Budel ...... | 1883 | 1024 | 54.4 | 1736 | 925 | 53.3 | 190.0 |
| Gemert ..... | 2591 | 1176 | 45.4 | 2298 | 929 | 40.4 | 213.4 |
| Heeze ..... | 1174 | 587 | 50.0 | 1071 | 518 | 48.4 | 182.5 |
| Bakel ...... | 1268 | 275 | 21.7 | 1113 | 148 | 13.3 | 219.2 |
| Boekel ..... | 1248 | 240 | 19.2 | 1184 | 181 | 15.3 | 235.9 |
| Zeeland ..... | 1053 | 158 | 15.0 | 992 | 111 | 11.2 | 266.1 |
| Maarheeze ... | 1130 | 325 | 28.7 | 967 | 174 | 18.0 | 210.6 |
Door de Nederlandse sociografen en sociaal-geografen is zeer veel aandacht besteed aan het feit, dat het geboorte-niveau in gebieden met een gelijk percentage katholieken aanmerkelijk kan afwijken onder invloed van sociaal-economische agrarische factoren. Het meest heeft wel de aandacht getrokken, dat in landbouwgebieden, waarvan
de grondsoort hoofdzakelijk uit zeeklei bestaat, de vruchtbaarheidscijfers relatief laag zijn, niettegenstaande het feit, dat de bevolking overwegend (b.v. meer dan 80 %) uit katholieken bestaat. Vooral de Vooys heeft zich uitvoerig met dit verschijnsel bezig gehouden1. De zware kleigrond vereist voor haar bewerking een betrekkelijk uitgebreide outillage met landbouwmachines. Een dergelijke kapitaalintensieve productiewijze is economisch niet doelmatig voor het agrarische kleinbedrijf op de zandgronden met zijn relatief groot aantal agrarische arbeidskrachten per oppervlakte-eenheid. Deze economische situatie heeft tot gevolg, dat de kleigronden doorgaans ‘demografisch steriel’ zijn, d.w.z., dat zij tot de gebieden behoren met de laagste vruchtbaarheidscijfers in ons land. Hofstee merkt op, dat sedert ongeveer 1875 de landbouw in deze kleigebieden feitelijk geen arbeidskrachten meer heeft opgenomen2.
Naar het ons voorkomt, is de invloed van de godsdienstfactor op het Nederlandse geboorte-niveau in dit geval wel zeer intensief tegengewerkt. Immers, het geboorte-niveau van de overwegend katholieke gemeenten in Oost Zeeuws-Vlaanderen is in de laatste decennia geregeld lager of even hoog geweest dan van de Nederlands Hervormde Drentse zandgemeenten. Vergelijken wij echter het huwelijksvruchtbaarheidscijfer der Zeeuwse katholieken met dat der Drentse hervormden (374 tegenover 353), dan blijken de Zeeuwse katholieken toch nog de hoogste cijfers te hebben, al is het verschil niet groot3.
Vooral bij de beoordeling van het lage katholieke geboorte-niveau in de zeekleigebieden is het gewenst de begrippen werkingsintensiteit en frequentie van de factor goed te onderscheiden. Intens is de beinvloeding door deze factor ongetwijfeld, maar niet zeer frequent (d.w.z. hij oefent slechts invloed uit op een betrekkelijk gering deel der niet-katholieke Nederlandse bevolking). Immers, de Nederlandse mannelijke gezinshoofden in de landbouw bewonen slechts voor een gering gedeelte (niet meer dan 16.5 %) de zeekleigebieden. Grote quantitatieve betekenis heeft genoemd verschijnsel voor het door ons bestudeerde probleem niet, al blijft het wetenschappelijk bijzonder interessant.
Van meer belang is de factor grondsoort, indien wij deze combineren met de invloed van het agrarische bedrijfstype en de agrarische
expansiemogelijkheden, gelijk Hofstee dit heeft gedaan ten aanzien van onze zuidelijke en oostelijke zandgebieden1. Hofstee wijst op de snelle uitbreiding van het gebruik van kunstmest en de invoering van andere verbeteringen in de agrarische productie en afzet tegen het einde der 19de eeuw. Dit leidde in de zandgebieden er toe, dat enerzijds door nieuwe ontginning, anderzijds door het splitsen der veel productiever geworden bedrijven, het aantal plaatsen voor zelfstandige jonge boeren werd vergroot. Tegen het einde der 19de en in de eerste decennia der 20ste eeuw nam in verband hiermede het aantal huwelijken in deze gebieden snel toe. Ook werden deze huwelijken eerder gesloten. Zo was het mogelijk, dat volkomen in tegenstelling tot de ontwikkeling in de grote steden en de plattelandsgebieden elders, en ondanks de sterke daling van het sterftecijfer (in het bijzonder van de zuigelingensterfte), het geboortecijfer op de zandgronden in aanzienlijke mate steeg. Een twintigtal jaren later ontwikkelde zich aldus een enorme stroom van volwassen boerenzoons, die om een bedrijf kwamen vragen en dit niet konden vinden. Het relatief hoge geboortecijfer op de zandgronden is aldus volgens Hofstee voor een groot deel een gevolg van de nieuwe, tijdelijke verruiming van werkgelegenheid, die de boerenbevolking van deze gebieden in het begin van deze eeuw kreeg2, en die gelegenheid bood tot jonger huwen.
Op zichzelf beschouwd is bovengenoemde verklaring zeer aannemelijk. Echter hier doet zich wederom de reeds vroeger gesignaleerde onjuistheid voor, dat de godsdienstfactor te veel buiten het betoog wordt gelaten. Het is wetenschappelijk uiteraard volkomen verantwoord om van een factor te abstraheren, maar in bovenstaande uiteenzetting komt deze abstrahering niet voldoende duidelijk tot uiting. Leest men het desbetreffende artikel van Hofstee, dan krijgt men de indruk, dat volgens de auteur in Brabant, Noord-Limburg en Noord-Twente een vrijwel even grote bevolkingsgroei zou hebben plaatsgevonden, indien daar geen katholieken, maar hervormden in de eerste helft van deze eeuw zouden hebben gewoond3. Het nadeel van deze betoogtrant is, dat de economische factoren te zeer worden geaccentueerd en de spirituële op de achtergrond worden gedrongen. Ook hier kan een nadere vergelijking van de vruchtbaarheidscijfers in onze Nederlandse oostelijke en zuidelijke zandgebieden van betekenis zijn.
In het vruchtbaarheidskartogram voor 1930 komt een vruchtbaarheidscijfer lager dan 150 voor agrarische zandgemeenten van Noordbrabant en Noord-Limburg vrijwel niet voor. Vrijwel alle cijfers liggen hoger, grotendeels met 30 tot 50 %. In de zand- en veenkoloniale gebieden van Friesland, Groningen en Drente wordt het cijfer van 150 omstreeks 1930 slechts door 7 gemeenten bereikt. De rest blijft hieronder. Volgens het kartogram 1949/52 is in deze verhouding, niettegenstaande thans de ontginningsmogelijkheden zowel in het Noorden als het Zuiden van ons land bijna zijn uitgeput, betrekkelijk weinig wijziging gekomen1.
Dat de factor agrarische expansie van betekenis is geweest, blijkt wel uit de z.g. ‘Peelrug’ van hoge vruchtbaarheidscijfers in oostelijk Brabant, die door de Vooys uitvoerig is beschreven2 en op bijlagen 2 en 3 duidelijk is waar te nemen. De vraag is echter hoe of de wisselwerking der factoren thans is, bij de verminderde ontginningsmogelijkheden.
Veel verder dan Hofstee is Meerdink gegaan wat betreft het buiten beschouwing laten van de godsdienstfactor3. Volgens de opvatting van genoemde auteur ‘....zegt ons de religieuze zin, R. Katholicisme of Protestantisme,.... nog betrekkelijk weinig ten aanzien van de nataliteit....’4.
Terwijl Hofstee de godsdienstfactor slechts niet noemt, trekt Meerdink de betekenis ervan voor het Nederlandse geboorte-niveau in twijfel, vooral op grond van onderstaande statistiek.
| Noord-Brabant .... | 268.28 | Friesland ....... | 173.00 |
| Limburg ....... | 252.18 | Groningen ...... | 171.51 |
| Drenthe ....... | 220.69 | Zuid-Holland ..... | 165.71 |
| Gelderland ...... | 204.15 | Zeeland ........ | 159.12 |
| Overijssel ...... | 196.05 | Noord-Holland .... | 142.52 |
| Utrecht ....... | 183.55 | Het Rijk ........ | 184.51 |
Meerdink wijst op het feit, dat het Nederlands Hervormde Drente direct wat huwelijksvruchtbaarheid betreft volgt op de katholieke provincies Noord-Brabant en Limburg. Op grond hiervan merkt hij op:
‘Overzien wij thans deze gegevens, dan blijft de, inderdaad zeer hooge, huwelijksvruchtbaarheid van Noord-Brabant en Limburg althans voor een deel nog onverklaarbaar, tenzij wij er een conservatieve mentaliteit en de R.K. Kerk voor aansprakelijk stellen; voor het grootste deel kunnen wij echter ter verklaring andere wegen inslaan’1.
Meerdink wijst daarbij, gelijk Hofstee, op de agrarische productieomstandigheden.
Het kwam ons van belang voor, gezien bovenvermelde opvattingen, die zozeer de nadruk hebben gelegd op de agrarische expansiemogelijkheden, de huwelijksvruchtbaarheid in Drentse en Noordbrabantse zandgemeenten nog eens te vergelijken voor de tegenwoordige tijdsperiode (1949-1952), nu de na-oorlogse geboortepiek voor het gehele land langzamerhand vrijwel genivelleerd is en de ontginningsmogelijkheden in beide provincies zeer beperkt zijn geworden. (Beide provincies bezitten ieder nog ± 35.000 ha woeste grond; in het begin van deze eeuw was dit cijfer voor Drente 134.0002, voor Noord-Brabant 123.000). De op blz. 62 vermelde huwelijksvruchtbaarheidscijfers omtrent Drentse en Brabantse zandgebieden spreken een duidelijke taal. West-Brabant, dat steeds aangehaald wordt als een voorbeeld van een katholiek agrarisch zandgebied met een betrekkelijk laag geboortecijfer, overtreft het Drents plateau met 36 %. Dit niettegenstaande de waarschijnlijke beïnvloeding van het ‘geboorte-klimaat’ van eerstgenoemde streek door de direct aansluitende kleigebieden en vermoedelijk ook door Antwerpen3. In de Brabantse Peel ligt de huwelijksvruchtbaarheid niet minder dan 81.5 % hoger dan die van het Drents plateau.
Het verschil tussen de West- en Oost-Brabantse gemeenten kan ongetwijfeld ten dele verklaard worden uit de vroeger grotere agrarische expansiemogelijkheden van het Peelgebied. Dat echter in deze agrarische overbevolkte Brabantse zandgemeenten een dergelijke hoge huwelijksvruchtbaarheid grotendeels zou zijn gehandhaafd als gevolg van een locale traditie daterend uit de periode van de agrarische economische expansie, komt ons, gezien de ernstige bevolkingsdruk aldaar, weinig aannemelijk voor. Hier moeten krachtiger factoren in het spel zijn dan alleen een min of meer passief continuëren van een ‘geboortestijl’, die bovendien, gelijk in het voorgaande werd vermeld, slechts betrekkelijk korte tijd in deze streken heeft geheerst.
| Drents Plateau | Agrarisch zandgeb. W.-Brabant | Brabantse Peel | ||
|---|---|---|---|---|
| 16-19 jaar | 43.1 | 25.4 | 9.7 | |
| 1. Gehuwde vrouwen per 1.000 vrouwen in elke leeftijdsklasse op 31-5-1947 |
20-24 jaar | 346.1 | 276.3 | 369.9 |
| 25-39 jaar | 856.4 | 710.2 | 618.4 | |
| 40-49 jaar | 883.2 | 801.4 | 800.8 | |
| 20-49 jaar | 749.0 | 533.1 | 604.9 | |
| 2. Gehuwde vrouwen van 20-49 jaar op 31-12-1950 (berekend op basis 31-5-1947) |
11.599 | 6.739 | 11.215 | |
| 3. Levendgeborenen gemiddeld per jaar 1949/1952 |
1.910 | 1.510 | 3.353 | |
| 4. Levendgeborenen 1949/1952 per 1.000 gehuwde vrouwen van 20-49 jaar 31-12-1950 |
164.7 | 224.1 | 299.0 |
| Gemeenten Drents Plateau | Agrar. zandgeb. W.-Brabant | Brabantse Peel | |||
|---|---|---|---|---|---|
| Gemeente | Perc. mann. agrar. ber. bevolking | Perc. mann. agrar. ber. bevolking | Perc. mann. agrar. ber. bevolking | ||
| Beilen | 62 | Rucphen | 47 | Asten | 49 |
| Dalen | 68 | Etten en Leur | 42 | Bakel en | |
| Milheeze | 62 | ||||
| Diever | 66 | Zundert | 69 | Boekel | 62 |
| Dwingelo | 71 | Rijsbergen | 67 | Budel | 27 |
| Havelte | 62 | Prinsenbeek | 53 | Deurne | 45 |
| Norg | 41 | Nw-Ginneken | 45 | Gemert | 37 |
| Nijenveen | 71 | Chaam | 62 | Heeze | 29 |
| Oosterhesselen | 76 | Baarle-Nassau | 59 | Leende | 51 |
| Rolde | 70 | Alphen c.a. | 52 | Maarheeze | 53 |
| Ruinen | 71 | Mill | 51 | ||
| Ruinerwold | 69 | Oploo | 69 | ||
| Sleen | 64 | Schaayk | 61 | ||
| Smilde | 53 | Someren | 57 | ||
| Vledder | 64 | Uden | 49 | ||
| Vries | 66 | Wanrooy | 75 | ||
| Westerbork | 70 | Zeeland | 75 | ||
| Zweeloo | 73 |
Bovengenoemde zeer grote verschillen in huwelijksvruchtbaarheid tussen Drentse en Oostbrabantse gemeenten komen bij een vergelijking van het ruwe geboortecijfer niet voldoende duidelijk tot uiting, daar in Noord-Brabant, vergeleken met Drente, de hogere huwelijksvruchtbaarheid in belangrijke mate gemaskeerd wordt door later en minder frequent huwen, waardoor uiteraard het geboortecijfer in deze provincie gedrukt wordt.
| Leeftijd | Drente | Noord-Brabant |
|---|---|---|
| 15-19 jaar ............ | 3.6 | 1.8 |
| 20-24 jaar ............ | 37.2 | 22.6 |
| 25-29 jaar ............ | 74.1 | 58.5 |
| 30-34 jaar ............ | 85.5 | 75.5 |
| 35-39 jaar ............ | 87.1 | 79.6 |
| 40-44 jaar ............ | 85.9 | 80.6 |
| 45-49 jaar ............ | 85.8 | 79.2 |
| 50-54 jaar ............ | 83.4 | 76.6 |
| 55-59 jaar ............ | 78.7 | 71.6 |
| 60-64 jaar ............ | 72.3 | 64.6 |
| 65-69 jaar ............ | 62.0 | 54.4 |
| 70-74 jaar ............ | 49.1 | 41.3 |
| 75-79 jaar ............ | 32.9 | 28.2 |
| 80-84 jaar ............ | 21.1 | 15.6 |
| 85 jaar en ouder .......... | 8.1 | 7.1 |
| Totaal vrouwen 15 jaar en ouder | 62.6 | 53.5 |
Van Lieshout merkt wat betreft de verhoudingscijfers voor de leeftijd der huwenden bij vergelijking van Uden en het Rijk op: ‘Aanmerkelijk hoger echter ligt het percentage der 30-jarigen en ouder; wel zeer sprekend, meen ik, getuigen deze cijfers van de ongunstige omstandigheden, waarin de jongeren verkeren voor het stichten van een gezin’2.
De verklaring kan o.i. hier grotendeels worden gegeven door te verwijzen naar de godsdienstfactor: Deze geestelijke kracht bleef werken, continueerde de ter plaatse bestaande gezindheid, terwijl de locale agrarische productieomstandigheden hun betekenis voor het geboorte-niveau meer en meer begonnen te verliezen.
De bevolkingsdruk, die thans ook in het Peelgebied ten gevolge van het gebrek aan agrarische expansiemogelijkheden heerst, wordt door Pater van Lieshout op zeer treffende wijze beschreven1. Genoemde auteur wijst op het verschijnsel, dat in Uden volgens de landbouwtelling het percentage van ouders gepacht land van 1921 tot 1930 van 7.58 % tot 15.65 % der totale in pacht geëxploiteerde oppervlakte toenam. Hij voegt hieraan toe: ‘Enkel uit het gebrek aan cultuurgrond laat zich zulk een verschijnsel in een gebied waar de bedrijfsgrootte over het algemeen reeds aan de lage kant is, verklaren. Maar meer dan door enig cijfermateriaal worden verstand en gemoed getroffen door het persoonlijk contact met de agrarische bevolking. Talrijk zijn de gezinnen, welker volwassen zoons en dochters ieder uitzicht op een bedrijf ontbreekt. Alleen hij die zich met eigen oren en ogen heeft overtuigd van de noodtoestand van het jonge geslacht, beseft, hoe zwaar de bevolkingsdruk over de gemeente ligt. Diep leeft in allen, die daarvan dagelijks de gevolgen ondervinden, het bewustzijn, dat alleen migratie op grote schaal deze druk kan verlichten.’
Is het bij dergelijke sociale spanningen waarschijnlijk, dat het geboorte-niveau zo hoog blijft, zonder dat een sterke spirituele factor hier van overwegende betekenis is?
De vraag dient nog te worden beantwoord, in welke mate de factor ‘agrarische productie-omstandigheden der zandgebieden’ op het geboorte-niveau der Nederlandse katholieken met een relatief grotere frequentie heeft ingewerkt (d.w.z. of de katholieken in verhouding tot hun aandeel in de totale agrarische beroepsbevolking in de zandgebieden oververtegenwoordigd zijn). Dit blijkt inderdaad het geval te zijn. Immers het aandeel van de katholieken in het totale aantal mannelijke gezinshoofden in de landbouw bedraagt 34.4 %, dit cijfer der katholieken is voor de zandgebieden 44.1 %. Het is daarom niet onwaarschijnlijk, dat deze factor het geconstateerde verschil in bevolkingsgroei van katholieken en niet-katholieken in ons land heeft beinvloed. In ieder geval heeft deze oververtegenwoordiging een gunstige materiële basis gelegd voor de demografische werking van de godsdienstfactor.
Resumerend kunnen wij ten aanzien van de demografische betekenis der agrarische productie-omstandigheden het volgende opmerken:
| 1. | Het duidelijkst valt de werkingsintensiteit van deze factor waar te nemen bij de bevolking der zeeklei-gebieden in de vorm van een sterke verlaging van het geboorte-niveau der katholieken aldaar. De invloed van deze factor betreft echter slechts een gering percentage der agrarische bevolking, zodat de ondervertegenwoordiging der Nederlandse katholieken in de zeeklei-gebieden demografisch vermoedelijk van weinig betekenis is. |
| 2. | Bij steeds minder wordende verschillen in agrarische productieomstandigheden is de vruchtbaarheid in het zandgebied van Noord-Brabant gedurende de laatste decennia steeds groter geweest dan in de hervormde zandgebieden in het Zuidoosten van Friesland en in Drente. |
| 3. | Het is opmerkelijk, dat niettegenstaande thans de agrarische expansie-mogelijkheden in de zandstreken zeer beperkt zijn, de verschillen in huwelijksvruchtbaarheid tussen katholieken en Nederlands Hervormden vrijwel gelijk blijven. Genoemde verschillen zijn dikwijls zo groot, dat moeilijk aangenomen kan worden, dat in de zuidelijke zandgebieden een zuiver traditionele continuëring van de geboortestijl zou plaatsvinden, mede gezien de locale agrarische bevolkingsdruk, welke in deze streken heerst en die in soortgelijke niet-katholieke gebieden kennelijk het geboorte-niveau sterker doet dalen. |
| 4. | De katholieken zijn onder de agrarische beroepsbevolking der zandgebieden oververtegenwoordigd, zodat vermoedelijk het verschil in bevolkingsgroei tussen Nederlandse katholieken en niet-katholieken door de stimulerende werking van de hierboven besproken agrarische productie-omstandigheden is beïnvloed. De werkingsintensiteit van deze factor neemt echter meer en meer af, naar gelang de agrarische expansiemogelijkheden verminderen. |
De opvatting van Brentano en Mombert, dat het relatief hoog geboorte-niveau der katholieken voor een belangrijk gedeelte aan hun betrekkelijk lage welstand zou moeten worden toegeschreven1, vindt tegenwoordig weinig aanhangers meer. Julius Wolf heeft reeds in 1912 er op gewezen, dat veel meer een vervreemding van traditionele opvattingen en een rationalisering der gezinsmentaliteit het geboorte-
niveau beïnvloeden1. Deze verschijnselen kunnen zich ook in de laagste welstandsgroepen voordoen. Daarom heeft een onderscheiding naar de aard van het beroep, dat van grote invloed kan zijn op het meer of minder traditionele karakter van het gezinsmilieu, een veel grotere betekenis dan een vergelijking op grond van het welstandsniveau. Mackenroth formuleert deze opvatting aan de hand van recent onderzoek dienaangaande op de volgende wijze: ‘Innerhalb der gleichen Einkommensgruppe bleibt die Fruchtbarkeitsdifferenzierung nach Berufen bestehen. Innerhalb der gleichen Berufsgruppe verschwindet aber die negative Korrelation mit dem Einkommen, oder kehrt sich um’2.
De Volkstelling 1947 geeft omtrent de invloed van de beroepsstructuur op het geboorte-niveau belangrijke gegevens. Deze gegevens maken de opstelling van een vergelijkende staat mogelijk, die enig inzicht verschaft in de over- en ondervertegenwoordiging der Nederlandse katholieken in beroepsgroepen met relatief hoge en lage huwelijksvruchtbaarheidscijfers3.
Nevenstaande gegevens zijn zeker niet voldoende om exact de mate van de invloed vast te stellen, welke de verspreiding der katholieke bevolking over de beroepsbevolking van ons land op het katholieke geboorte-niveau uitoefent. Wel kunnen deze cijfers enige indruk geven van de intensiteit en frequentie der krachten, welke hierbij werkzaam zijn. Het blijkt, dat de oververtegenwoordiging der katholieken bij de grote groep bedrijfshoofden in de landbouw (met een relatief hoog geboorte-niveau) demografisch van enige betekenis is; in veel mindere mate geldt dit voor de grote overbezetting bij de talrijke mijnwerkersgroep, waarvan het geboorte-niveau weinig van het Rijksgemiddelde afwijkt. Een invloed in tegengestelde richting oefent echter de belangrijke ondervertegenwoordiging der katholieken bij de landarbeiders uit. Demografisch van belang is verder de sterke ondervertegenwoordiging in de beroepsgroepen der ambtenaren en van het administratief personeel, die zich kenmerken door een zeer lage vruchtbaarheid.
Hoewel kennelijk de katholieken wat oververtegenwoordigd zijn in beroepen met een relatief hoog geboorte-niveau en wat ondervertegenwoordigd in beroepen met een lagere vruchtbaarheid dan het Rijksgemiddelde, krijgt men toch de indruk, dat dit verschijnsel zelden betrekking heeft op naar verhouding tot de totale bevolking
| Beroepsgroepen | Mannelijke gezins- hoofden in deze beroeps- groepen |
Verschil tussen % R.K. en alg. gem. van 33.4 % | Over- resp. onder- bezetting |
Aantal levendgeb. kinderen op 100 huwelijken hoger resp. lager dan alg. gem. van 300 | ||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Totaal | waarvan R.K. | absolute cijfers | in % | |||||
| abs. | % | overbez. | onderbez. | |||||
| Veenarbeiders ....... | 4599 | 828 | 18.0 | - 15.4 | 709 | - 46.1 | + 128 | |
| Bedrijfshoofden in de landbouw .......... | 213251 | 84862 | 39.8 | + 6.4 | 13605 | + 19.1 | + 111 | |
| Grondwerkers ....... | 40012 | 14440 | 36.2 | + 2.8 | 1070 | + 8.0 | + 103 | |
| Landbouw-, tuinbouw- en bosarbeiders....... | 106934 | 25185 | 23.6 | - 9.8 | 10547 | - 29.5 | + 40 | |
| Bedrijfshoofden in de binnenscheepvaart ....... | 13322 | 3137 | 23.5 | - 9.9 | 1315 | - 29.5 | + 20 | |
| Mijnwerkers........ | 18311 | 16158 | 88.3 | + 54.9 | 10039 | + 164.1 | + 18 | |
| Overige bedrijfshoofden .. | 122347 | 38923 | 31.9 | - 1.5 | 1959 | - 4.8 | + 8 | |
| Sjouwers, haven- en transportarbeiders ...... | 36977 | 10224 | 27.6 | - 5.8 | 2132 | - 17.3 | + 6 | |
| Bedrijfshoofden in de nijverheid (met pers.) ..... | 101970 | 38311 | 37.7 | + 4.3 | 4238 | + 12.4 | } + 5 | |
| Bedrijfshoofden in de nijverheid (zonder pers.).... | 57921 | 21251 | 36.7 | + 3.3 | 1897 | + 9.8 | } + 5 | |
| Bouwvakarbeiders ..... | 97478 | 34959 | 35.9 | + 2.5 | 2387 | + 7.3 | - 2 | |
| Bedrijfshoofden, winkeliers . | 67469 | 24149 | 35.8 | + 2.4 | 1604 | + 7.1 | - 4 | |
| Overige arbeiders ..... | 51785 | 15399 | 29.7 | - 3.7 | 1905 | - 11.0 | - 5 | |
| Brievenbestellers ...... | 10829 | 3264 | 30.1 | - 3.3 | 354 | - 9.8 | - 28 | |
| Schippersknechts...... | 6888 | 1313 | 19.1 | - 14.3 | 989 | - 43.0 | - 26 | |
| Loopknechts en bestellers . | 21456 | 6827 | 31.8 | - 1.6 | 342 | - 4.8 | - 28 | |
| Arbeiders in fabr. en werkplaatsen ........ | 360102 | 127062 | 35.4 | + 2.0 | 6735 | + 5.6 | - 33 | |
| Huispersoneel ....... | 963 | 288 | 29.9 | - 3.5 | 34 | - 10.6 | - 37 | |
| Onderwijzers ....... | 17441 | 5043 | 28.9 | - 4.5 | 785 | - 13.5 | - 37 | |
| Magazijn- en pakhuispersoneel ........ | 27705 | 8777 | 31.7 | - 1.7 | 481 | - 5.2 | - 42 | |
| Bedrijfsleiders, meesterknechts, e.d. ...... | 51912 | 17072 | 32.8 | - 0.6 | 274 | - 1.6 | - 51 | |
| Chauffeurs en voerlieden .. | 37988 | 12608 | 33.2 | - 0.2 | 36 | - 0.7 | - 59 | |
| Verplegend personeel.... | 2060 | 473 | 23.0 | - 10.4 | 215 | - 31.3 | - 66 | |
| Handelsreizigers, verzekeringsagenten....... | 30359 | 10000 | 32.9 | - 0.5 | 144 | - 1.4 | - 68 | |
| Leraren, hoogleraren .... | 12057 | 3072 | 25.5 | - 7.9 | 957 | - 23.8 | - 70 | |
| Vrije beroepen ...... | 26314 | 6622 | 25.2 | - 8.2 | 2171 | - 24.7 | - 76 | |
| Politie, brandweer en beroepsmilitaire (lager) ..... | 32520 | 9465 | 29.2 | - 4.2 | 1401 | - 12.9 | - 79 | |
| Hotel-, café- en restaurant-personeel ........ | 13946 | 4897 | 35.1 | + 1.7 | 237 | + 5.1 | - 80 | |
| Overige employé's ..... | 35454 | 9632 | 27.2 | - 6.2 | 2216 | - 18.7 | - 87 | |
| Ambtenaren ........ | 87230 | 23647 | 27.1 | - 6.3 | 5501 | - 18.9 | - 87 | |
| Administratief personeel (geen overheid) ..... | 76211 | 19187 | 25.2 | - 8.2 | 6279 | - 24.7 | - 108 | |
| Winkelbedienden...... | 5227 | 1815 | 34.7 | + 1.3 | 68 | + 3.9 | - 115 | |
| Beroepsofficieren ...... | 2690 | 503 | 18.7 | - 14.7 | 396 | - 44.0 | - 131 | |
| Machinisten en stuurlieden (zeescheepvaart) ..... | 2997 | 313 | 10.4 | - 23.0 | 688 | - 68.7 | - 143 |
quantitatief belangrijke groepen met sterke afwijkingen van het gemiddelde. Hoewel de verspreiding der katholieken over de beroepsstructuur hun geboorte-niveau vermoedelijk enigszins heeft verhoogd, valt het zeer te betwijfelen of deze factor voor het geconstateerde huwelijksvruchtbaarheidsverschil tussen katholieken en niet-katholieken van veel betekenis is geweest.
In Nederland zijn vrijwel geen detailonderzoekingen verricht, waarbij de invloed van de godsdienst onderzocht werd binnen eenzelfde beroepsgroep. Een uitzondering hierop vormt het onderzoek van Sanders1. Sanders deelde zijn steekproef van ruim 24000 Rotterdamse gezinnen in 6 beroepscategorieën in:
| A) | hogere intellectuele beroepen |
| B) | ambtenaren en beambten |
| C) | winkeliers |
| D) | geschoolde arbeiders |
| E) | geoefende arbeiders |
| F) | ongeschoolde arbeiders |
| en verder G) | Nieuw Malthusianisten (buiten deze indeling vallend). |
Sanders merkt op2:
‘The Roman Catholics (III) in groups A, B, C and D fall outside the random deviation on the positive side. There is, therefore, a special reason for the large birth-rate. In groups E and F (practised and unskilled labourers) and G (Neo-Malthusians) the proportion of Roman Catholic children is rather higher than the average, but within the random deviation.’
Sanders' onderzoekingsresultaten komen overeen met die van Notestein, die bij een onderzoek in de beroepsgroepen ‘professional, business, skilled and unskilled’ constateerde, dat de katholieke families groter waren dan de protestantse, echter het minst in de groep van de ongeschoolden3.
De door Sanders en Notestein verstrekte gegevens doen vermoeden, dat de godsdienstfactor van demografische betekenis is, ook binnen eenzelfde laag der beroepsstructuur; het minst op de laagste lagen hiervan.
| N.Herv. | Geref. | R.Kath. | Joods | Andere godsd. | Geen godsd. | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Beroepsgroep A | 251 | 371 | 312 | 227 | 233 | 219 |
| Gem. aant. kind. = 252 Afwijking = 28,062 | ||||||
| Afwijking van het gem. | - 1 | + 119 | + 60 | - 25 | - 19 | - 33 |
| Beroepsgroep B | 230 | 278 | 278 | 259 | 261 | 238 |
| Gem. aant. kind. = 238 Afwijking = 28,284 | ||||||
| Afwijking van het gem. | - 8 | + 40 | + 40 | + 21 | + 23 | 0 |
| Beroepsgroep C | 325 | 423 | 407 | 268 | 268 | 362 |
| Gem. aant. kind. = 313 Afwijking = 28,284 | ||||||
| Afwijking van het gem. | + 12 | + 110 | + 94 | - 45 | - 45 | + 49 |
| Beroepsgroep D | 285 | 370 | 333 | 258 | 286 | |
| Gem. aant. kind. = 281 Afwijking = 28,062 | ||||||
| Afwijking van het gem. | + 4 | + 89 | + 52 | - 23 | + 5 | |
| Beroepsgroep E | 321 | 411 | 339 | 274 | 332 | 295 |
| Gem. aant. kind. = 312 Afwijking = 28,284 | ||||||
| Afwijking van het gem. | + 9 | + 99 | + 27 | - 38 | + 20 | - 17 |
| Beroepsgroep F | 440 | 463 | 398 | 368 | 509 | 315 |
| Gem. aant. kind. = 386 Afwijking = 28,284 | ||||||
| Afwijking van het gem. | + 54 | + 77 | + 12 | - 18 | + 123 | - 71 |
Sanders verrichtte zijn onderzoek in 1931 te Rotterdam. Wat de na-oorlogse verhoudingen betreft, geeft het onderzoek van Mej. Diels betreffende de opvattingen van ondertrouwde vrouwen omtrent de grootte van haar toekomstig gezin (Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage) enige indicaties van de wisselwerking der factoren plaats in de beroepsstructuur en godsdienstfactor.
| Beroep a.s. echtgenoot | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Godsdienst a.s. echtgenoten | Neringdoende middenstand | Vrije en hogere intellectuel. ber. | Overige hoofdarbeiders | Handarbeiders | Totaal |
| Beiden Rooms-Kath. | - | 9 | 32 | 32 | 29 |
| Beiden Gereformeerd | - | - | 15 | 33 | 19 |
| Beiden Ned. Hervormd | 80 | 33 | 45 | 78 | 56 |
| Beiden geen | 41 | 42 | 66 | 89 | 75 |
| Man óf vrouw geen | 100 | 18 | 69 | 78 | 69 |
| Overige combinaties | 40 | 50 | 41 | 64 | 51 |
| Totaal | 69 | 31 | 47 | 69 | 55 |
Hoewel het onderzoek van Mej. Diels zeker niet representatief moet worden geacht voor de drie grootste gemeenten van ons land, is hier toch wel een zeer duidelijke indicatie aanwezig van de invloed van de godsdienstfactor bij vergelijking van katholieken, Ned.-Hervormden en onkerkelijken in dezelfde beroepscategorie1. Uiteraard moet men er rekening mede houden dat het hier slechts wensen betreft.
De volgende omstandigheden zijn in overeenstemming met de resultaten van bovengenoemd sociaal-structureel onderzoek. In het voorgaande werd de huwelijksvruchtbaarheid van agrarische Drentse en Noordbrabantse zandgemeenten van soortgelijke economische en sociale structuur (behalve de godsdienst) met elkaar vergeleken. De verschillen bleken zeer groot te zijn. Ook bij vergelijking van stedelijke gemeenten van min of meer gelijke economische en sociale structuur, gelijk b.v. Den Bosch en Zwolle, Helmond en Winterswijk, Tilburg en Enschede doen zich aanmerkelijke verschillen in huwelijksvruchtbaarheid voor2. Waar de beroepsstructuren bij genoemde gemeente-vergelijkingen weinig verschillen, blijkt duidelijk, dat hier andere factoren in het spel moeten zijn. Wij denken hierbij vooral aan de godsdienstfactor.