Door de Pauselijke Encycliek is een duidelijk oordeel uitgesproken betreffende het geboortevraagstuk. Gezien dit feit is het begrijpelijk dat in de centraal geleide Katholieke Kerk - ook bij internationale vergelijking - zich practisch geen verschillen voordoen wat de formulering der desbetreffende moraaltheologische normen aangaat1. Als zodanig ligt hier uit een oogpunt van internationale vergelijking geen probleem. Geheel anders wordt deze vraag, wanneer wij niet de norm zelf, maar de beleving van de norm voor verschillende landen gaan onderzoeken. Zou het mogelijk zijn, gezien b.v. de verschillen in geboorte-niveau tussen Nederland en België (ook wat betreft de goed katholieke provincies van dit land), dat de Nederlandse katholieken zich wellicht van hun geloofsgenoten elders onderscheiden door een specifieke gezindheid, zich uitend o.a. ten aanzien van het geboortevraagstuk? Voor de beantwoording van deze vraag is vooral vergelijkend demografisch onderzoek noodzakelijk, betrekking hebbende op goed katholieke bevolkingsgroepen binnen en buiten onze landsgrenzen, die zoveel mogelijk een gelijke sociaal-economische structuur hebben. Verder dienen in verband met dit probleem ook Nederlandse niet-katholieken met soortgelijke groepen in het buitenland te worden vergeleken.
Een dergelijk internationaal demografisch onderzoek zou door middel van de volgende twee methoden kunnen plaatsvinden, waarbij het geboorte-niveau wordt vergeleken van:
| 1. | katholieken en niet-katholieken in Nederland met de onderlinge afwijking tussen deze groepen in het buitenland. |
| 2. | Nederlandse katholieken resp. niet-katholieken met de overeenkomstige groep buiten onze landsgrenzen. (Dikwijls bieden hier de grensgebieden de beste vergelijkingsmogelijkheden). |
Eerstgenoemde methode heeft het voordeel, dat de invloed van nationale mentaliteitsverschillen meer uitgeschakeld wordt dan bij vergelijking van vruchtbaarheidsverschillen van katholieke resp. protestantse gebieden aan weerszijden der grens. Hiertegenover staan een aantal belangrijke voordelen der tweede methode:
| 1. | Bij vergelijking van Nederlandse katholieken resp. niet-katholieken met de overeenkomstige groep in het buitenland zijn de kansen bij de tegenwoordige stand van het onderzoek groter, dat gegevens verzameld kunnen worden betreffende bevolkingsgroepen, die in gelijke mate aan het kerkelijk leven deelnemen. |
| 2. | Het constant houden van alle overige factoren in de vergelijking behalve de religieuze normbeleving ten aanzien van het geboortevraagstuk, is bij vergelijking van Nederlandse en buitenlandse katholieke grensbevolkingen minder moeilijk uitvoerbaar dan bij vergelijking der geboorte-niveauverschillen van katholieken en niet-katholieken in Nederland en in het buitenland. Het is b.v. mogelijk - gelijk wij hopen aan te tonen - om aan de zuidgrens van Noordbrabant goed katholieke Nederlandse en Belgische bevolkingsgroepen van gelijke sociaal-economische structuur te vergelijken wat hun huwelijksvruchtbaarheid betreft. Daarentegen ontbreken in Nederland de nodige gegevens om de huwelijksvruchtbaarheid van katholieken en niet-katholieken onder constanthouding van de welstandsfactor te vergelijken, gelijk b.v. is geschied in de bekende ‘survey’ van Whelpton en Kiser te Indianapolis1. |
| 3. | Door de studie van vergelijkbare niet-katholieke grensgebieden aan weerszijden van onze landsgrens kan een indruk worden verkregen, of genoemde vruchtbaarheidsverschillen zich ook daar in min of meer gelijke mate voordoen. |
| 4. | Volledige en algemene vergelijkingen van vruchtbaarheidsverschillen van katholieken en niet-katholieken in het buitenland vereisen doorgaans aanvullende sociologische detailstudie ter plaatse ter interpretatie van het demografisch materiaal. Het is zeker gewenst, dat dergelijke onderzoekingen meer dan tot dusver is geschied, zullen worden uitgevoerd in landen waar de katholieken gelijk in Nederland een sterke minderheidsgroep vormen. Daar het ons echter niet mogelijk was, dergelijk onderzoek in het buitenland op grote schaal te verrichten, moeten wij ons wat de eerste der twee genoemde onderzoekingsmethoden betreft, beperken door enkele buitenlandse demografische gegevens naast zo goed mogelijk vergelijkbaar Nederlands demografisch materiaal te plaatsen. |
Ons internationaal demografisch onderzoek zal gezien bovengenoemde redenen voornamelijk van de tweede methode gebruik maken (vergelijking van Nederlandse en buitenlandse katholieke grensgebieden, zowel als van Nederlandse en buitenlandse niet-katholieke grensstreken). Ter wille van de overzichtelijkheid zullen wij echter aanvangen met de toepassing van eerstgenoemde methode, welke het verschil in geboorte-niveau tussen katholieken en niet-katholieken in Nederland en in het buitenland vergelijkt. Deze vergelijkingen betreffen n.l. doorgaans grotere gebieden dan de grensstreken, die bij de aanwending van de tweede methode worden onderzocht.
Het is op zichzelf beschouwd reeds een merkwaardig verschijnsel, dat landelijke vergelijkende statistieken omtrent de verschillen in vruchtbaarheid tussen katholieken en niet-katholieken in vele staten met een sterke menging van katholieken en protestanten ontbreken. Men vindt dergelijke gegevens betreffende de differentiële vruchtbaarheid van de diverse godsdienstgroepen niet voor de Ver. Staten; evenmin voor Engeland en Duitsland1. Vermoedelijk vormen deze vruchtbaarheidsverschillen in genoemde landen niet een zodanig sociaal en economisch probleem, dat men het noodzakelijk acht hierover voor de gehele bevolking statistische gegevens te verzamelen. Een uitzondering hierop maken wat de West-Europese landen betreft,
slechts Nederland en Zwitserland. De vermoedelijke oorzaak hiervan zal nog nader ter sprake komen.
Tot de meest diepgaande, zij het ook locaal beperkte, onderzoekingen aangaande differentiële geboortecijfers van verschillende godsdienstgroepen, die in het buitenland zijn verricht, kunnen zonder twijfel worden gerekend de reeds eerder vermelde studie van Whelpton en Kiser in Indianapolis en die van Stouffer in Milwaukee1. Wanneer hun resultaten met de enige hiervoor enigszins in aanmerking komende Nederlandse demografische gegevens worden vergeleken2, dan blijkt het vruchtbaarheidsverschil tussen katholieken en niet-katholieken in Amsterdam wat groter te zijn dan dat voor Indianapolis en dat voor Milwaukee in hoge mate te overtreffen. Hieronder volgen de desbetreffende gegevens voor Indianapolis en Amsterdam.
| Godsdienst van man en vrouw | Kinderen geboren per 1000 geh. vr. | Aantal geh. vr. | Percentage |
|---|---|---|---|
| Alle godsdiensten ..... | 149 | 41.498 | 99.9 |
| Beiden Protestant ..... | 147 | 33.215 | 80.0 |
| Beiden Katholiek ..... | 173 | 4.492 | 10.8 |
| Beiden Joods ....... | 110 | 419 | 1.0 |
| Man Prot.-Vrouw Kath... | 133 | 1.438 | 3.5 |
| Man Kath.-Vrouw Prot... | 132 | 975 | 2.3 |
| Overige echtparen ..... | 138 | 959 | 2.3 |
| Rooms-Katholiek | niet-Rooms-Katholiek | |
|---|---|---|
| 1930/1931 ....... | 171.7 | 89.5 |
| 1947 ......... | 205.0 | 131.5 |
Bovenstaande cijfers tonen in 1941 voor Indianapolis verschillen aan van ongeveer 18 % tussen katholieken en protestanten; te Amsterdam was voor 1930/31 dit verschil circa 28 %1.
Stouffer constateerde bij zijn onderzoek naar de huwelijksvruchtbaarheid van de bevolking van de stad Milwaukee en voorsteden een geleidelijk afnemend verschil tussen katholieken en niet-katholieken naar gelang van het huwelijksjaar. Bij de groepen gehuwden in 1919/20 was het vruchtbaarheidsverschil tussen katholieken en niet-katholieken 30 %, voor de gehuwden in de jaren 1925/26 was dit cijfer gedaald tot 18 %. De huwelijksvruchtbaarheid der groepen katholieken en niet-katholieken verschilde in Amsterdam voor de jaren 1930/31 niet minder dan 92 %.
Gelijk reeds opgemerkt, zijn wij de mening toegedaan, dat dergelijke moeilijk vergelijkbare gegevens met de grootste voorzichtigheid dienen te worden geïnterpreteerd. De demografische gegevens zijn op zichzelf reeds niet volledig vergelijkbaar. Bovendien kan de sociaal-economische structuur van de desbetreffende twee gebieden sterk afwijken. Ook beschikken wij niet over vergelijkbare gegevens betreffende de deelname aan het kerkelijk leven der vermelde groepen in de Amerikaanse steden. Verder wordt de vergelijking der cijfers van Amsterdam en Milwaukee o.a. bemoeilijkt doordat de Amerikaanse gegevens naar beroepsklasse zijn gestandaardiseerd, terwijl dit voor Amsterdam niet het geval is. Daar de katholieken wellicht in de lagere beroepsklassen wat sterker vertegenwoordigd zijn, kan dit de vergelijking beïnvloeden.
Resumerend kunnen wij slechts opmerken, dat volgens de weinige vergelijkingen, die wij konden uitvoeren de vruchtbaarheidsverschillen tussen katholieken en niet-katholieken in Nederland groter zijn dan in de Verenigde Staten. Nader onderzoek is hier ongetwijfeld gewenst.
Wat de verhoudingen in Engeland aangaat, het is merkwaardig, dat het uitvoerige rapport van de Royal Commission on Population
geen cijfers verstrekt omtrent verschillen in geboorte-niveau tussen katholieken en niet-katholieken; niet alleen omdat het percentage katholieken in Engeland veel kleiner is dan in Nederland maar vermoedelijk ook omdat men het verschijnsel zelf van gering sociaal en wetenschappelijk belang acht. ‘There is some evidence - though the statistical information on the subject is scanty - that the trend of family size has differed between people of different religious affiliation. The decline has been slower among Roman Catholics than among Protestants. But the extent of the differences can easily be overstated’1.
In genoemd rapport wordt dan ook bij de factoren, welke de differentiële vruchtbaarheid beïnvloeden, de godsdienstfactor niet behandeld, hetgeen wel in grote tegenstelling staat met het uitvoerig cijfermateriaal, dat door het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek omtrent dit vraagstuk is gepubliceerd2.
In haar afzonderlijke studie over geboortebeperking verschaft de Royal Commission gegevens omtrent de methoden, welke door geenquêteerden hiertoe werden aangewend. Hoewel de commissie nadrukkelijk mededeelt, dat het aantal geënquêteerden, dat algehele onthouding en beperking geslachtsverkeer tot onvruchtbare periode toepaste, slechts ‘trivial’ was3, wordt van de geënquêteerde katholieke vrouwen (uitmakend 11.8 % van de steekproef) voor de jaren na 1930 voor niet minder dan 39-46 % medegedeeld, dat zij geboortebeperking aanwendden4. Dat dit feit door de Royal Commission zonder nader commentaar wordt geconstateerd, is wellicht voor de Nederlandse lezer nog opvallender dan deze cijfers zelf.
Tenslotte vermelden wij hier tevens nog de desbetreffende resultaten opgenomen in het werk ‘Britain and her Birth-rate’5. Wij kennen aan deze studie niet de betrouwbaarheid toe van het rapport der Royal Commission. O.a. is de frequentie van leden der diverse kerkgenootschappen in het sample niet bekend. De resultaten van de enquête wijzen op practisch geen verschillen in gezinsgrootte van meer dan 10 jaar gehuwde vrouwen, behorende tot de categorieën ‘vaguely religious’, ‘Church of England’, en ‘Roman Catholic’. De cijfers der gezinsgrootte zijn resp. 3.2, 3 en 3. Slechts de categorie ‘not religious’ heeft een veel lager cijfer, n.l. 2.1.
Hoewel in het voor-oorlogse Duitsland het percentage katholieken veel groter was dan in England (in Engeland 6.4 %, Duitsland 32.5 %1), beschikt het eerstgenoemde land evenmin over duidelijke statistieken, die een volledige vergelijking der geboorte-niveaux van katholieken en niet-katholieken voor het gehele rijk mogelijk maken2. Enige indicatie van de invloed, welke de katholieke gezindheid uitoefent op het geboorte-niveau, vindt men in onderstaande gegevens, waarin een aantal Duitse gebieden gegroepeerd zijn naar de hoogte van hun geboortecijfer gedurende de periode 1926/30. (Genoemde periode werd door ons gekozen om de uitzonderlijke omstandigheden van de economische crisisjaren en van het nationaal-socialistische regime buiten beschouwing te laten).
| Rangnummer naar % Katholieken | Van de 1000 personen waren in 1925 | Gemiddeld aantal geborenen per 1000 inwoners (zonder doodgeborenen) 1926-1930 | ||
|---|---|---|---|---|
| Protest. | Kath. | Geen Godsdienst | ||
| 7 Oldenburg .... | 763.0 | 226.9 | 6.8 | 21.8 |
| 4 Westfalen.... | 474.2 | 497.4 | 23.4 | 20.7 |
| 1 Beieren..... | 288.3 | 699.7 | 4.6 | 20.4 |
| 3 Baden..... | 394.1 | 584.0 | 8.5 | 19.4 |
| 10 Mecklenburg .. | 938.9 | 53.5 | 5.5 | 19.2 |
| 9 Saksen (Pr.) .. | 894.2 | 76.0 | 26.7 | 18.8 |
| 12 Thüringen ... | 925.5 | 28.4 | 43.7 | 18.5 |
| 2 Rijnprovincie .. | 296.0 | 673.6 | 21.7 | 18.4 |
| 8 Hannover ... | 840.0 | 140.2 | 14.4 | 18.4 |
| 6 Hessen ..... | 662.2 | 308.5 | 13.1 | 18.3 |
| 5 Wurtemberg .. | 680.2 | 308.8 | 6.5 | 18.2 |
| 13 Sleesw. Holst... | 942.3 | 27.2 | 27.3 | 17.2 |
| 11 Saksen ..... | 904.5 | 35.9 | 54.5 | 15.9 |
Bovenstaande zeer globale gegevens doen vermoeden, dat in Duitsland de industrialiserings- en verstedelijkingsfactor de demografische invloed van de katholieke gezindheid omstreeks 1925 vrijwel te niet deed. Het overwegend protestantse doch weinig verstedelijkte en geïndustrialiseerde Oldenburg had een hoger geboortecijfer dan de overwegend katholieke gebieden gelijk Beieren, Baden en de Rijnprovincie. Belangrijker is nog, dat de meeste grotendeels protestantse gebieden weinig verschillen wat hun geboortecijfer betreft met de overwegend katholieke gebieden, die echter meestal wat meer verstedelijkt waren.
Detailonderzoekingen tonen in geografisch betrekkelijk geïsoleerde gebieden in Duitsland grotere verschillen in vruchtbaarheid tussen katholieken en protestanten, gelijk door Schubnell werd geconstateerd bij de zelfstandige boeren in een aantal katholieke en protestantse gemeenten in het Schwarzwald.
Voor de periode 1919/23 constateerde Schubnell voor de katholieke gemeenten 4,46 geboorten per huwelijk; voor de protestanten 3,16. Uiteraard onder een zeker voorbehoud wat de vergelijkbaarheid van deze data betreft1.
Voor de landarbeiders in genoemde katholieke en protestantse gebieden was het geconstateerde verschil echter geringer (2,64 en 2,14).
De beschikbare Duitse gegevens tonen veel geringere verschillen tussen katholieken en protestanten in meer ontsloten landelijke gebieden en de grote steden. Belangrijke gegevens dienaangaande verschaft een publicatie van het Statistisches Reichsamt omtrent de vruchtbaarheid van katholieke en protestantse huwelijken, vastgesteld in 1933. Hierbij wordt een duidelijk overzicht gegeven van het aantal kinderen per gezin en de godsdienst der moeder voor de verstedelijkte Regierungsbezirke Breslau en Düsseldorf en het meer landelijke gebied van de Beierse Pfalz. In alle drie onderzoekingsgebieden waren protestanten en katholieken sterk vermengd. De conclusie van genoemde studie is, dat de katholieke gehuwde vrouwen vrijwel steeds ‘etwas kinderreicher sind’ dan de ‘Evangelische’ gehuwde vrouwen, doch dat dit verschil niet groot is.
Genoemde cijfers naast zo goed mogelijk vergelijkbare Nederlandse gegevens geplaatst, doen vermoeden, dat de vruchtbaarheidsverschillen tussen katholieke en protestanten in genoemde gebieden in de periode 1913 tot 1933 meestal geringer waren dan tussen Nederlandse katholieken en protestanten.
| Ned. Hervormd | Gereformeerd | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Alle huwelijken | Levend geborenen | Lev. geb. per 100 huw. | Alle huwelijken | Levend geborenen | Lev. geb. per 100 huw. | |
| 1241121 | 7071692 | 570 | 25928 | 167380 | 646 | |
| Nederlandse Gemeenten met minder dan 5000 inw. ...... | 321421 | 1892442 | 589 | 6575 | 44624 | 679 |
| 5000-20000 inw. | 411041 | 2395342 | 583 | 10064 | 64137 | 637 |
| 20000-100000 inw. ...... | 216661 | 1235822 | 570 | 4002 | 25975 | 649 |
| 100000 en meer inw. ...... | 292001 | 1548092 | 530 | 5287 | 32644 | 617 |
| Breslau .... | ||||||
| Düsseldorf ... | ||||||
| Pfalz ..... |
| Rooms-Katholiek | Evangelisch | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| Alle huwelijken | Levend geborenen | Lev. geb. per 100 huw. | Alle huwelijken | Levend geborenen | Lev. geb. per 100 huw. | |
| 69914 | 519805 | 743 | ||||
| Nederlandse Gemeenten met minder dan 5000 inw. ...... | 13311 | 109620 | 824 | |||
| 5000-20000 inw. | 18615 | 151515 | 814 | |||
| 20000-100000 inw. ...... | 21455 | 157082 | 732 | |||
| 100000 en meer inw. ...... | 16533 | 101588 | 614 | |||
| Breslau .... | 1413733 | 3668174 | 259 | 243876 | 601365 | 247 |
| Düsseldorf ... | 4870663 | 11798214 | 242 | 379843 | 771356 | 203 |
| Pfalz ..... | 864863 | 2342674 | 271 | 119680 | 290810 | 243 |
Merkwaardig is in dit verband ook het door Burgdorfer in 1932 geconstateerde feit, dat het geboorte-niveau der katholieke stad München lager ligt dan dat der overwegend protestantse steden Dresden, Leipzig en Hamburg, welke een even groot resp. groter aantal inwoners hebben dan de Beierse hoofdstad1.
Na de tweede wereldoorlog is in Duitsland wederom enig onderzoek verricht betreffende een eventueel verschil in vruchtbaarheid tussen katholieken en niet-katholieken. Een vergelijking dienaangaande van Nederland en Beieren geeft het volgende resultaat.
| Nederland | Beieren | ||||
|---|---|---|---|---|---|
| Wettig levendgeborenen naar godsdienst van de moeder | |||||
| Godsd. moeder | Absoluut | Per 1000 R.K. resp. niet-R.K. onder de totale bevolking | Godsd. moeder | Absoluut | Per 1000 R.K. resp. niet-R.K. en Evang. onder de totale bevolking |
| R. Kath. | 107815 | 27.5 | R. Kath. | 97015 | 14.8 |
| (gecorrigeerd ± 26.1) | |||||
| Niet-R.K. | 120481 | 19.2 | Niet-R.K. | 33724 | 13.1 |
| (gecorrigeerd ± 20.0) | w.v. Evang. | 31976 | 13.2 |
De vergelijking tussen de situatie in Nederland en Duitsland wordt bemoeilijkt door het feit, dat voor Nederland verschillende godsdienstopgaven (bij volkstelling en bij geboorte) met elkaar in verband moeten worden gebracht en bovendien omdat zonder meer van de verhouding 1947 moet worden gebruik gemaakt als basis voor de verdeling naar kerkelijke gezindte in 1951. Hierdoor wordt waarschijnlijk het geboortecijfer der katholieken (27.5) in afwijking van de werkelijkheid verhoogd. Verder wordt het vaststellen van een juist cijfer bemoeilijkt ten gevolge van het feit, dat in de periode 1949/52 de katholieken belangrijk bij de Nederlandse emigranten ondervertegenwoordigd zijn geweest, hetgeen tot
een relatief groter aantal katholieken onder de bevolking van 1/1'51 heeft geleid in vergelijking met 1947. Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft in verband met het bovenstaande getracht de invloed van bovengenoemde factoren zo goed mogelijk exact te benaderen en kwam hierbij tot de conclusie, dat het katholieke geboortecijfer van 27.5 teruggebracht dient te worden op 26.1 en het niet-katholieke cijfer van 19.2 op 20.0 dient te worden verhoogd. Uiteraard zijn deze berekeningen onder voorbehoud gegeven; het verkrijgen van volledige exactheid is hier niet mogelijk.
Na deze correcties geeft bovengenoemde globale schatting een verschil in geboorte-niveau tussen katholieken en protestanten in Nederland van ± 30 %; voor Beieren is dit cijfer ± 13 %. Hierbij moet tevens nog worden rekening gehouden met de mogelijkheid, dat de verschillen in huwelijksvruchtbaarheid der katholieken en niet-katholieken een nog sterkere afwijking tussen Nederland en Beieren zouden tonen in verband met een eventueel later en minder frequent huwen der katholieken in Nederland1.
Hoewel gelijk wij reeds vermeldden, het aanwezige statistische materiaal voor de vergelijking der verschillen in geboorte-niveau tussen katholieken en niet-katholieken binnen en buiten onze landsgrenzen niet voldoende is voor het trekken van zekere conclusies, doen de schaarse beschikbare gegevens niettemin vermoeden, dat deze verschillen in ons land meestal groter zijn dan in Engeland, Duitsland en de Ver. Staten. Uit het beschikbaar cijfermateriaal blijkt dus, dat ook buiten de bestaande nationale demografische verschillen om een relatief hoog geboorte-niveau der Nederlandse katholieken in vergelijking met buitenlandse geloofsgenoten herhaaldelijk kan worden vastgesteld, terwijl wij vrijwel nooit grotere verschillen in het buitenland opmerkten.
Wij zullen voorgaand onderzoek aanvullen met vergelijkingen van Nederlandse katholieke en niet-katholieke grensgebieden met de naburige gelijksoortige buitenlandse grensstreken. Alvorens wij deze methode zullen toepassen, vraagt echter eerst nog de bijzondere situatie in Zwitserland onze aandacht.
In het voorgaande hebben wij er reeds op gewezen dat in Zwitserland op grond van representatieve gegevens grote vruchtbaarheidsver-
schillen tussen katholieken en protestanten zijn waar te nemen. Brüschweiler geeft hieromtrent nog de volgende cijfers1.
| Godsdienst | Aantal geh. vrouwen 15-44 jaar | Aantal geb. | Huwelijksvruchtbaarheidscijfer |
|---|---|---|---|
| Katholieken ...... | 169.170 | 31.243 | 185 |
| Protestanten...... | 270.175 | 34.895 | 129 |
| Israëlieten....... | 2.084 | 154 | 74 |
| Anderen, zonder godsdienst ....... | 5.864 | 505 | 86 |
Het geconstateerde verschil tussen katholieken en protestanten (43 %) toont overeenstemming met het verschil tussen katholieken en protestanten in ons land. Dat deze Zwitserse verschillen niet uit een sterkere concentratie der katholieken op het platteland voortkomen, blijkt uit het feit, dat ongeveer gelijke verschillen tussen protestanten en katholieken in Zwitserse agrarische en industriële gebieden zijn te constateren.
| Gebieden | Levendgeborenen op 1000 gehuwde vrouwen van 15-49 jaar | |
|---|---|---|
| 1891/1900 | 1921/1930 | |
| Agrar. gebieden: | ||
| Katholiek ........ | 268 | 253 |
| Protestant ........ | 242 | 175 |
| Industriële gebieden: | ||
| Katholiek ........ | 248 | 178 |
| Protestant ........ | 214 | 115 |
Brüschweiler geeft op bovenstaande cijfers het volgende commentaar:
‘Die eheliche Fruchtbarkeit hängt primär vom Erwerbscharakter der Bevölkerung ab, ist also in erster Linie wirtschaftlich bedingt; neben dem wirtschaftlichen spielt das konfessionelle Moment eine sekundäre Rolle. Innerhalb eines wirtschaftlich homogenen Bevölkerungsteiles dagegen wird das Glaubensbekenntnis zum massgebenden Fruchtbarkeitsfaktor’1.
In het kader van onze probleemstelling zijn de volgende omstandigheden, die in Nederland en Zwitserland overeenstemming vertonen, van belang, gezien de vrijwel gelijke verschillen in vruchtbaarheid tussen protestanten en katholieken in beide landen.
| 1. | In beide landen - wij zullen de situatie in Nederland in de volgende twee hoofdstukken nader beschouwen - vormen de katholieken een groeiende minderheid van zodanige sterkte, dat een deel der protestantse bevolking door de sociale expansie van deze groep zich bedreigd gevoelt2. Deze vrees van sommige Zwitserse en Nederlandse protestanten wordt niet weggenomen door het feit dat de katholieke minderheid in beide landen slechts in een langzaam tempo toeneemt. Onderstaande statistiek geeft een beeld van deze demografische ontwikkeling in Zwitserland, waarbij de invloed van de aldaar gevestigde buitenlanders uitgeschakeld is3.
|
| 2. | Zowel in Zwitserland als in Nederland doet zich een sterke geografische concentratie der katholieken voor1. |
| 3. | In verband hiermede heeft het tijdvak der godsdienstoorlogen in Zwitserland evenals in Nederland een zeer lange nawerking uitgeoefend. Calvijn bracht de directe omgeving van Genève onder zijn invloed; Zwingli predikte de nieuwe leer in Zürich met het gevolg, dat dit gebied benevens Basel, Schaffhausen, Bern, Glarus en Appenzell, geheel of grotendeels protestant werden. Het waren vooral de centrale kantons, die katholiek bleven. Het Eedgenootschap viel in een protestants en een katholiek gedeelte uiteen, welke situatie tot de Franse revolutie gecontinuëerd werd. ‘De toestand was die van een status quo, waarbij de beide partijen elkander angstvallig op de vingers keken’2. Voor het behoud en de verdediging van de onafhankelijkheid moesten de twee helften samenwerken, maar wat hun intern bestuur betreft, waren zij volledig gescheiden. |
| 4. | In beide landen, hoewel in Zwitserland in mindere mate dan in Nederland, is het Katholicisme ook na de godsdienstoorlogen dikwijls in botsing gekomen en regelmatig in contact geweest met het Calvinisme. |
| 5. | Zowel in Nederland als in Zwitserland zijn de katholieken lange tijd na de godsdienstoorlogen, zij het op geheel verschillende wijze en voor verschillende tijdsduur, aan dwang onderworpen geweest. In Zwitserland geschiedde dit tijdens de opkomst van het liberalisme in het midden der 19de eeuw, toen de traditionele tegenstelling van katholiek en niet-katholiek zich in 1847 toespitste in de ‘Sonderbundkrieg’. In genoemd jaar scheidden zich de conservatieve katholieke kantons van de sedert 1803 bestaande statenbond af. Zij konden door de protestantse meerderheid slechts door middel van wapengeweld gedwongen worden in het bestaande Zwitserse staatsverband terug te keren. Aanleiding tot het conflict was de omstandigheid, dat in 1844 het bestuur van het kanton Luzern het gehele onderwijswezen van dat gebied in de handen der Jezuïeten-orde had gelegd, hetgeen tot bloedige gevechten tussen katholieke en niet-katholieke bevolkingsgroepen leidde3. Na de beëindiging van de ‘Sonderbundkrieg’ bleef de Jezuïeten-orde in Zwitserland verboden. Nog steeds |
| mogen in dit land de bestaande katholieke orden zich niet uitbreiden door het stichten van nieuwe kloosters1. |
Bij de beschouwingen in de volgende hoofdstukken over de ontwikkeling van de sociologische achtergrond van het geboorte-niveau der katholieken in Nederland, zal de wisselwerking in bovengenoemde factorenreeks (geografische concentratie - contact met het Calvinisme - onderdrukking in het verleden - sterke minderheid - verschillen in tijdsperspectief tussen protestanten en katholieken) opnieuw en uitvoeriger ter sprake komen.
In de aanvang van dit hoofdstuk zetten wij uiteen, dat wij bovenvermelde methode, de meest doelmatige achten, mede gezien de beschikbare gegevens. Bij deze werkwijze worden de vruchtbaarheidsverschillen tussen gebieden aan weerszijden van de Nederlandse grens, voor zover zij zich door een gelijke religieuze en sociale structuur kenmerken, met elkaar vergeleken. Vanzelfsprekend waarborgt directe nabuurschap van twee gebieden nog geen gelijksoortige sociale en economische verhoudingen. Niettemin is hier de kans groot - al zal dit telkens door regionaal onderzoek moeten worden bevestigd - dat aldus passende vergelijkingen kunnen worden gemaakt.
Voor onze vergelijking der grensgebieden gaan wij uit van het door Van den Brink vermelde feit, dat langs de gehele Nederlands-Belgische rijksgrens de geboortecijfers van de Belgische provincies lager liggen dan die van de aangrenzende Nederlandse provincies2. Omtrent dit verschijnsel geeft Van den Brink geen nader commentaar, doch merkt slechts op, dat de oorzaken van deze verschillen alleen door een gedetailleerde analyse kunnen worden opgespoord.
Als maatstaf ter beoordeling van de deelname aan het kerkelijk leven in de Belgische gebieden maken wij gebruik van de ‘Carte de la pratique dominicale en Belgique par localité’3. Deze kaart is gedeeltelijk afgedrukt op blz. 87.
Het Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut, dat ons op genoemde kaart opmerkzaam maakte, gaf ons hierbij de volgende toelichting:
‘De Nederlandse gegevens1 hebben betrekking op de paschantie, dat is het vervullen van de paasplicht; de Belgische op de dominicantie, dat is het vervullen van de Zondagsplicht. Beide indicaties dekken elkaar niet volkomen. Zeker is, dat het aantal paschanten overal groter is dan het aantal dominicanten. Welke verhouding er tussen beide bestaat, is voor de betrokken gebieden niet bekend, maar wel mag worden aangenomen, dat in de Belgische gemeenten met meer dan 90 % dominicanten, het aantal non-paschanten practisch te verwaarlozen is.’
Het Katholiek Sociaal-Kerkelijk Instituut merkt verder nog op:
‘De cijfers zijn ontleend aan niet volledig vergelijkbare onderzoekingen; het aantal dominicanten is ter verkrijging van de verhoudingscijfers getrokken op het aantal katholieken, dat tot het houden van de Zondagsviering verplicht is’.
Wij beginnen met de rijksgrens van Oost naar West te volgen en laten hierbij de Belgische provincie Luik buiten beschouwing, daar zij zich blijkens de beschikbare gegevens in hoge mate kenmerkt door geloofsafval en aldus voor vergelijking met het over het algemeen goed katholieke Zuid-Limburg niet in aanmerking komt.
Betere vergelijkingsmogelijkheden dan Zuid-Limburg en Luik geven ons de Nederlandse en Belgische provincies Limburg, die beide goed katholiek zijn. Wij kozen voor nader onderzoek het arrondissement Maaseik, gelegen in de uiterste noordoosthoek van Belgisch Limburg, en een aangrenzend Nederlands gebied met een gelijk percentage agrarische arbeidskrachten en ook overigens van vrijwel gelijke sociaal-economische structuur. Maaseik is een der gebieden met het hoogste geboorte-niveau voor geheel België2, en zeer intens katholiek3. Het is een landelijk gebied zonder grote bevolkingsagglomeraties en op aanmerkelijke afstand der grote Belgische steden gelegen. Het percentage agrarische arbeidskrachten is er echter betrekkelijk gering, vooral in verband met de na de eerste wereldoorlog opgekomen nieuwe mijngebieden, die zich op de grens van het arrondissement rondom Genk en Beverlo hebben ontwikkeld.

Dominicantenkaart voor noord-oost Belgie
(Zie toelichting blz. 85)
| Maaseik | Ned. Gebied | |
|---|---|---|
| 1920-1924 .............. | 159.1 | 166.5 |
| 1925-1929 .............. | 163.2 | 149.3 |
| 1930-1934 .............. | 162.8 | 145.1 |
| 1935-1938 .............. | 151.3 | 130.7 |
| 1946-1950 .............. | 119.6 | 131.5 |
Belangrijke blijvende verschillen in vruchtbaarheidscijfers bleken in deze gebieden aan weerszijden der grens niet aanwezig te zijn. Beide gebieden hebben afwisselend de hoogste cijfers. Omtrent het voor Belgische verhoudingen hoge geboorte-niveau in Maaseik gaf ons een locaal deskundige, Pater J. Kerkhofs, S.J., die over de demografische verhoudingen in Belgisch Limburg een dissertatie geschreven heeft1, de volgende schriftelijke uiteenzetting:
‘.... het komt mij voor, dat de oude religieuze tradities van deze gewesten van minstens even groot belang zijn als de huidige sociaal-economische factoren.... De Kempenaars zijn minder grof en materialist dan de inwoners uit het zuiden. Zij zijn minder rijk, maar de heide en bossen hebben hen tot werkzaamheid en ook wel tot stilte, beschouwing, gelatenheid enerzijds en volhardendheid anderzijds bedwongen. Daarbij komt nog, en dit lijkt mij van uitzonderlijk belang, de afwezigheid van grote centra. In het noorden ligt geen enkele stad van betekenis, terwijl in het zuiden de invloed van Luik voor het gehele sociale klimaat doorslaggevend is. Het geringere contact met de buitenwereld en het diep ingeworteld zijn van de Katholieke geloofsleer en -moraal, werken samen om de Kempen te isoleren van de stedelijke opvattingen over geboortebeperking en dergelijke. (Deze laatste zien wij echter toenemen, ook in Limburg, en vrij sterk na deze oorlog, vooral dan in de “neus” der provincie rond Tessenderlo, Halen, Beverlo en in geheel het zuiden: invloed
van Luik en Brussel; en ook in de Maasvallei. Hoelang de Kempen zullen weerstand bieden aan de vreemde invloeden is niet te voorspellen. M.i. echter dringt de invloed van Brussel en Antwerpen en meer nog van couranten, tijdschriften en films, in steeds versneld rythme door in geheel de Kempen.... Wij mogen niet vergeten, dat een groot gedeelte van de Wester Kempen in de fabrieken van Overpelt-Lommel is te werk gesteld en een ander deel, vooral van de Midden Kempen, in het koolmijngebied van Midden-Limburg. Het blijkt, dat practijk en gezinstoestanden beter zijn bij hen, die in eigen streek blijven arbeiden, dan bij hen, die afdalen naar de meer zuidelijk gelegen mijnen. Het contact met de vreemdelingen in de mijncentra zal aan dit laatste wel niet vreemd zijn.’
Van belang blijken dus in verband met het bovenstaande:
| 1. | Het isolement van Maaseik ten opzichte der grote steden en, in wisselwerking hiermede, |
| 2. | Het locale groepskarakter der bevolking van deze streek (wellicht door onze zegsman wat geïdealiseerd). |
| 3. | De nog geringe pendelmigratie over grote afstand met het daaraan verbonden verbreken van het isolement.
Verder vermeldt Kerkhofs in een ander schrijven: |
| 4. | De nog aanwezige agrarische expansiemogelijkheden in Maaseik, welk gebied in dit opzicht aansluit op de in het voorgaande besproken demografische ‘Peel-rug’ tussen Noordbrabant en Limburg. |
Bovenstaande vergelijking van de vruchtbaarheidscijfers van Maaseik met een gelijksoortig Nederlands gebied doet vermoeden dat indien de sociale omstandigheden zowel in het Belgische als in het Nederlandse grensgebied gunstig zijn voor een hoge vruchtbaarheid, geen belangrijk verschil in geboorte-niveau tussen de Nederlandse en Belgische cijfers is waar te nemen. Dit feit behoeft echter mogelijke verschillen in ‘geboorteklimaat’ aan weerszijden der grens niet uit te sluiten. Immers de houding der Katholieke Kerk ten aanzien van het vraagstuk der geboortebeperking is hoofdzakelijk defensief. Voordat de massale geboortebeperking inzette, was het katholiek geboorte-niveau in Nederland niet hoger dan het niet-katholieke, eerder het tegendeel1. Verschillen in de intensiteit der normbeleving zullen daarom pas duidelijk tot uiting komen, indien zich in beide vergelijkingsgebieden maatschappelijke krachten doen gevoelen, die de vruchtbaarheid sterk kunnen doen dalen.
Duidelijk komt dit tot uiting bij een vergelijking in die gebieden
aan weerszijden van onze zuidgrens, waar het geboorte-niveau nog steeds hoog is, maar waar niettemin genoemde maatschappelijke krachten zich sterker doen gevoelen dan in het ten opzichte van de grote steden geïsoleerd liggende Limburg. Als voorbeeld hiervan kunnen genoemd worden de Nederlandse provincie Noordbrabant en de aangrenzende Belgische provincie Antwerpen (zonder de stedelijke agglomeratie van die naam). Het landelijke Antwerpen behoort tot de demografisch betrekkelijk vruchtbare Belgische provincies1. Vergelijking met Noordbrabant geeft het volgende resultaat:
| Noordbrabant | Provincie Antwerpen | |
|---|---|---|
| 1925-1929......... | 29.42 | 24.74 |
| 1930-1934......... | 27.72 | 23.31 |
| 1935-1938......... | 26.02 | 21.03 |
| 1946-1952......... | 28.24 | 20.20 |
| 1946............ | 30.9 | 21.52 |
| 1947............ | 30.6 | 20.68 |
| 1948............ | 29.3 | 20.27 |
| 1949............ | 28.2 | 19.95 |
| 1950............ | 26.7 | 19.50 |
| 1951............ | 25.9 | 19.28 |
| 1952............ | 26.1 | 20.17 |
Gedurende de gehele vergelijkingsperiode overtreffen de cijfers van Noordbrabant die van het Antwerpse gebied met 18.9 % tot 47.9 %. Deze vergelijking is echter nog te onnauwkeurig. Enerzijds wordt niet voldoende rekening gehouden met het betrekkelijk hoge percentage niet-dominicanten in het Belgische gebied3; anderzijds is in Noordbrabant de verstedelijking groter dan in de provincie Antwerpen zonder haar hoofdstad. Verder moet wat Noordbrabant betreft rekening worden gehouden met het zeekleigebied aldaar, zich
kenmerkend door lage geboortecijfers1. In verband hiermede kozen wij in de provincie Antwerpen een kleiner vergelijkingsgebied, n.l. het arrondissement Turnhout, in het bijzonder het noordelijk gedeelte hiervan. Turnhout is weliswaar niet zo sterk geïsoleerd als Maaseik, maar het ligt toch grotendeels op een afstand van minstens 50 km der Belgische grote steden. De grondsoort is grotendeels dezelfde als de zandgronden van Noordbrabant. Belangrijke industrie-agglomeraties komen in Turnhout niet voor, zodat een vergelijking met de landelijke Noordbrabantse grensgemeenten met een ten dele agrarische en ten dele industriële beroepsbevolking mogelijk wordt. Genoemd arrondissement is grotendeels goed katholiek2. Een indicatie in deze richting is het feit, dat de Katholieke Christelijke Volkspartij in Turnhout bij de Kamerverkiezingen van 1950 niet minder dan 77.25 % der stemmen behaalde3.
| Turnhout | Ned. Gebied | |
|---|---|---|
| 1920-1924............... | 140.5 | 166.4 |
| 1925-1929............... | 134.1 | 152.0 |
| 1930-1934............... | 130.1 | 143.7 |
| 1935-1938............... | 120.0 | 133.2 |
| 1946-1950............... | 111.6 | 141.4 |
Ook hier liggen de Noordbrabantse cijfers gedurende de gehele vergelijkingsperiode hoger met verschillen van 10 % tot 27 %.
Onzuiver blijft nog bij deze vergelijking, dat geen cijfers van het aantal geborenen per 1000 gehuwde vrouwen van 15-49 jaar ter beschikking staan, gelijk bekend de beste maatstaf voor vergelijkend vruchtbaarheidsonderzoek. Dit klemt des te meer, omdat, gelijk wij op blz. 62 reeds opmerkten, op het katholieke Noordbrabantse
platteland betrekkelijk laat wordt gehuwd en ook de huwelijksfrequentie er relatief gering is, hetgeen uiteraard het geboortecijfer drukt.
Wat de Belgische gebieden betreft, ook daar is de vergelijking nog niet nauwkeurig genoeg, in verband met de aanwezigheid van gemeenten met een in vergelijking met het Nederlandse gebied betrekkelijk groot aantal niet-dominicanten. De Noordbrabantse grensgemeenten hebben allen een te verwaarlozen percentage nonpaschanten, waarmede, gelijk reeds vermeld, alleen de categorie 90 tot 100 % dominicanten, eventueel aangevuld met enkele op deze categorie aansluitende gemeenten, kan worden vergeleken. In verband hiermede viel onze keuze op de Noord-Turnhoutse gemeenten, die gezamenlijk twee van de drie ver in Nederland doordringende inhammen vormen, welke ons van oudsher van de schoolkaart bekend zijn. De volgende Belgische gemeenten maken hiervan deel uit: Hoogstraten, Meer, Meerle, Minderhout, Poppel, Weelde, Ravels. Deze noordelijkste gemeenten van België hebben geboortecijfers, die tot de hoogste categorie van het land behoren1. Hiertegenover plaatsen wij een grotendeels agrarisch en ten dele industriëel landelijk aangrenzend Nederlands gebied ten zuiden van Tilburg, bestaande uit de volgende gemeenten: Zundert, Rijsbergen, Chaam, Baarle-Nassau, Alphen, Goirle, Hilvarenbeek, Hoge- en Lage Mierde, Reusel, Bladel.
De volgende factoren, die eventueel het geboorte-niveau zouden kunnen beïnvloeden, werden door een passende keuze der gemeenten in de twee vergelijkingsgebieden vrijwel geneutraliseerd:
1. Deelname aan kerkelijk leven.
Beide grensgebieden zijn zeer goed kerkelijk, met op Nederlands gebied een te verwaarlozen percentage non-paschanten. Het Belgisch gebied behoort grotendeels tot de hiermede gelijkgestelde categorie van minder dan 10 % non-dominicanten.
Twee gemeenten zijn van de daarop aansluitende categorie2.
2. Sociale en economische structuur.
Beide gebieden hebben een vrijwel gelijk percentage agrarische beroepsbevolking. De industriële arbeidskrachten zijn in Nederland meer geconcentreerd (o.a. in Goirle, deel uitmakende van het Tilburgse textielgebied). Echter volgens de door de desbetreffende Belgische gemeentebesturen verstrekte inlichtingen werken vrijwel geen arbeidskrachten op
Overzichtskaart van katholieke, resp. protestantse gebieden aan weerszijden van de Nederlandse rijksgrens, waarvan het geboorte-niveau vergeleken is
grote afstand van hun woonplaats. Zij die dit wel doen, werken hoofdzakelijk in de industrieën van het goed katholieke West-Limburg (vermoedelijk niet meer dan 10 % der beroepsbevolking, de mijnwerkers maken hiervan het kleinste gedeelte uit). Naar het Waalse gebied vindt zo goed als geen pendelmigratie plaats. De industriële activiteiten zijn vooral geconcentreerd op de sigaren-, stenen- en pannenfabrieken ter plaatse. De agrarische bedrijfsstructuur verschilt weinig van het aangrenzende Nederlandse gebied.
3. Mate van isolement ten opzichte van de grote steden.
In beide gebieden is meer dan in Maaseik en in het daaraan grenzende Ned. gebied contact met de grote stad aanwezig. De Nederlandse gemeenten liggen in de onmiddellijke nabijheid van Tilburg. Voor de Belgische gemeenten is de afstand tot Antwerpen weliswaar grotendeels meer dan dubbel zo groot (30-50 km), maar een zekere mate van sociaal contact is wel aanwezig. Er vindt echter vrijwel geen pendelmigratie naar deze wereldhaven plaats.
Dank zij de medewerking van het Belgische Nationale Instituut voor de Statistiek en het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek kon voor de twee vermelde gebieden de huwelijksvruchtbaarheid worden vergeleken voor de periode 1946-1950 (zie hier naast). Het bleek, dat de Nederlandse cijfers ongeveer 60 % hoger lagen dan de Belgische. Gezien de bovengenoemde gelijksoortige religieuze en sociaal-economische structuur een verrassend groot verschil.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarmede wij naar aanleiding van het constateren van bovenstaande verschillen van gedachten wisselden, is van oordeel, dat, niettegenstaande enige statistische onzekerheidsmarges, ‘een niet onbelangrijk grotere vruchtbaarheid in de Nederlandse gebieden als vaststaand kan worden aangenomen’. Het Centraal Bureau voor de Statistiek schrijft:
‘Bij het belangrijke verschil tussen de vruchtbaarheidscijfers voor de Nederlandse en Belgische grensgemeenten dient nog het volgende te worden opgemerkt.
Gegevens omtrent het aantal gehuwde vrouwen van 15-49 jaar in België zijn, behalve voor de arrondissementen als geheel, slechts bekend voor de gemeenten met méér dan 5.000 inwoners. Aangezien het overgrote deel der in beschouwing genomen Belgische grensgemeenten minder dan 5.000 inwoners telt, moet de omvang van de aldaar woonachtige categorie van gehuwde vrouwen in de vruchtbare leeftijd worden berekend op basis van de verhouding tussen deze groep en alle gehuwde vrouwen in de arrondissementen, waartoe de betrokken grensgemeenten behoren. In deze arrondissementen zijn echter ook een aantal grotere gemeenten gelegen, waarvoor een hoger percentage gehuwde vrouwen kan worden verondersteld dan voor de plattelandsgemeenten in deze arrondissementen.


Teneinde een indruk te verkrijgen van de hierdoor ontstane fout is bedoeld percentage ook bepaald voor alle gemeenten beneden 5.000 inwoners in België (de enige groep waaromtrent cijfers voor dit doel beschikbaar waren). De uitkomst (65 %) wijkt weinig af van die voor de arrondissementen Eeklo (66 %), Antwerpen (67 %), Sint Niklaas (68 %) en Gent (63 %), doch voor de arrondissementen Turnhout (72 %) en Maaseik (72 %) ligt het percentage rond 10 % hoger. Dit betekent, dat indien het percentage gehuwde vrouwen in de bij het onderzoek betrokken gemeenten in de arrondissementen Turnhout en Maaseik gelijk wordt gesteld aan dat in alle Belgische gemeenten met minder dan 5.000 inwoners, het vruchtbaarheidscijfer in deze gemeenten rond 10 % hoger is dan het eerder berekende.
Voorts dient nog opgemerkt, dat in de gebruikte Belgische cijfers over het aantal levendgeborenen niet zijn begrepen de levendgeborenen, die vóór de aangifte zijn overleden. Ook in dit geval is de daaruit voortvloeiende noodzakelijke correctie slechts te benaderen. De vruchtbaarheidscijfers voor de gemeenten in bedoelde arrondissementen zouden in dit verband met ± 1 % moeten worden verhoogd.
Uit de vermelde cijfers blijkt, dat beide bovengenoemde factoren de verschillen tussen de Belgische en Nederlandse vruchtbaarheidscijfers slechts in beperkte mate beïnvloeden.
Het is niet uitgesloten, dat voorts een verschil in leeftijdsverdeling onder de gehuwde vrouwen van 15-49 jaar nog van enige invloed is. Ook dient nog het feit genoemd, dat de in de beschouwde periode
1946-1950 vallende nàoorlogse geboortetop in Nederland van grotere betekenis is geweest dan in België.
Het effect van de laatstgenoemde factoren is evenmin exact te quantificeren, doch het blijft ongetwijfeld beneden de te verklaren afwijking. Hoewel er dus aanwijzingen zijn, dat het verschil tussen de in eerste instantie berekende cijfers voor de Nederlandse en Belgische gemeenten aan de hoge kant is, toch kan een niet onbelangrijke grotere vruchtbaarheid in de Nederlandse gemeenten als vaststaand worden aangenomen.’
Wij zouden hieraan nog het volgende willen toevoegen: Bovenstaande cijfers doen vermoeden, dat de geconstateerde verschillen vóór de tweede wereldoorlog reeds aanwezig zijn geweest, zij het in geringe mate1. Zij werden toen echter gemaskeerd door het feit, dat geen Belgische huwelijksvruchtbaarheidscijfers ter beschikking stonden en het ruwe geboortecijfer in Nederland relatief gedrukt werd door het later en minder frequent huwen der Nederlandse vrouwen. Terwijl het geboorteverschil in de onderzochte periode per 1000 gehuwde vrouwen van 15-49 jaar ongeveer 60 % bedraagt, is dit per 1000 vrouwen bijna 40 %. In dit Nederlandse Noordbrabantse gebied doet zich waarschijnlijk eveneens het verschijnsel voor, dat
wij ook bij de vergelijking van Noordbrabant met Drente opmerkten, n.l. dat invloed van de zeer hoge huwelijksvruchtbaarheid der katholieke landelijke bevolking wordt tegengegaan door een hogere huwelijksleeftijd en geringere huwelijksfrequentie.
Verder zou wellicht van belang kunnen zijn het door het Centraal Bureau voor de Statistiek reeds vermelde vroeger beginnen van de na-oorlogse stijging der geboorten in België in vergelijking met Nederland. Gezien deze tijdsverschillen van de recente Nederlandse en Belgische geboortetoppen, leek het ons gewenst, genoemde onderzoekingsgebieden over een langere periode te vergelijken.
| Geboorten | Sterften | |||
|---|---|---|---|---|
| Belg. Gebied | Ned. Gebied | Belg. Gebied | Ned. Gebied | |
| 1930-1934 | 30.1 | 30.5 | 12.1 | 9.3 |
| 1935-1938 | 27.5 | 28.4 | 10.4 | 8.2 |
| 1938 | 28.60 | 27.8 | 10.56 | 7.8 |
| 1939 | 27.86 | 27.0 | 8.86 | 7.7 |
| 1940 | 24.65 | 27.2 | 15.53 | 9.3 |
| 1941 | 22.21 | 28.1 | 9.98 | 8.6 |
| 1942 | 27.30 | 27.8 | 11.67 | 9.1 |
| 1943 | 29.40 | 31.0 | 12.89 | 8.6 |
| 1944 | 28.06 | 29.6 | 12.99 | 13.0 |
| 1945 | 28.06 | 30.8 | 11.56 | 9.6 |
| 1946 | 28.32 | 30.9 | 9.97 | 9.1 |
| 1947 | 27.71 | 30.4 | 9.12 | 8.0 |
| 1948 | 28.06 | 31.9 | 7.75 | 7.0 |
| 1949 | 26.48 | 29.8 | 8.25 | 7.5 |
| 1950 | 24.73 | 29.5 | 7.86 | 7.1 |
| 1951 | 24.33 | 29.0 | 8.27 | 6.7 |
| 1952 | 23.77 | 29.9 | 8.43 | 6.6 |
Al staan voor deze vergelijking van het geboorte-niveau alleen de geboortecijfers ter beschikking, zo blijkt hieruit reeds duidelijk, dat de stijging in het Nederlandse gebied betrekkelijk gering is
geweest, terwijl het in 1945/46 bereikte niveau vrijwel wordt gehandhaafd. Van een incidentele stijging kan niet gesproken worden: een geboorte-niveau, dat nu reeds 6 jaren vrijwel constant is, kenmerkt zich niet door een geboortetop.
Met uitzondering van de jaren 1940/41 zijn ook de schommelingen in het Belgische gebied niet groot geweest.
Wat de sterftecijfers in de desbetreffende Nederlandse en Belgische grensgebieden betreft, hierbij hebben zich in de laatste tien jaren geen wijzigingen voorgedaan die een invloed van enige betekenis zouden kunnen hebben uitgeoefend op het thans waar te nemen verschil van huwelijksvruchtbaarheid.
Voor een contrôle van bovengenoemde gegevens werden door ons nog een aantal gemeenten uit bovenvermeld Nederlands gebied, wat de huwelijksvruchtbaarheid der vrouwen van 15-49 jaar betreft, vergeleken met het gehele arrondissement Turnhout, op zodanige wijze, dat beide gebieden zich kenmerken door een gelijk percentage agrarische arbeidskrachten. Het verschil bleek ongeveer van dezelfde grootte te zijn.
Teneinde meer inzicht te verkrijgen in de factoren, die het geconstateerde vruchtbaarheidsverschil tussen de beschouwde Nederlandse en Belgische grensgebieden beïnvloeden, stelden wij een kleine enquête in onder de Belgische artsen, woonachtig in het goed katholieke noordelijke grensgebied van het arrondissement Turnhout. Hun adressen werden ons door de desbetreffende gemeentebesturen verstrekt. In de antwoorden kwam duidelijk de betekenis van een drietal factoren naar voren:
| 1. | een in vergelijking met het Nederlandse gebied minder principiële houding van geestelijkheid en bevolking ten aanzien van het gebruik van conceptieverhinderende middelen; |
| 2. | het contact met de grote Belgische steden; |
| 3. | de pendelmigratie over grote afstand, die echter slechts een zeer kleine groep der bevolking betreft. |
Een arts schrijft:
‘De grootste oorzaak, die het verschil - m.i. - uitlegt, is dat een groot deel van onze bevolking wel bij naam en in enkele uitwendige praktijken Katholiek is, maar niet door en door doordrongen van de principes van de Katholieke godsdienst, voornamelijk wat betreft de zedelijkheid, en dus niet naar die principes handelt’.
Een collega van hem geeft een treffende toelichting op deze zienswijze:
‘De eerste en voornaamste oorzaak van de minder grote vruchtbaarheid bij de Katholieke bevolking in België (hier wordt bedoeld de streek van Turnhout)1 is gelegen juist in dit ene woordje “Katholiek” dat bij ons “min” katholiek zou moeten geschreven worden.
De levensregel opgelegd door de Katholieke moraal en de daaruit voortvloeiende levenswijze op zedelijk gebied is in België veel minder strak aangespannen bij de mensen, vooral ook omdat de priesters op kansel en in biechtstoel deze normen niet of onvoldoende voorhouden, mede doordat zij zelf er niet goed genoeg van op de hoogte zijn of er van terugschrikken in het openbaar er over te spreken. Zo gebeurt het meer dan eens dat een jonge priester bij mij om raad komt om de te volgen gedragslijn die hij in zake de geboortebeperking moet voorhouden: dus gemis aan opleiding in de seminaries.
Zo is het gebeurd dat een priester in de biechtstoel aan een vrouw voorhield dat coïtus interruptus toegelaten is. Het kan niet anders dan dat deze gebrekkige of valse voorlichting uiteindelijk een slechte invloed heeft op de mensen zelf: gedurende de laatste 6 maanden zijn de verzoeken voor abortus provocatus en de inlichtingen voor preventieve kinderbeperking opvallend gestegen, en dit bij zeer Katholieke mensen: ene die een zuster heeft in 't klooster, nog een zuster als gasthuisnon en een broer als pater; een andere die eveneens een zuster heeft als gasthuisnon. Daarbij dient opgemerkt dat deze vrouwen sommige methoden van kinderbeperking kennen, alsmede de manier om een abortus te verwekken: zij richten zich enkel tot hun huisdokter om op een minder gevaarlijke en een minder schadelijke manier voor hun gezondheid tot hetzelfde doel te komen. Dit bewijst enerzijds dat ze de overtuiging hebben dat dit alles toegelaten is, en, anderzijds dat over die vraagstukken gepraat wordt niet alleen in arbeidersmilieux maar ook in de boerenfamilies (deze twee zijn boerinnen).’
Een andere arts noemt als eerste oorzaak, dat de godsdienstzin bij de Belgische katholieken oppervlakkiger is.
Een van zijn collega's wijst op het weinig strijdbare karakter van het traditionele Katholicisme der plattelandsbevolking in het desbetreffende gebied. Slechts één arts spreekt als zijn mening uit dat de godsdienstfactor voor de verklaring van het geconstateerde verschil van geen betekenis is, de overige vijf artsen in het genoemde gebied, die zich hieromtrent uitlaten, zijn een tegengestelde mening toegedaan.
Deze factor wordt naast de godsdienstzin herhaaldelijk genoemd.
Een arts schrijft:
‘De invloed, het voorbeeld van de grote steden speelt zeker de grootste rol. Voor de boeren blijft de toestand gezond, maar voor de werklieden is het wat anders.... In ieder geval de stedelijke losheid wint veld, de gewetens worden zeer rekbaar.’
Een andere geënquêteerde meldt:
‘De invloed van de nabijgelegen grote steden is voor sommige mensen zeker niet uit te schakelen, maar dit bewerkt m.i. alleen een vermindering van de godsdienstovertuiging, een gebrek aan beginselvastheid.’
Zoals opgemerkt is het aantal pendelmigranten naar Antwerpen en Turnhout volgens de door de gemeentebesturen verstrekte gegevens gering. Wat het Nederlandse vergelijkingsgebied betreft, niettegenstaande het feit dat het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Tilburg een aanmerkelijk lager vruchtbaarheidscijfer heeft1, blijven de cijfers van de beschouwde landelijke gemeenten hoog. Opmerkelijk is ook het betrekkelijk hoge cijfer van de industriële bij Tilburg aansluitende gemeente Goirle.
Ook deze migratie is in het door ons onderzochte Belgische gebied van weinig betekenis. Zij, die echter over grote afstand dagelijks aldus reizen, komen in contact met Walen, ‘overwegend socialist of communist, en met vreemden, Italianen, Polen en anderen’, hetgeen de verspreiding van kennis omtrent conceptie verhinderende middelen bevordert.
Merkwaardig is de opmerking van een arts, dat het verschil tussen de twee buurlanden nog groter zou zijn, ware er niet de geboorten bevorderende invloed van de aanmerkelijke hogere kinderbijslag in België.
Omtrent de invloed van de levensstandaard in België en Nederland spreken de ondervraagden elkaar enigszins tegen. Sommigen wijzen er op, dat de levensstandaard in België veel hoger is dan in Nederland ten gevolge van hogere lonen. Dit zou behoefte aan luxe op het gebied van kleding, meubilair en ontspanning in de hand werken, welke neiging dan weer geboortebeperking zou bevorderen. Anderzijds wordt daarentegen gewezen op de financiële moeilijkheden van de bevolking, hetgeen eveneens het geboortecijfer zou doen dalen.
Vermoedelijk speelt bij deze uitingen de politieke nuancering van de geënquêteerden een rol.
Wij zullen onze demografische vergelijkingen in de provincies Noordbrabant en Antwerpen beëindigen met een beschouwing der steden gelegen in of nabij deze provincies (de stad Antwerpen in verband met haar afmetingen uiteraard uitgezonderd). Hierbij zullen de belangrijkste steden in Noordbrabant geplaatst worden tegenover Turnhout, Mechelen en Leuven1, de laatste twee bekende centra van katholiek geestelijk leven.
| Tilburg | Breda | Den Bosch | Eindhoven | Turnhout | Mechelen | Leuven | |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1925 | 26.8 | 23.5 | 29.1 | 30.6 | 23.46 | 17.27 | 17.38 |
| 1926 | 26.8 | 16.5 | 27.8 | 32.4 | 22.55 | 15.91 | 14.35 |
| 1927 | 25.7 | 19.2 | 28.8 | 29.5 | 22.37 | 15.31 | 15.11 |
| 1928 | 26.9 | 21.0 | 25.8 | 27.1 | 24.26 | 14.51 | 15.59 |
| 1929 | 25.3 | 21.2 | 25.9 | 27.5 | 24.00 | 15.37 | 15.01 |
| 1930 | 26.4 | 22.1 | 26.2 | 29.6 | 25.10 | 15.35 | 16.80 |
| 1931 | 25.8 | 20.4 | 25.9 | 31.2 | 22.65 | 15.07 | 14.92 |
| 1932 | 25.0 | 20.1 | 23.6 | 31.4 | 24.88 | 13.89 | 15.17 |
| 1933 | 23.8 | 19.8 | 23.6 | 28.6 | 20.97 | 13.21 | 13.19 |
| 1934 | 24.5 | 19.5 | 23.4 | 27.7 | 21.44 | 12.23 | 13.07 |
| 1935 | 23.4 | 19.2 | 20.0 | 26.7 | 21.20 | 11.68 | 13.24 |
| 1936 | 23.1 | 18.6 | 21.2 | 25.9 | 21.79 | 12.61 | 10.72 |
| 1937 | 24.0 | 19.1 | 21.6 | 25.5 | 21.75 | 11.34 | 12.91 |
| 1938 | 24.1 | 19.7 | 21.5 | 25.7 | 20.71 | 12.07 | 11.90 |
| 1946 | 31.0 | 29.6 | 31.2 | 30.8 | 21.98 | 16.33 | 14.61 |
| 1947 | 30.2 | 28.7 | 31.2 | 28.9 | 20.48 | 14.58 | 14.71 |
Bovenstaande Nederlandse en Noordbelgische stedelijke geboortecijfers tonen grote verschillen, die uiteraard mede moeten worden geïnterpreteerd in verband met de deelname aan het kerkelijk leven ter plaatse: Wat het laatste betreft, bij de Nederlandse gemeenten
moeten wij er rekening mee houden, dat Breda en Eindhoven, volgens de telling 1946, slechts 86.1 en 79.7 % katholieken tellen (Tilburg en Den Bosch 95.2 en 92.4 %). Wij beschikken niet over de paschantie-cijfers der Noordbrabantse steden; deze zijn waarschijnlijk hoger dan in de Belgische. De dominicantencijfers zijn wat de Belgische steden betreft alleen voor Turnhout gunstig. (paschantencijfers ontbreken). Mechelen en Leuven behoren tot de middengroepen met 40 tot 60 % dominicanten, deze cijfers zijn nog veel gunstiger dan die van Brussel en Antwerpen met 10 tot 25 % dominicanten.
Van de Belgische gemeenten blijkt slechts Turnhout - en dan nog slechts in de vooroorlogse periode - enigermate op gelijke geboorte-niveau te liggen met de Noordbrabantse steden. De geboortecijfers van de veel grotere en meer geïndustrialiseerde gemeenten Eindhoven en Tilburg waren reeds voor 1939 aanmerkelijk hoger. Treffend is dit vooroorlogse verschil van genoemde Brabantse gemeenten met Leuven en Mechelen (de verschillen bedragen herhaaldelijk meer dan 100 %). Bij dergelijke afwijkingen is het voor Mechelen en Leuven niet waarschijnlijk, dat de plaatselijke bevolking, die regelmatig aan het katholiek kerkelijk leven deelneemt, nog een geboorte-niveau bereikt, dat gelijk is aan het niveau der Noordbrabantse stedelijke katholieken.
Ten Westen van de provincie Antwerpen sluiten het Nederlandse katholieke Oost-Zeeuws-Vlaanderen en het Belgische ten dele goed katholieke gebied Sint-Niklaas op elkaar aan.
Wat de agrarische structuur betreft, hebben wij hier grotendeels te maken met klei- en zavelgebieden, die zich over het algemeen kenmerken door grote boerderijtypen, betrekkelijk sterke mechanisering en een relatief geringe arbeidsintensiteit. De godsdienstige structuur maakt vergelijking echter moeilijk, vanwege een groot aantal niet-dominicanten in Sint-Niklaas, waarvan slechts het noordelijk grensgebied tot de twee meest kerkse dominicanten-categoriën behoort. Ook is het percentage agrarische beroepsbevolking in Sint-Niklaas veel lager waardoor vergelijking zeer bemoeilijkt wordt. In het voorgaande1 is reeds besproken, dat het geboorte-niveau op deze kleigebieden in Nederland laag is, ook voor de katholieken. Een vergelijking van Oost-Zeeuws-Vlaanderen en Sint-Niklaas toont betrekkelijk geringe vruchtbaarheidsverschillen aan.
Een vergelijking der huwelijksvruchtbaarheid van katholiek Oost-Zeeuws-Vlaanderen met enige andere goed katholieke Belgische
landelijke agrarisch-industriële grensgebieden*, toont weliswaar een verschil van 39 % voor de periode 1946/50, maar de zuiverheid der vergelijking wordt verminderd door het ongelijke percentage agrarische arbeidskrachten, dat in het Belgische gebied lager ligt, terwijl ook de grote pendel-migratie naar Sint-Niklaas en Antwerpen de vergelijking bemoeilijkt.
| O.-Z.-Vlaanderen | Sint-Niklaas | |
|---|---|---|
| 1920-1924 .......... | 118.3 | 109.4 |
| 1925-1929 .......... | 100.5 | 92.9 |
| 1930-1934 .......... | 92.2 | 89.6 |
| 1933-1938 .......... | 84.6 | 85.0 |
| 1946-1950 .......... | 102.2 | 97.8 |
Men krijgt de indruk, dat in verband met het lage geboorte-niveau der kleigronden eventuele verschillen in gezindheid ten aanzien van het geboortevraagstuk aan weerszijden van de Rijksgrens in Zeeuws Vlaanderen niet sterk tot uiting komen. Hiermede is het feit in overeenstemming, dat Zeeland van alle Nederlandse provincies het geringste vruchtbaarheidsverschil toont tussen katholieken en Nederlands Hervormden1.
Wanneer wij de resultaten van de demografische vergelijking der Nederlandse en Belgische grensgebieden samenvatten, dan komen wij tot de volgende conclusies:
| 1. | In Belgische grensgebieden, waar ten gevolge van locaal isolement (somtijds gepaard gaande met mogelijke agrarische expansie), de |
| vruchtbaarheidscijfers nog weinig daling hebben getoond, is geen duidelijk verschil in geboorte-niveau te constateren met aangrenzend Nederlands gebied, dat van gelijke sociaal-economische en religieuze structuur is. | |
| 2. | Het verschil in mentaliteit ten aanzien van het geboortevraagstuk komt echter duidelijk naar voren in die landelijke gebieden van gelijke sociaal-economische en religieuze structuur, waar het geboorte-niveau hoog is, maar waar het sociale isolement (vooral ten opzicht van de grote steden) aan beide zijden van de grens is verbroken. Duidelijk blijkt, zowel uit het cijfermateriaal als uit de zienswijze van geënquêteerde Belgische artsen, dat het Nederlands Katholicisme onder dergelijke omstandigheden een groter weerstandsvermogen tegen een daling van het geboorteniveau heeft dan het Belgische. |
| 3. | Een aanzienlijk verschil in geboorte-niveau valt reeds vóór de tweede wereldoorlog waar te nemen tussen de Nederlandse en Belgische provinciesteden, liggend in de provincies Noordbrabant, Antwerpen en aangrenzend Belgisch Brabant. Deze verschillen zijn zo groot, dat het aannemelijk moet worden geacht, dat ook het gedeelte van de stedelijke Belgische bevolking, dat geregeld aan het kerkelijk leven deelneemt, een lagere vruchtbaarheid heeft dan de katholieke inwoners der Noordbrabantse steden. |
| 4. | Opvallend is, dat de geconstateerde verschillen in huwelijksvruchtbaarheid in genoemde grensgebieden, hoewel waarschijnlijk reeds vóór 1940 in zekere mate aanwezig, na de Tweede Wereldoorlog sterk zijn toegenomen en zich handhaven. |
| 5. | De klei- en zavelgebieden aan weerszijden der Zeeuws-Vlaamse grens, waar het geboorte-niveau reeds zeer sterk gedaald is, tonen betrekkelijk geringe verschillen in huwelijksvruchtbaarheid. |
| 6. | De grootste verschillen in geboorte-niveau tussen Nederlandse en Belgische katholieke grensgebieden zijn dus daar waar te nemen, waar de vruchtbaarheid dalende is, maar nog niet een betrekkelijk laag niveau heeft bereikt. |
Het komt ons van belang voor om de vruchtbaarheid van de Nederlandse grensbevolking ook met die der bewoners van de naburige Duitse grensgebieden te vergelijken. Hierbij kunnen zowel katholieke als protestantse streken worden onderzocht. Wij leggen het zwaartepunt van deze demografische vergelijkingen in een periode tussen de twee wereldoorlogen, n.l. die van 1925-1938. In enkele gevallen zal ook de situatie na de tweede wereldoorlog in beschouwing worden genomen, doch alleen wanneer redelijkerwijs mag worden verwacht,
dat in het desbetreffende Duitse gebied de demografische verhoudingen niet door een belangrijk aantal immigranten uit het Oosten zijn verstoord.
Daar het bekend is, dat het Duitse geboorte-niveau na het aan de macht komen van het nationaal-socialisme na 1933 aanmerkelijk is gestegen, werd bij de indeling van onze statistische vergelijkingen hiermede rekening gehouden1.
Met nadruk wijzen wij er op, dat het ons niet gelukt is bij het onderzoek der vruchtbaarheidsverschillen der bevolking aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens groepen met een gelijke deelname aan het kerkelijk leven te vergelijken op de wijze zoals dit dikwijls aan de Nederlands-Belgische grens wel mogelijk is. De Duitse grensbevolking kenmerkt zich doorgaans door een geringer percentage paschanten dan de Nederlandse. De demografische betekenis van deze verschillende mate van deelname aan het kerkelijk leven dient te worden afgewogen tegen de eventueel grotere vruchtbaarheid der Nederlandse grensbevolking.
Wanneer wij de Nederlands-Duitse grens van Noord naar Zuid volgen, is het Regierungsbezirk Münster het eerste katholieke gebied in de onmiddellijke nabijheid van een Nederlandse katholieke grensstreek. Kreis Ahaus in westelijk Münsterland komt in aanmerking voor vergelijking met katholiek Noord-Twente, daar beide gebieden van ongeveer gelijke sociaal-economische structuur zijn; half agrarisch, half industrieel. De nijverheid is voornamelijk textiel-industrie, er zijn geen grote stedelijke agglomeraties. Münsterland staat van oudsher als een van de meest principieel katholieke Duitse gebieden bekend2.
In de jaren vóór het nationaal-socialistisch regime zijn de Noord-Twentse cijfers hoger met een percentage fluctuerend van 17 tot 24 %. Vermoedelijk zijn deze verschillen veel groter geweest wat betreft de huwelijksvruchtbaarheidscijfers, daar in het katholieke Noord-Twente gelijk in het katholieke Oost-Brabant betrekkelijk laat en weinig frequent wordt gehuwd3.
| Geboorten per 1000 vrouwen van 15-44 jaar | ||
|---|---|---|
| Noord-Twente | Kreis Ahaus | |
| 1925-1929............. | 141.9 | 121.0 |
| 1930-1933............. | 137.0 | 110.9 |
| 1934-1938............. | 117.7 | 118.9 |
De Vries Reilingh merkt omtrent de door hem onderzochte gemeente Weerselo in Noord-Twente op:
‘Het huwelijkscijfer bedroeg in 1930 6.1‰ tegen het Rijk 8‰; in 1938 waren deze cijfers resp. 4.2 ‰ en 7.8‰. Het aantal huwelijken in Weerselo is dus zeer laag. Er blijven velen ongehuwd, wat bij bezoek aan boerderijen steeds weer opvalt.... Des te opmerkelijker is het hoge gemiddelde kinderaantal per gezin; de meeste kinderen worden dan ook met tussenpozen van ruim een jaar geboren.’
Genoemde auteur wijst op de grote invloed, welke de Rooms-Katholieke geestelijkheid op het huwelijk heeft in het door hem onderzochte gebied.
Gegevens omtrent de huwelijksvruchtbaarheid vóór de tweede wereldoorlog staan ons voor beide gebieden niet ter beschikking. Wat de na-oorlogse gegevens van 1950 betreft, toont het benaderde ruwe geboortecijfer een verschil van 46 %; het huwelijksvruchtbaarheidscijfer een verschil van 76 %. Dit doet vermoeden, dat inderdaad in het Duitse gebied op jongere leeftijd en meer frequent wordt gehuwd. Verder blijkt uit deze gegevens, dat in de Kreis Ahaus het geboorte-niveau 5 jaren na de beëindiging van de oorlog ver beneden het Nederlandse blijft, niettegenstaande het feit, dat zich in deze streek weinig ‘Ostflüchtlinge’ bevinden en dat de materiële oorlogsschade aldaar betrekkelijk gering is. Dit huwelijksvruchtbaarheidsverschil is zo groot, dat het moeilijk uit het grotere percentage nonpaschanten in Ahaus kan worden verklaard, al is dit cijfer aanzienlijk (32.9 %).
| Noord-Twente* | Kreis Ahaus | ||
|---|---|---|---|
| Aantal levendgeboren | 1950 | 1185 | |
| Kinderen jonger dan 1 | jaar 1950 | 1157 | 1738 |
| Totale bevolking | Dec. 1950 | 44243 | |
| Sept. 1950 | 97286 | ||
| Totaal aantal vrouwen | Dec. 1950 | 21759 | |
| Sept. 1950 | 51193 | ||
| Aantal geh. vrouwen | |||
| van 15-49 jaar | Dec. 19502 | 4727 | |
| Sept. 19501 | 12417 | ||
| Kinderen jonger dan 1 jaar per 1000 van totale bevolking | 26.2 | 17.9 | |
| Kinderen jonger dan 1 jaar per 1000 geh. vrouwen van 15-49 jaar | 244.8 | 140.0 |
Bovengenoemde verschillen worden door geraadpleegde Duitse artsen en geestelijken ter plaatse aan de invloed van de volgende factoren toegeschreven:
| 1. | De verarming en demoralisering tijdens de inflatieperiode na de eerste wereldoorlog; soortgelijke verschijnselen doen zich ook na de tweede wereldoorlog voor; |
| 2. | De grotere religieuze ernst der Nederlandse bevolking; |
| 3. | Een tekort aan huwbare mannen na de eerste wereldoorlog. |
Anderzijds zou de ‘Ehestandsdarlehen’ van het nationaalsocialistisch regime de stijging der geboorten na 1932 beïnvloed hebben.
Vermoedelijk hebben in de periode 1933-1939 ook de golf van optimisme en de grotere economische bedrijvigheid, die met het aan de macht komen van het nationaal-socialisme samenvielen, een rol gespeeld.
Ten oosten van Arnhem liggen wederom een Nederlands en een Duits katholiek gebied in elkaars nabijheid, n.l. een groot deel van de Lijmers en Kreis Kleve. De sociaal-economische structuur van
deze gebieden loopt enigszins uiteen. Wel hebben zij een ongeveer gelijk percentage agrarische arbeidskrachten, maar in het Duitse gebied bevinden zich de stadjes Kleve, Emmerich en Goch (resp. destijds met 22.000, 15.000 en 13.000 inwoners). Vooral beide eerstgenoemde gemeenten hadden enige industrie (voedings- en genotmiddelen). In het Nederlandse gebied daarentegen bevinden zich geen bevolkingsagglomeraties van enige betekenis. Er is vooral industrie te Zevenaar en Angelo. De Lijmers sluit aan op de Gelderse protestantse gebieden. Kreis Kleve ligt op ongeveer 60 km afstand van het Roergebied. De agrarische structuur van beide gebieden is gedeeltelijk rivierklei-, gedeeltelijk zandbedrijven.
| Kreis Kleve | De Lijmers | |
|---|---|---|
| 1925-1929............. | 84.5 | 141.9 |
| 1930-1933............. | 72.1 | 138.8 |
| 1934-1938............. | 82.8 | 124.3 |
De vruchtbaarheidsverschillen zijn zeer groot. De Nederlandse cijfers liggen gedurende de vergelijkingsperiode aanmerkelijk boven de Duitse, de verschillen fluctueren van 50 tot 94 %.
De door ons geënquêteerde artsen brengen ongeveer dezelfde factoren naar voren als voor het Westfaalse gebied; alleen wordt hier tevens de nadruk gelegd op het streekkarakter der bevolking. Een arts schrijft:
‘Für dem stürkeren Geburtenrückgang im Gebiet Kleve - Geldern spielt die Eigenart der Bevölkerung sicher eine Rolle. Leichtlebigkeit des Rhein-
länders, ausgeprägter Materialismus bei der Landbevölkerung und Nähe der Industriegebietes.
Bei dem schwerfälligen Münsterländer sank die Moral weniger schnell besonders bei der Landbevölkerung.’
Verder wordt nog gewezen op verstedelijkingsverschijnselen in de kleine steden van het Kleefse gebied, vooral de invloed van de bioscopen. Een uitstekend overzicht van de situatie geeft het volgende schrijven van een arts uit Kleve:
‘Der Unterschied hinsichtlich der Geburtlichkeit in den Gebieten des deutschen linken Niederrheins und des westfälischen Münsterlandes gegenüber den soziologisch durchaus ähnlichen niederländischen Grenzgebieten ist tatsächlich erstaunlich gross. Für die höhere Geburtlichkeit in den benachbarten niederländischen Provinzen sehe ich die Gründe für den auffallenden Vorsprung in der relativ grösseren Unberührtheit durch den 1. Weltkrieg, d.h.: dem grösseren wirtschaftlichen Rückhalt in Heimat und Kolonien, der gesicherten Erwerbslage, der von Hause aus sparsameren Lebenshaltung und insbesondere der festeren Bindung beider Konfessionen an ihre Kirche und deren moralischen Forderungen. Hinsichtlich des letzteren Punktes scheint mir von besonderer Bedeutung der grössere Einfluss der schon zahlenmässig stärkeren Geistlichkeit und der grössere Einfluss der vielen Privatschulen.
Das Absinken der Geburtlichkeit auf der deutschen Seite sehe ich im Gegensatz dazu begründet in dem verlorenen Kriege mit all' seinen Folgen auf wirtschaftlichem, volklichem und moralischem Gebiete, auf stärkeren Vermögensverlusten, Reparationen, hoher Besteuerung, Arbeitslosigkeit (1932 in Gesamt-Deutschland 65 mill. Einwohner und 7 Mill. Arbeitslose!), zunehmender Sozialisierung, Liberalisierung mit ihrer Abkehr von der Religion und deren strengen Forderungen.
Die Einflüsse des nahen Industriegebietes halte ich für relativ gering.
Der von Ihnen angedeutete Unterschied zwischen den Kreisen Kleve-Geldern einerseits und Borken-Ahaus andererseits scheint mir in der Verschiedenheit der fränkischen Bevölkerung am Niederrhein und der sächsischen in Westfalen zu liegen; die Franken, mehr in geschlossenen Ortschaften wohnend, sind cum grano salis doch lebhafter, leichtsinniger, vergnügungssüchtiger; die Sachsen, mehr vereinzelt wohnend, sind ruhiger, ernster, konservativer.’
Wat de in bovenstaand schrijven vermelde invloed van de godsdienstfactor betreft, een katholiek geestelijke, woonachtig in Kreis Ahaus merkt op:
‘Die geringere Geburtenziffer in den deutschen Randgebieten erkläre ich mir aus dem geringeren Grad religiösen Ernstes im Vergleich zu den ähnlich strukturierten holländischen Grenzgebieten. Dasselbe erklärt auch den Unterschied zwischen den erwähnten niederrheinischen Kreisen.’
Een vermoedelijk nog betere vergelijkingsmogelijkheid bieden het landelijke Duitse grensgebied Kreis Geldern, (waar tijdens de onderzoekingsperiode alleen het plaatsje Geldern de 10.000 inwoners naderde) en het aangrenzende gedeelte van Noord Limburg. Ook in het Limburgse grensgebied bevinden zich geen belangrijke bevolkingscentra.
| Geboorten per 1000 vrouwen van 15-44 jaar | ||
|---|---|---|
| Noord Limburg | Kreis Geldern | |
| 1925-1929............. | 147.6 | 91.8 |
| 1930-1933............. | 131.0 | 71.5 |
| 1934-1938............. | 122.9 | 85.5 |
De Nederlandse cijfers overtreffen wederom in aanzienlijke mate de Duitse, met verschillen die gedurende de vergelijkingsperiode fluctueerden van 83 tot 43 %.
Onze zegslieden vermelden bij de vergelijking van bovenstaande twee gebieden een viertal factoren:
| 1. | de invloed van de eerste wereldoorlog; |
| 2. | de geringere welstand van het Duitse gebied, bezien als economisch-geografische eenheid; |
| 3. | de nabijheid van het Roergebied; |
| 4. | verschil in religieuze ernst tussen de Nederlandse en Duitse grensbevolking. |
Wat de nabijheid van het Roergebied betreft, dat op een afstand van 20 tot 50 km van Kreis Geldern is gelegen, de invloed hiervan dient niet onderschat te worden. Toch schijnt de pendelmigratie
vóór de tweede wereldoorlog vanuit dit landbouwgebied met zijn hoog percentage agrarische arbeidskrachten, althans vóór de economische opleving omstreeks 1935, betrekkelijk gering geweest te zijn. De welstand van Noord Limburg was in de onderzoekingsperiode economisch-geografisch beschouwd zeker hoger dan die van Geldern. Of dit regionale welstandsverschil het geboortecijfer belangrijk beinvloed heeft, valt te betwijfelen.
Zeer duidelijk blijkt uit vrijwel alle cijfers de grote demografische betekenis van de economische crisis in de aanvang der dertiger jaren, maar deze economische crisis deed zich ook in Nederland gelden en beïnvloedde in ons land gelijk bovenstaande cijfers tonen, eveneens de vruchtbaarheid.
Wat het mentaliteitsverschil tussen Westfalen en Rijnlanders aangaat, waarop onze zegslieden zinspelen, dit kan ongetwijfeld demografisch van belang zijn geweest. Het lijkt ons echter niet waarschijnlijk, dat van oudsher een dergelijk verschil in groepsmentaliteit heeft bestaan tussen de bewoners van de aan elkaar grenzende gebieden van Geldern en Noord Limburg.
Tenslotte nog een vergelijking van een Nederlandse en een Duitse katholieke industriestad van ongeveer gelijke grootte. Wij kozen hiervoor Tilburg en München-Gladbach, twee textielindustriesteden van ongeveer dezelfde grootteklasse en met een vrijwel gelijk percentage katholieken. München-Gladbach ligt op 20-30 km afstand van de grens van het Roergebied en vormt met zijn katholieke omgeving een afzonderlijk economisch-geografische eenheid.
| Geboorten per 1000 vrouwen van 15-49 jaar | ||
|---|---|---|
| Tilburg | München-Gladbach | |
| 1925-1929............ | 99.0 | 65.1 |
| 1930-1933............ | 94.8 | 54.7 |
| 1934-1938............ | 90.0 | 65.5 |
De vruchtbaarheidscijfers van Tilburg waren gedurende de vergelijkingsperiode voortdurend hoger met verschillen van 52 tot 73 %. Nu kan men zich wat München-Gladbach betreft afvragen - gelijk voor Leuven en Mechelen - of dit nog een katholieke stad genoemd kan worden1. Maar indien München-Gladbach dit niet meer zou zijn, dan staan hier een Duits en een Nederlands stedelijk gebied van ongeveer dezelfde aard en van oudsher katholiek tegenover elkaar, waarbij het Nederlands Katholicisme grotere weerstand heeft geboden en aldus strijdbaarder is gebleken ten opzichte van de demografische invloeden van industrialisering en urbanisering.
Wij zullen thans overgaan tot een demografische vergelijking van overwegend protestantse gebieden aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens. Een dergelijke vergelijking is uiteraard van belang in verband met de vraag of de hierboven geconstateerde demografische verschillen te herleiden zouden zijn tot een uiteenlopende sociale en economische ontwikkeling van geheel Nederland en Duitsland. Indien dit het geval zou zijn, dan zouden zich vermoedelijk soortgelijke demografisch verschillen voordoen tussen Nederlandse en Duitse protestantse grensstreken van gelijke sociale structuur als tussen de besproken Nederlandse en Duitse katholieke gebieden.
De mogelijkheid tot vergelijking van Nederlandse en Duitse protestantse grensgebieden met een min of meer gelijke religieuze en sociaal-economische structuur is aan onze Noord-Oostgrens aanwezig. Hier kan het Groningse platteland zonder de veenkoloniën, vertegenwoordigd door gemeenten met meer dan 40 % agrarische beroepsbevolking, vergeleken worden met het gebied der Kreise Aurich en Wittmund in Oost Friesland. Genoemde gebieden werden door ons gekozen na overleg met Prof. Hofstee, die deze streken goed kent. De vergelijking, die slechts kon worden uitgevoerd met behulp van geboortecijfers, gaf het volgende resultaat: gedurende de gehele periode van 1925 tot 1938 hebben de geboortecijfers van Aurich en Wittmund boven of gelijk met die van het platteland van Groningen (zonder veenkoloniën) gelegen.
De mogelijkheid bestaat, dat bij het betrekkelijk lage geboorte-niveau in de zeekleigebieden van bovengenoemde streken de nationale demografische verschillen minder duidelijk tot uiting komen, zoals wij ook in de kleigebieden aan de Zeeuws-Vlaamse grens constateerden2. Niettemin is het opvallend, dat de demografische invloed van de eerste wereldoorlog, welke door onze Duitse zegslieden voor de ver-
klaring van verschillen in geboorte-niveau tussen Nederlandse en Duitse grensstreken in het zuiden zo belangrijk geacht wordt, hier ontbreekt.
| Aurich | Wittmund | Platteland Groningen | |
|---|---|---|---|
| 1925-1929 ......... | 27.1 | 23.9 | 23.3 |
| 1930-1933 ......... | 24.2 | 21.8 | 21.8 |
| 1934-1938 ......... | 25.5 | 24.5 | 20.6 |
De Duitse cijfers kunnen niet relatief zo hoog zijn vanwege een betrekkelijk hoog percentage gereformeerden. De bevolking van Aurich b.v. behoort grotendeels tot het Evangelisch Lutheranisch Kerkgenootschap.
| Abs. | % | |
|---|---|---|
| Ev. Luth.................... | 62.839 | 94.8 |
| Ev. Reformiert ................. | 2.738 | 4.1 |
| Evangelisch .................. | 753 | 1.1 |
| ----- | ----- | |
| 66.330 | 100.0 |
Deze godsdienstcijfers zijn niet belangrijk door emigratie na de tweede wereldoorlog beïnvloed.
Daar de aan Zuid-Groningen en Drente grenzende Duitse gebieden hoofdzakelijk katholiek zijn, kan verder slechts aan de Overijsselse Rijksgrens wederom een passende vergelijking worden gemaakt tussen protestantse Nederlandse en Duitse grensgebieden. Het betreft
hier de Kreis Bentheim en Noord-Oost Overijssel. Beide gebieden zijn hoofdzakelijk agrarisch met enkele landelijke textielcentra in Nijverdal (gem. Hellendoorn) en Nordhorn. Aan weerszijdend er grens is de bevolking voornamelijk gereformeerd of orthodox hervormd.
| N.O. Overijssel | Bentheim | |
|---|---|---|
| 1925-1929............. | 29.2 | 27.1 |
| 1930-1933............. | 27.1 | 24.2 |
| 1934-1938............. | 24.2 | 26.3 |
| 1950 ............. | 24.8 | 20.3 |
| 1951 ............. | 25.4 | 20.9 |
| 1952 ............. | 27.3 | 20.3 |
Bovenstaande cijfers tonen vóór de tweede wereldoorlog weliswaar soms een wat hoger geboorte-niveau van het Nederlandse gebied (soms ook lager), maar de verschillen zijn niet meer dan ongeveer 10 %, hetgeen wel sterk afwijkt van de verschillen, die wij tussen de Nederlandse en Duitse katholieke grensgebieden opmerkten, vooral aan het zuiden van onze oostgrens. Nader onderzoek aan de hand van vruchtbaarheidscijfers is hier gewenst.
Verder is het opvallend, dat tussen de overwegend katholieke Kreis Ahaus en de protestantse Kreis Bentheim bij ongeveer gelijke sociaal-economische structuur de verschillen in geboortecijfers voor de tweede wereldoorlog reeds gering waren en na de oorlog vrijwel geheel zijn verdwenen.
| Kreis Ahaus | Kreis Bentheim | |
|---|---|---|
| 1925-1929............. | 29.1 | 27.1 |
| 1930-1933............. | 26.4 | 24.2 |
| 1934-1938............. | 28.2 | 26.3 |
| 1950 ............. | 19.5 | 20.3 |
| 1951 ............. | 20.1 | 20.9 |
| 1952 ............. | 20.6 | 20.3 |
| 1950 ............. | 78.5 | 80.0 |
| 1951 ............. | 81.2 | 82.3 |
| 1952 ............. | 83.3 | - |
Resumerend kunnen wij omtrent de resultaten van ons vergelijkend demografisch onderzoek aan weerszijden van de Nederlands-Duitse grens het volgende opmerken:
| 1. | Het geboorte-niveau ligt voor de Nederlandse katholieke gebieden gedurende de periode tussen de eerste en tweede wereldoorlog vrijwel steeds aanmerkelijk hoger dan voor de Duitse katholieke grensstreken; de grootste verschillen worden geconstateerd tussen de katholieke Noordlimburgse en Gelderse grensbevolking enerzijds en de katholieke Rijnlandse grensbevolking anderzijds. |
| 2. | Hoewel het percentage non-paschanten in de Duitse grensgebieden aanmerkelijk groter is dan in de Nederlandse, kunnen de gesignaleerde verschillen in geboorte-niveau meestal slechts voor een gering gedeelte hieruit verklaard worden. Uiteraard zijn deze hoge Duitse non-paschantencijfers wel een indicatie van een vermindering der godsdienstige gevoelens in de desbetreffende gebieden bij een gedeelte der bevolking. |
| 3. | De verschillen in geboorte-niveau tussen de katholieke gebieden aan weerszijden van de grens kunnen wellicht ten dele worden verklaard uit de ongunstige sociale en economische omstandigheden in Duitsland na de eerste wereldoorlog. Het is echter merkwaardig, dat deze omstandigheden in de verschillen tussen de |
| geboortecijfers der Nederlandse en Duitse protestantse grensgebieden vrijwel niet tot uiting komen. Hierbij kan ook van betekenis zijn, dat de Duitse protestantse gebieden op groter afstand liggen van de belangrijkste industriecentra, zoals b.v. het Ruhrgebied. | |
| 4. | Behalve op bovengenoemde factor wordt door geënquêteerde artsen nadrukkelijk op het feit gewezen, dat de beleving van de katholieke godsdienstige normen inzake het geboortevraagstuk in Nederland intensiever is. Duidelijk blijkt ook dat de weerstand van de katholieke geestelijkheid tegen het teruglopen van de deelname aan het kerkelijk leven in Nederland krachtiger is geweest dan in Duitsland. |
| 5. | Na de tweede wereldoorlog is zowel in protestantse als in katholieke Duitse grensgebieden het geboorte-niveau sterk gedaald en handhaaft het zich op een laag niveau. |
| 6. | Uit het voorgaande dient niet te worden afgeleid, dat de godsdienstfactor voor het geboorte-niveau der Duitse katholieken van geen betekenis is geweest vóór de tweede wereldoorlog. Wel doen de door ons verzamelde gegevens vermoeden, dat het verschil in intensiteit van deze factor tussen Nederlandse en Duitse katholieke grensgebieden groter is dan tussen Nederlandse en Duitse protestantse grensstreken. |
Ons summier demografisch onderzoek van Nederlandse katholieken en protestanten, vergeleken met hun buitenlandse geloofsgenoten, gaf ons enige indicaties van een specifieke mentaliteit der Nederlandse katholieken, die in het bijzonder ten aanzien van het geboortevraagstuk tot uiting kwam. Uitvoeriger researchwerk zal naar wij hopen meer inzicht in dit vraagstuk kunnen verschaffen. Naar het ons voorkomt, geven de voorlopige resultaten van voorgaande demografische vergelijkingen - hoe voorzichtig deze ook geïnterpreteerd dienen te worden - aanleiding het gestelde probleem ook van andere zijde, n.l. langs de weg der sociale geschiedenis en godsdienstsociologie te benaderen.