terug  begin  verderprepost

Epitaphien

LIaant. Epitaphie van M. Cornelius grapheus. Dialo.Titel

1
A   Wat lijc is dit, dwelc al dees lien volgen naer1
 
Bisonder schilders, met grooten rauwe voorwaer
 
B   Elaes tis Grapheus, heur docteur excellent.3
 
A   Waerom en luden de clocken dan niet allegaer?
5
B   Om dat van hem gheruchts ghenough is hier ontrent
 
A   Hoe comt dat hi niet meer tortsen en heeft ten hent,6
 
Ghelijc dit een ghemeen cerimoniael besluut is?7
 
B   Op dat deur de duusterheit, soude sijn bekent
 
Dat het licht van alle dese neerlanden uut is.
[p. 57]

+LIIaant. Van Pieter Carbonier, wijlent Burgemeester ende Rentmeester der stede vander Vere.

Fama spreect.
1
Hier voren light begrauen, die noch in leuen is,1
 
Pietre Carbonier: wiens lichaem dat ghegeuen is2
 
(Deur Atropos rigeur) der aerden vander kercken:3aant.
 
Maer deur mi in onsterflickheit hy verheuen is
5
Als een peerle onder alle Gods wonder wercken.5
 
Want in zinen tijd was hi een man (maghmen mercken
 
An tzuchten van velen) die elcken assisteerde7
 
Med zijn gauen. En was milde tot leeck en clercken:8
 
Excellent ingien, in tghuent dat hi componeerde:9
10
Natuerlic Poëet, oock die elcken recreëerde10
 
Med zijn bequaemheit dies elc zocht zijn presentie.
 
Somma meest alle ingienen hi verre passeerde:12
 
Maer meer vter natueren, dan deur scientie.13
 
Hi hadde inde memori' zulcke excellencie14
15
Dat hijt al onthielt, wtghenomen t'onghelijc15
 
Datmen hem dede, dies hi in preëminencie16
 
Med rechten verheuen was. Och! nu is hi slijc17
 
Spijse der wormen, tot dat de ziel publijc18
 
Med d'lichaem zal in onsterflicheit versamen19
20
Deur Gods graci': die ons daer al bringhe Amen.

LIIIaant. Epitaphie van me Vrauwe van Vinderhaute.

Den aermen spreect.Titel
1
Och aerme meinschen, wat zijn wy nu quijte1
 
An tsteruen van deze recht edel vrauwe2
[p. 58]
 
+Ons alder moeder:3
 
Die ons in den nood, t'onzen apetijte4
5
Med alle middels halp, als de ghetrauwe
 
Van God ons behoeder.5-6
 
Waer om naemt ghy heere, die zijt ons voeder,
 
Van de weerelt zulc een goed instrument8
 
Voor al dat gheboren leeft?9
10
Och groote gheesel (al zijn wy dies vroeder)10
 
Voor ons, ia gheel de stede van Ghendt11
 
Die dit verloren heeft!
 
 
 
Volghd dees vrau in dien ghi voor Gods thoren beeft:
 
(O rijcke) in haer dat ghy b'hoorde te zijne
15
Mueghdi contempleren14-15
 
Den rijcdom (sprac zi) ons God te voren gheeft16
 
Om dien als dienaers tot allen termyne
 
D'aermen t'administreren.17-18
 
Zi was droufue als zi den dagh zagh passeren
20
Sonder haer mildheit, uut Godlicker vreesen,
 
Te betooghen zaen.20-21
 
Zi bezette med haer Man, waerd t'estimeren,22
 
Onderhaut van aermen we'wen, en weesen23
 
D'welc veel goeds heeft ghedaen.
 
 
25
Hoe veel vroom mannen zijnder op ghestaen25
 
Van diese tot sFraters hebben doen leeren
 
Deur haer eeuwigh bezet?26-27aant.
 
Die anders hadden moghen verloren gaen,
 
+En deur aermoed' in quaed ooc moghen keeren,29
30
Alzoo heeft zi med30
 
Gheweest van veel dochters quaet een belet,31
[p. 59]
 
Die mids d'aermoede hadden ooc moghen dwalen32
 
En nu eerbaer blyuen.
 
Dus verbargh' si haer schatten naer Gods wet,34
35
Die haer zullen ontfaen in d'shemelsch palen,35aant.
 
Naer Mattheus schryuen.36
 
 
 
Dees godvruchtighste herte van alle wyuen
 
Een recht voorbeeld in deughdelicker weerde38
 
Van alle edel vrauwen,
40
Dese schoone blomme heeft men sien beclyuen40
 
Wt steenland d'welc is soo vruchtbaer een eerde,
 
Zo goeds aerts te hauwen.42
 
Zonder kinders starf zi als wi aenschauwen,
 
B'haluen dat si ons voor haer kinders hielt
45
Met meer ander, dits vaste:45
 
Die daerom haer hooft met ons dicmaels crauwen46
 
En zegghen: och dat de doot heeft vernielt47
 
Die ons soo wel paste.

LIVaant. Epitaphie van M. Cornelius Manilius.

1
Die ander onsterffelic heeft ghemaect1
 
Is gheraect (elas) int doodelic perket.2
 
Neen, hy is niet doot die trecht leuen smaect,3
 
En wiens wercken leuen lanx om bet.4
5
+Maer de Custodie leyt hier daer zeer net5
 
Voortijts veel schoone iuweelen in laghen:
 
Als gheleertheyt in menigh const' en wet,7
 
En den gheest Virgili, oft tsoet ghewaghen8
 
Van Ouidio. Dit tooght t'allen daghen9
10
Zijn dicht van d'incomst ons Coninghs te Ghent:10aant.
[p. 60]
 
Die hi daer soo schildert dat, diese zaghen
 
Zoo wel als deur hem noyt en hebben ghekent:11-12
 
Met sijn kele loofd' hy God tot den hent,
 
Zoo dede hy ooc met zijn hemelsche penne.
15
D'eerde heeft d'lichaem, God de ziell' excellent:
 
Maer sijn fame ic allom' hoore en bekenne.16

LVaant. Epitaphie van Arent Rullens.

1
Ic was een schilder, een goet Poëte bevonden
 
(Alzo dese consten pleghen te vergarene)2aant.
 
Maer veel meer was minen gheest in alle stonden
 
Gheneghen tot dichten dan om vele t'ontsparene,4
5
Van mijn bevallicheit is veel te verclarene,
 
Tsi int dichten, pronuncieren met de reste:6
 
Maer als ic begonst mijn conste t'openbarene,
 
Op een stellage spelende de wyse, en de beste,8
 
Doen scheen dat ic gheene deghelicheit en meste:9
10
Zoo wast van alle ander bootsen licht ende zwaer.10
 
En so ic de leuende contrefaitte in geste,11
 
Zoo wel can ic nu de dooden contrefaicten naer.12
TitelEpitaphie: grafschrift; Dialo(gus).
1volgen naer: volgen.
3docteur: leraar.
6tortsen: fakkels; ten hent: tenslotte.
7Zoals dit een algemene maatregel voor het ceremonieel is.

+[pag. 63]
1voren: vooraan in de kerk; noch: nog (zie v. 4).
2dat: expletief.
3Deur...rigeur: Door de meedogenloosheid van A. (de ‘onafwendbare’ onder de schikgodinnen) der aerden: meew. vw. enkelvoud.
5peerle: parel.
7assisteerde: bijstond.
8clercken: geestelijken.
9ingien: talentvol iemand; componeerde: stelde samen.
10Natuerlic: van nature; recreëerde: verpozing schonk.
12Somma: kortom; verre: zeer; passeerde: overtrof.
13scientie: wetenschap.
14Zijn geheugen was zo voortreffelijk.
15hijt al: hij alles; onghelijc: onrecht.
16preëminencie: voortreffelijkheid.
17slijc: de aarde waaruit wij gemaakt zijn.
18publijc: zichtbaar.
19versamen: verenigd worden.

TitelDen aermen: de arme.
1quijte: beroofd van.
2An: door; recht: werkelijk.
+[pag. 64]
3Moeder van ons allen.
4t'onzen apetijte: naar onze behoefte.
5-6als...behoeder: daar zij getrouw was aan God, onze Beschermer.
8instrument: middel in Gods hand.
9Voor al wat, [eens] geboren, leeft.
10al...vroeder: allen weten wij het.
11gheel: voor geheel.
14-15In haar kunt gij aanschouwen, o rijke, wat gij zoudt moeten zijn.
16God levert ons de rijkdom, sprak zij.
17-18tot...administreren: op elk tijdstip voor de armen te beheren.
20-21Zonder haar mildheid snel te bewijzen uit godsvrucht.
22bezette: legateerde; estimeren: hoogachten.
23we'wen: weduwen.
25op ghestaan: voortgekomen.
26-27Van hen, die zij bij de Broeders hebben laten onderwijzen door hun eeuwigdurende rente, (en) die....
+[pag. 65]
29in quaed...: de verkeerde weg hadden kunnen opgaan.
30med: ook.
31een hinderpaal geweest voor het morele onheil van veel meisjes.
32mids: wegens.
34Zo verborg zij hun rijkdom, overeenkomstig Jezus' voorschrift (Matth. 6:20).
35d'shemelsch palen: het rijk der hemelen.
36schryven: geschrift.
38recht: waarachtig.
40beclyuen: opschieten.
42(is) te beschouwen als van zulke goede hoedanigheid.
45Met vele anderen, dit staat vast.
46crauwen: krabben.
47och dat: wee (het feit) dat.

1onsterffelic: door het drukken van hun werken.
2perket: afgeperkte ruimte; hier: 's Doods parket.
3recht: waarachtig.
4lanx om bet: hoe langer hoe meer.
+[pag. 66]
5Maar het omhulsel ligt hier, waarin vroeger op zeer fijne wijze.
7als: zoals.
8tsoet ghewaghen: lieflijk spreken.
9Dit...daghen: Dit toont voor altijd.
10zie Aant.
11-12dat...ghekent: dat zij, die de inkomst zagen deze nooit zo wel als door hem waargenomen hebben.
16bekenne: verneem.

2vergarene: zich verenigen; zie Aant.
4t'ontsparene: te sparen.
6pronuncieren: voordragen.
8Op een toneel de rol van de wijze en voornaamste spelend.
9deghelicheit: voortreffelijkheid; meste: miste
10van: met; bootsen: nabootsingen.
11so: zoals; de leuende...geste: de levenden nabootste door mijn acteren.
12contrefaicten naer: nabootsen.
prepostterug  begin  verder