|
|
|
| | | | | |
Ontspoorde frankiseringen
Een van de meest belangwekkende perioden uit de Nederlandse
taalgeschiedenis is de tijd tussen 800 en 1200 geweest, niet alleen omdat zich
in die eeuwen de grondslag heeft gevormd van de Middelnederlandse cultuurtaal,
maar ook omdat toen het gebied benoorden de grote rivieren moet zijn overgegaan
van het Ingweoons op het Frankisch. Dit frankiseringsproces zal in het oosten
wat vroeger begonnen zijn dan in het westen, de taalvormen waarmee de
Ingweoonse sprekers in contact kwamen zullen ook niet overal hetzelfde zijn
geweest - in het westen is het een ontmoeting geweest tussen Hollands Ingweoons
en Vlaams Frankisch -, niettemin moet het mogelijk zijn enkele grote lijnen te
ontwerpen die het beeld van dit aanpassingsproces in zijn geheel bepalen.
Frankisch en Ingweoons hadden sedert de Germaanse tijd een verschillende
geschiedenis gehad, maar waren toch verwante talen gebleven, waarvan de
verwantschap ook de eenvoudige sprekers onmiddellijk moet zijn opgevallen,
ongeveer als bij Nederlands en Duits in de tegenwoordige tijd. Iedere
Nederlander die in contact komt met Duitsers verstaat na korte tijd hun taal
min of meer en kan dan ook wel een soort aangepast Nederlands Duits produceren.
Hij brengt de verschillen tussen beide talen daarbij terug tot een beperkt
aantal klankformules en vervormt zijn Nederlandse woorden dan zo goed en zo
kwaad als dat gaat volgens deze formules. Hoe langduriger en intensiever het
contact met de sprekers van de andere taal is geweest, hoe beter het Duits
wordt, maar geheel foutloos zal het zonder opzettelijke scholing toch zelden
worden: er blijven ontsporingen, vormen die noch Nederlands noch Duits zijn,
maar die te begrijpen zijn als mislukte aanpassingen van het Nederlands aan het
Duits door het gebruik van een verkeerde klankformule. Zo ongeveer zullen de
sprekers van het Hollandse Ingweoons omstreeks 1000 hun taal zijn gaan
aanpassen aan het Vlaamse Frankisch: zij hebben hun woorden omgevormd volgens
bepaalde klankformules en ze voortaan uitgesproken zoals ze veronderstelden dat
een Vlaming ze zou uitspreken. Dat daar- | | | | bij ook tal van ontsporingen
moeten zijn voorgekomen, ligt voor de hand. De vraag moet nu gesteld worden:
hoe zag het Ingewoonse klanksysteem er omstreeks 1000 uit, hoe het Frankische,
en welke mogelijkheden van ontsporing hebben zich voorgedaan bij de overgang
van het ene op het andere? Ik wil mij hierbij beperken tot de vocalen.
Wat betreft het langevocalensysteem van het Ingweoons, kunnen wij de
volgende reconstructie wagen: er was een â die gm. ai en
au voortzette, een ê als voortzetting van gm.
ê1 en ê2 tezamen, terwijl gm.
ô, î en û onveranderd op hun plaats gebleven
waren; umlaut van lange vocalen was er onbekend gebleven, daarentegen hadden
korte a en u wel umlaut ondergaan, waarvan het product bij
rekking in open syllabe (die we omstreeks 1000 al wel zullen moeten aannemen)
was samengevallen met de hierbovengenoemde lange ê; eveneens tot
ê geworden waren de in open syllabe gerekte gm. e en
i, met de â was samengevallen de gerekte gm. a, met
ô de gerekte o en u; gm. eu werd voortgezet
door de stijgende tweeklanken ia en io, waarvan het tweede
element gerekt was tot â en ô; over andere
tweeklanken bestaan geen zekere gegevens. Het Ingweoonse langevocalensysteem
was dus zeer eenvoudig gebleven en in wezen niet anders dan het Oudgermaanse,
al verschilde de bezetting van de foneemplaatsen enigszins
1).
In het Vlaamse Frankisch was evenals in het Hollandse Ingweoons de
umlaut beperkt gebleven tot de korte gm. a en u, er was ook
monoftongering van gm. ai en au opgetreden, alsmede rekking van
korte vocalen in open syllabe, maar het resultaat daarvan was heel anders
geworden dan in het Ingweoons. Er was één æ̂ die zowel
gm. ê1 voortzette als de daarmee samengevallen gerekte
gm. a, maar er waren twee ê's en twee ô's, nl.
een meer open variant van elk als monoftongeringsproduct van gm. ai en
au, en een meer gesloten variant als | | | | rekkingsproduct van gm.
e, i en a-met-umlaut enerzijds, gm. o anderzijds. De
î zette evenals in het Ingweoons de gm. î voort, maar
de û-plaats werd bezet door het ontwikkelingsproduct van gm.
al en ul (ol) voor d, t. Er waren voorts twee
geheel nieuwe fonemen bijgekomen, nl. de geronde palatalen ø̂ (in open
syllaben gerekte gm. u) en ŷ (product van de spontane
palatalisatie van gm. û). De gm. tweeklank eu werd
voortgezet door een tweelank iə en hiermee was het
ontwikkelingsproduct van gm. ê2 samengevallen. Gm.
ô werd voortgezet door een tweeklank uə. Verder hebben
gm. ai en au, behalve de monoftongen ê en
ô, in bepaalde gevallen ook de tweeklanken ei en ou
opgeleverd.
Bij de frankisering van de noordelijke Nederlanden werd dus een zeer
eenvoudig vocalensysteem vervangen door een dat veel ingewikkelder was
2). Elk Ingweoons vocaalfoneem vond verschillende
Frankische vocaalfonemen tegenover zich en dit maakte het voor de Ingweoonse
sprekers niet eenvoudig om bij ieder woord te weten welke frankiseringsformule
moest worden toegepast.
De Ingweoonse â werd vervangen door een ê,
een ei, een ô of een æ̂, zijnde de Frankische
representanten van gm. ai (de beide eersten), gm. au en gm.
a (gerekt in open syllabe). Dit betekent dat een â uit gm.
ai, die ê of ei had moeten worden, wel eens zal zijn
ontspoord tot ô of æ̂, een â uit gm.
au in plaats van ô wel eens ê, ei of
æ̂ zal zijn geworden, en een â uit gm. a in plaats
van een æ̂ wel eens een ê, ei of ô. Bij de
vervanging van de Ingweoonse ê deden zich evenveel mogelijkheden
van ontsporing voor. Hieraan beantwoordde in het Frankisch nl. een æ̂
(uit gm. ê1), een meer gesloten ê (uit in
open syllabe gerekte gm. e, i en a-met-umlaut), een
iə (uit gm. ê2) of een ø̂ (uit gm.
u met umlaut, gerekt in open syllabe). Tegenover de Ingweoonse
ô stonden in het Frankisch een uə (uit gm.
ô), een gesloten ô (gm. o ge- | | | | rekt in
open syllabe) en een ø̂ (gm. u zonder umlaut, gerekt in open
syllabe), wat bij de substitutie ook wel eens aanleiding gegeven moet hebben
tot verwarring. Bij de vervanging van Ingweoons î en
û kunnen zich daarentegen geen moeilijkheden hebben voorgedaan
3).
In de Noordnederlandse dialecten, soms ook in de algemene taal die
op noordelijke grondslag gevormd is, zijn nog vele resten van de genoemde
ontsporingen te vinden. Het loont de moeite om eens een aantal bij elkaar te
zetten en systematisch te behandelen. Een lijst zoals hier volgt zal stellig
voor uitbreiding vatbaar zijn, mogelijk staat er anderzijds, daar niet alle
etymologieën vaststaan, echter ook wel eens een woord te veel op.
Ik begin met enkele voorbeelden van ô voor gm.
ai. Dat zijn toon (teen), roop (touw), roof (knot
garen), moot en oot (wilde haver). Behalve moot behoren
deze woorden niet tot de algemene taal, maar tot de volkstaal voornamelijk van
Holland, Groningen en Friesland. | | | |
Roof wordt ook opgegeven voor een deel van
Gelderland, oot voor Zeeland. De
ô-vormen komen dus alleen voor in oud-Ingweoons gebied.
Moot is een meer problematisch geval door zijn bijvormen moete
en mook. Laat men deze echter ter zijde, dan krijgt men een
verbreidingsgebied dat bestaat uit Zeeland, Holland,
Friesland, Groningen, Oostfriesland en
Gelderland, wat toch wel voor een verklaring van het woord als averechtse
frankisering van Ingweoons *mât (uit *mait-) schijnt te
spreken. De hier gegeven visie vindt men in principe ook al bij
Fokkema, Stadsfries 124-5
4).
Het omgekeerde geval, nl. dat een Ingweoonse â uit
au gefrankiseerd is tot ê, vindt men bij de Hollandse
woorden beken (baken), stiem (walm, wasem), stiemen en
opdiemen (opdoemen), misschien ook nog in het toponiem Beemster
of Biemster (in de 10de eeuw Bamestra). De ê moet na
de frankisering door een Hollandse klankontwikkeling tot ie zijn
vernauwd. Tot dusver heeft men de genoemde woorden verklaard door umlaut van
gm. au aan te nemen, een wel zeer gekunstelde verklaring, aangezien de
umlaut van lange vocalen en tweeklanken immers niet Hollands is.
Ei voor gm. ai kan in de noordelijke dialecten het
normale frankiseringsproduct zijn, nl. wanneer de zuidelijke dialecten in het
overeenkomstige geval ook een ei hebben. Wanneer echter tegenover een
zuidelijk vlees een noordelijk vleis staat, is de noordelijke
ei waarschijnlijk niet het resultaat van ‘klankwettige’
substitutie, maar van ontsporing.
Ei voor gm. au moet altijd het resultaat zijn van
averechtse frankisering. Men treft dit aan bij de woorden luif, eiland,
eiber (uiber, uiver), waarschijnlijk ook bij stuiten en
misschien ook bij schuin. Luif, | | | | mnl. loive, is
blijkens de gegevens in de woordenboeken een noordelijk woord, waartegenover in
het zuiden love staat, overeenkomend met hd. laube. We mogen dus
aannemen dat een Ingweoons *lâve benoorden de grote rivieren
gefrankiseerd is tot *leive en dat de ei hierin door de volgende
v gerond is tot een ui2. Eiland wordt doorgaans
beschouwd als een leenwoord uit het Fries. Stelt men zich daarbij voor dat de
bewoners van Westvlaanderen en Zeeland het begrip
‘eiland’ niet zouden hebben gekend, maar van de Friezen hebben
moeten leren? Dit lijkt niet erg waarschijnlijk. Wanneer zij echter het begrip
wel hebben gekend, zal hun woord voor dit begrip ook wel op zijn Ingweoons
*âland hebben geluid. Aangezien het meer binnenlands
georiënteerde Frankisch hier vermoedelijk geen woord *ooiland
tegenover had te stellen, lag het voor de hand dat in een tijd waarin vele
Ingweoonse â's (uit gm. ai), door ei's werden
vervangen ook een â (uit gm. au) als die van *aland
foutievelijk mee kon gaan. De binnenlandse Franken zullen het begrip
‘eiland’ van de Ingweoonse kustbewoners hebben moeten leren en dit
verklaart waarom de ontspoorde frankisering eiland uit het kustdialect
in de algemene taal is overgegaan. Iets dergelijks zal gebeurd zijn in het
Nederduitse kustgebied: het Hoogduits heeft met het speciale begrip ‘in
de zee gelegen eiland’ het woord eiland aan het Nederduits
ontleend. (Insel, het andere Hoogduitse woord voor hetzelfde begrip, is
ook een ontlening.) Het woord eiber kan al evenmin als een ontlening uit
het Fries verklaard worden. Het gewone Friese woord is earrebarre, de
klankwettige voortzetting van een ofr. *âdebare, en eiber
moet in de zuidoosthoek van Friesland als een ontspoorde frankisering zijn
binnengedrongen. Men moet voor eiber uitgaan van een Ingweoons
*âdebare waarin de â averechts gesubstitueerd is door
een ei; deze ei is in Groningen bewaard gebleven,
maar in Drente, Overijsel en Gelderland
gerond en vervolgens blijkbaar is associatie getreden met eui
‘ooi’ (associatie met andere vormen van hetzelfde woord vindt men
waarschijnlijk in ooievaar en ouwevaar). Men krijgt de indruk dat
de ontsporing *adebare nooit in het westelijk deel van Noord-Nederland
heeft plaats gevonden en dus alleen een begeleidingsverschijnsel is geweest van
de Oostnederlandse frankiseringsstroom, niet van de, iets jongere, westelijke
die van Vlaan- | | | | deren is uitgegaan en Holland heeft gefrankiseerd
5).
Stuiten is in de bet. ‘tegenhouden, terugkaatsen, stoten’
sinds de 16de eeuw overgeleverd als een Noordnederlands woord (bij Kiliaan heet
het ‘Holl. Fris.’). Het enige Zuidnederlandse citaat dat het
WNT geeft, uit
Anna Bijns, staat waarschijnlijk niet op zijn plaats,
maar behoort eerder onder het homoniem dat als Stuiten (II) wordt
behandeld (‘opt ronste stuten’ zal zoiets betekenen als
‘openlijk pochen’). Stuiten (I) wordt bij auteurs die
ui2 met eui (euy) plegen weer te geven, steeds
op deze karakteristieke wijze gespeld en kan dus geen voortzetting van een gm.
û bevatten, in tegenstelling met Stuiten (II). Samenhang
met stuit, zoals
Franck-van Wijk aanneemt, is onwaarschijnlijk, verg. bv.
in het Fries stút naast stuitsje. Buiten het Nederlands
vindt men geen enkel woord dat volkomen aan stuiten beantwoordt. De
gedachte dringt zich dan onwillekeurig op dat stuiten een door
ontsporing ontstane bijvorm van stoten is. Soms vindt men stoten
en stuiten nog in hetzelfde dialect naast elkaar in gebruik met dezelfde
betekenis, zo bv. in het Oudbeierlands waar bestoôte en
bestoite beide ‘ondernemen’ betekenen. Als bezwaren tegen de
etymologische identiteit van stoten en stuiten kunnen worden
aangevoerd ten eerste dat stoten vanouds sterk is geweest, terwijl
stuiten alleen zwak voorkomt, en ten tweede dat de ronding van ei
tot ui2, die bij luif in de labiale consonant f
een aanwijsbare oorzaak heeft, bij stuiten onverklaard blijft. Bij
schuin zijn het in het bijzonder de Friese vormen (modern Fries
skean, 17de-eeuws schaen) die ons op de gedachte brengen dat de
ui wel eens het resultaat zou kunnen zijn van een foutieve substitutie
van Ingweoons â. Schuin zou dan alleen in suffix verschillen van
schoon (de modern-Friese tegenstelling skean-skjin veronderstelt
een Oudfriese tegenstelling skân-skêne en in het Oudgermaans
*skau-na- naast *skau-ni-) en dus ook een afleiding zijn van de
stam van schouwen. (Verg. voor de bet. wellicht glooien
‘hellen’ naast Zaans glouwen ‘gluren, kijken’,
Zaans glooi, glouw ‘duidelijk zichtbaar’ naast glooi
‘glad, van een leien dakje’). Gronings schuun wijst echter
veeleer op | | | | een grondvorm *skeu-ni- en het blijft mogelijk dat
deze ook ten grondslag ligt aan Hollands schuin (maar in de 17de eeuw
komen we bij
Van der Goes de spelling scheuyns tegen, bij
Stevin schoensch en bij
Van Beverwijck scheunsch, zie WNT). De
zaak is dus verre van duidelijk, maar de mogelijkheid dat hier een averechtse
frankisering heeft plaats gevonden, moet althans genoemd worden.
De Ingewoonse â die ontstaan was door rekking van gm.
a in open syllaben moest bij de frankisering regelmatig vervangen worden
door een æ̂, maar kon bij ontsporing ook een ê, ei of
ô worden. Met deze gerekte gm. a was blijkbaar de
â in Latijnse leenwoorden samengevallen, want deze treedt soms ook
in noordelijke dialecten als ê, ei of ô op. Als
voorbeeld van een â uit gm. a die door ê is
gesubstitueerd kan wellicht het Hollandse steek ‘vangschutting
voor vissen’ gelden, waarnaast staak en stiek met dezelfde
betekenis worden aangetroffen (de laatstgenoemde vorm komt voor op een plaats
bij Valcooch, die door
Boekenoogen en het WNT m.i. verkeerd is opgevat).
Stiek in de zin van ‘staketsel’ heeft men waarschijnlijk ook
in de Noordhollandse samenstelling bullestiek ‘plaats waar de
stieren verblijven’ (Karsten). Ook bij een andere betekenis
van Hollands stiek, nl. ‘sociale groep waartoe men behoort’,
voelt men de neiging het woord staak te herkennen; verg. in MnlW
i.v. stake de bet. ‘de (gezamenlijke) belanghebbenden bij een
onderneming’, die voortgekomen moet zijn uit de ook in het WNT
vermelde bet. ‘de gezamenlijke afstammelingen van een gemeenschappelijke
voorouder’. Het is echter ook mogelijk dat stiek ‘sociale
groep’ zich ontwikkeld heeft uit stiek ‘beroep’ en dit
laatste moet haast wel een vervorming van stiel ‘stijl’
zijn. Bij steek, stiek, ‘staketsel’ lijkt de relatie tot
staak mij veel zekerder. Steek zou dan als ontsporing te
vergelijken zijn met beken ‘baken’, bij stiek zou
daarentegen dezelfde latere Hollandse ontwikkeling van ee tot ie
hebben plaats gevonden als bij stiem ‘wasem’. Verg. ook bv.
bij Boekenoogen diek naast deek ‘ruigte in het riet’.
Andere, speciaal Noordhollandse, woorden waarin een door rekking ontstane
â is gesubstitueerd door een ê zijn vandeen
‘vandaan’ en het Latijnse leenwoord Zeterdag
‘Zaterdag’ (Boekenoogen).
Ei als representant van een gerekte a heeft men
wellicht in het | | | | Noordhollandse terreinwoord weiver. De
gesteldheid van de stukken land die weivuer genoemd worden blijkt uit de
citaten van
Boekenoogen niet maar ze lagen in ieder geval buiten de
dorpskom, tussen de dorpen in, en moeten dus stellig niet onmiddellijk tot
vestiging hebben uitgelokt Er is dus m.i. geen bezwaar tegen om weiver
te identificeren met het in verschillende toponiemen (o.a. in
Brabant en Utrecht) voorkomende waver, dat
‘drassig land’ moet hebben betekend. Een volkomen zeker geval van
foutieve substitutie van â door ei bij de frankisering
lijkt mij het Latijnse leenwoord pleister uit plastrum (waarin
a voor st gerekt was). De ei-vorm is beperkt tot het
westen van Noord-Nederland, de zuidelijke en oostelijke dialecten hebben de
regelmatige vorm plaaster.
In het Gronings en Drents is nog steeds het woord dook
‘mist, nevel’ bekend en dit moet, blijkens de bewijsplaatsen van de
afleiding dokig in het WNT, ook eenmaal Hollands zijn geweest.
Uit het Fries is het niet bekend, het behoort dus blijkbaar tot de ingweonismen
die wel Hollands-Gronings zijn, maar in Friesland ontbreken. Dit
typische verbreidingsgebied pleit niet voor de door het WNT geopperde
veronderstelling van een ontlening aan Oudnoors þoka, waaraan
dook overigens wat het vocalisme betreft geheel zou beantwoorden. Het
ligt meer voor de hand het ingweonisme te vereenzelvigen met mnd. dâk,
dake en het door
Kiliaan als ‘Sax. Fris.’ genoteerde
daeck, en het verder te verbinden met mnl. daken. Dan moet men
echter aannemen dat hier een Ingweoonse â bij de frankisering van
het noorden ontspoord is tot een ô. Een ander voorbeeld van deze
ontsporing is wellicht Hollands-Zeeuws koon, tjoon, koonder, enz.
‘vetkaan’. Toen ik, in Ts. 63, 45, de laatste maal over deze
ô-vorm schreef, heb ik de verklaring opengelaten. Etymologische
reconstructies bij woorden met een zo grote variabiliteit moeten ook altijd
onder het nodige voorbehoud worden voorgedragen. De gedachte aan een
ô-ontsporing bij de frankisering van Ingweoons *kân
(uit lat. câna) is echter wel zeer aantrekkelijk. Het gebied van
koon enz. is hetzelfde als dat van oot, het gebied dat van
dook gereconstrueerd kan worden komt overeen met dat van
toon.
Men is gewoon woorden met â uit gm. ai of
au die zich in de | | | | noordelijke dialecten gehandhaafd hebben,
zoals bv. zwaag en kaag, Ingweoonse â-relicten te
noemen. Eigenlijk is dit echter, wanneer men zich het proces der frankisering
goed voorstelt, niet geheel juist: de â is niet bewaard maar tot
æ̂ geworden en dit is ook een soort ontsporing geweest, een gevolg van
een onjuist toepassen der vervangingsformule. In een vrij groot aantal
gevallen, met â uit gerekte gm. a, moest bij de
frankisering regelmatig een æ̂̂̂̂̂̂ worden gesproken. Wanneer hierbij een
klein aantal gevallen met â uit gm. ai of au is
meegegaan, was dit geen kwestie van achterblijven bij de nieuwe
klankontwikkeling, maar van een foutieve aanpassing aan de opdringende
taal.
In Ingweoons ê waren samengevallen gm.
ê1, gm. ê2, in open syllabe
gerekte gm. a met umlaut, e en i, en in open syllabe
gerekte gm. u met umlaut. De eerste moest bij de frankisering regelmatig
vervangen worden door een æ̂, de tweede door een iə, de
derde groep moest ê blijven en in het vierde geval moest
substitutie door Frankisch ø̂ optreden. Dit houdt in dat een Ingweoonse
ê uit gm. ê1 bij de frankisering ook
ontsporen kon tot iə of ø̂, dan wel zich aansluiten bij de
ê uit gerekte e, i of de door umlaut gepalataliseerde
a. Het laatste zien we gebeuren in Westvlaams-Zeeuws-Hollandse woorden
als meet, mede ‘hooiland’, weel ‘kolk’,
ee ‘water’, ree ‘ra’ (gm. aha is
in het Ingweoons waarschijnlijk al vroeg samengevallen met gm.
ê1). In het noordelijke Noordhollands, waar de
ê uit gm. ai en die uit gerekte gm. e, i nog
onderscheiden worden, is de ê uit gm. ê1
samengevallen met de eerste. Hier heeft men dus niet met een ontsporing bij de
frankisering te maken, maar met een relict, d.w.z. met een groep woorden met
Ingweoonse ê waarvan de vocaal buiten het frankiseringsproces is
gebleven. Terwijl de ê voor gm. e1 in
Westvlaanderen, Zeeland en Holland
bezuiden het IJ maar incidenteel optreedt (zoals men bij
ontsporingen verwachten kan), moet hij in Holland benoorden het IJ als de
klankwettige representant beschouwd worden. De ontspoorde
ê-woorden komen soms ook met een ie of zelfs met een
ij voor (verg. bv. de toponiemen Middelie, het IJ, Mijdrecht en
verder ook wiel naast weel), terwijl een enkele maal de
ie-vorm ook de enig bestaande is (bv. schriel). Het is moeilijk
uit te maken of deze woorden terstond bij de | | | | frankisering een
iə hebben gekregen, doordat zij waren meegegaan met de woorden met
gm. ê2 of dat de ie hierin het resultaat is
geweest van de hierboven al enige malen genoemde Hollandse klankwet (verg.
stiem, stiek). Een ø̂ als ontsporingsproduct van gm.
ê1 vinden we wellicht in het middeleeuws
Noordnederlandse reute ‘raat’ (gespeld rote), dat in
moderne Oostnederlandse dialecten nog bewaard is, maar in Holland verdwenen
schijnt te zijn. Het bij
Maerlant aangetroffen rete kan beschouwd worden
als een ê-ontsporing van hetzelfde woord, ontstaan bij de
frankisering van het Ingweoonse Westvlaams.
Substitutie van ê uit gerekte gm. e, i door
æ̂ heeft waarschijnlijk plaats gevonden in het woord zwavel. De
geografische verhouding tussen zwavel en zwevel is nog
onvoldoende bekend, maar uit het materiaal van de oude enquête van het
Aardr. Gen., dat ik tot een voorlopig kaartje heb verwerkt, heb ik de indruk
gekregen dat zwavel een Hollands-Zeeuws woord is en dat de rest van het
Nederlandse taalgebied oorspronkelijk e-vormen heeft gehad. De gegevens
van het MnlW zijn hiermee niet in strijd. M.i. valt er dus veel voor te
zeggen om zwavel te verklaren uit een Ingweoons zwevel, dat bij
de frankisering is meegegaan met de woorden met gm. ê1.
Er is ook een aantal woorden in Hollandse dialecten met ie-representatie
van gerekte gm. e, i. Boekenoogen vermeldt bv. triem
‘sport, dwarslat’, ziemel ‘zemel’,
wiemelen ‘heen en weer bewegen’, bietje
‘beetje’, en uit de algemene taal kunnen hier nog naast genoemd
worden kiel (mnl. kedel, znl. keel), kier en
vieren ‘laten schieten’. Het is echter weer niet met
zekerheid uit te maken of deze woorden bij de frankisering zijn meegegaan met
de woorden met ê2, en dus als ontsporingen zijn te
beschouwen, dan wel een ie hebben gekregen door de latere Hollandse
klankwet. Representatie van gerekte gm. e, i door ø̂ vinden we
bv. in de Hollandse dialectwoorden beuzem ‘bezem’,
deuze ‘deze’, teugen ‘tegen’, en het in
de algemene taal overgegane keuvelen (verg. Zaans keuvel
‘tandeloze kaak’). Ik noem opzettelijk woorden waarbij geen
o-umlaut kan hebben gewerkt. De mogelijkheid moet echter opengelaten
worden dat de eu op andere wijze is ontstaan (bv. door invloed van
consonanten), want het betreft hier vormen waarvan de ouderdom niet vaststaat
en die niet voor de 17de eeuw in geschrifte optreden. | | | |
In enkele Hollandse dialectwoorden als rezel
‘reuzel’, knekel ‘deel van een geraamte’ (in de
algemene taal de samenst. knekelhuis) en het verouderde krepel
‘kreupel’ (ook Westvlaams en Zeeuws) is de Ingweoonse
ê uit in open syllabe gerekte gm. u met umlaut
‘bewaard’, dat wil zeggen hij is bij de frankisering niet op
normale wijze vervangen door ø̂ maar heeft zich aangesloten bij de
ê uit gm. e, i. Gevallen van ontsporing van deze
ê uit gm. u met umlaut tot æ̂ of iə
zijn mij niet bekend.
De ê2 is in het moderne Fries nogal eens als
ê bewaard, bv. in preester (naast prester en
pryster), spegel ‘spiegel’, teek
‘tijk’. Het laatste woord komt ook zo in het Noordhollands voor en
kan dus als een voorbeeld van ‘relict’ oftewel ontsporing bij de
frankisering gelden (de ê in teek is niet samengevallen met
de Frankische representant van gm. ai, maar met die van gerekte gm.
e, i, verg. Drechterlands teek naast enerzijds bv. bleik
‘bleek’, anderzijds bv. steek). Evenzo Veluws breef
‘brief’ met dezelfde vocaal als neef. Ontsporingen van gm.
ê2 tot æ̂ of ø̂ zijn mij niet
bekend.
De Ingweoonse ô die gm. ô voortzette
amoest bij de frankisering normaal vervangen worden door uə, de
ô uit gerekte gm. u daarentegen door ø̂, terwijl de
ô uit gerekte gm. ô bewaard moest blijven. Er waren
dus zes mogelijkheden tot ontsporing: 1. ô voor gm.
ô;; 2. ø̂ voor gm. ô; 3. ô voor
gerekte gm. u; 4. uə voor gerekte gm. u; 5.
ø̂ voor gerekte gm. ô 6. uə voor gerekte gm.
o. Al deze zes gevallen hebben zich inderdaad voorgedaan, zoals uit de
moderne Noordnederlandse, in 't bijzonder de Hollandse, dialecten blijkt. Het
eerste geval is te documenteren uit het Goois, het Veluws en het Hollands. In
het Goois, althans in het Huizens, is nog heden ten dage de normale
representatie van gm. ô een ô (voor dentalen
enigszins gediftongeerd), in het Veluws heeft waarschijnlijk tot aan de invloed
van de Brabantse expansie (16de eeuw?) dezelfde toestand geheerst (de umlaut
van gm. ô, die in dit dialect klankwettig optreedt, is geen
ŷ geworden, maar evenals in het Goois een ø̂ gebleven en
dus in het voor-Brabantse stadium blijven steken), in bepaalde Hollandse
dialecten, als het Markens en Schevenings (ook het 17de-eeuwse Haags, Delfts en
Rotterdams), is de representatie van gm. ô voor labiale en
gutturale consonanten een | | | |
ô gebleven, terwijl een enkel
geval als vroog ook nog uit andere plaatsen bekend is
(Boekenoogen vermeldt voor Assendelft bovendien nog
do ‘toen’). Deze relict-ô valt steeds samen met
de ô uit gerekte gm. o en kan dus geacht worden bij de
frankisering met die vocaal ‘mee te zijn gegaan’, d.w.z. gebleven
zoals hij in het Ingweoons was. De bij de frankisering geïmporteerde
ô die gm. au representeerde was duidelijk hiervan
onderscheiden.
De ø̂ als representant van gm. ô vindt men in
Zaans reufseed ‘raapzaad’, reure
‘bewegen’, smeu ‘zacht (van spijzen)’,
teuve ‘ophouden, talmen’. Boekenoogen neemt voor al deze
woorden umlaut aan, maar aangezien umlaut van lange vocalen in het Hollands
niet thuishoort, kan men hier beter ontspoorde frankiseringen in zien.
Hetzelfde geldt voor het door
Kloeke in kaart gebrachte Weunsdag, de verouderde
Hollands-Zeeuwse vorm van Woensdag, alsmede voor de meeste
eu-woorden uit 17de-eeuwse Amsterdamse teksten die Verdenius in
Ts 62, 201 besproken heeft (sommige kunnen echter ook uit het Utrechts
in het Amsterdams en het overige Hollands bezuiden het IJ zijn
geraakt). Tenslotte noteer ik nog Oudbeierlands beuzem
‘boezem’ waarvoor men zelfs met de beste wil van de wereld geen
umlaut kan aannemen en dat niet anders te verklaren is dan als ontsporing.
Representatie van gerekte gm. u door ô komt in
Hollandse dialecten vrij veel voor, maar in de meeste van deze gevallen zal men
niet mogen denken aan ontsporingen bij de frankisering. Zeeland en
Holland zijn van Vlaanderen uit gefrankiseerd
(‘Vlaamse expansie’) en ontvingen dus uit het Vlaamse Frankisch
ø̂ als normale representant van gerekte gm. u. Het Brabantse
Frankisch had echter de gerekte gm. u op een andere wijze ontwikkeld en
wel, precies als het Ingweoons, tot een ô. Door de
Brabants-Utrechtse expansie van de 16de en 17de eeuw is in Holland een laag van
ô-representatie heengeschoven over een laag van Vlaamse
ø̂-representatie. De daar weer onder liggende laag van Ingweoonse
ô-representatie is maar bij uitzondering te herkennen, nl. alleen
in die gevallen waarin het Brabants toevallig evenals het Vlaams een ø̂
had. Hollands molen, tegenover het Vlaamse en Brabantse meulen,
maakt inderdaad kans door ontsporing bij de frankisering uit de Ingweoonse
periode bewaard te zijn, misschien ook | | | | Zaans hogel
‘heugel’. Men moet dan aannemen dat in het Ingweoons bij deze
woorden geen umlaut heeft gewerkt en in het Brabants wel. Representatie van
gerekte gm. u door û vindt men in Noordhollands, Goois en
Veluws koegel ‘kogel’. Als de hier gegeven reconstructie
juist is, moet men uitgaan van een Ingweoons kôgəl dat zich
via kuəgəl (met uə uit ô als bij de
voortzetting van gm. ô) tot de moderne dialectvorm heeft
ontwikkeld. Op Wieringen tekende ik nog woene
‘wonen’ en goet ‘goot’ op, in
Huizen zoemer ‘zomer’ en voegel
‘vogel’, terwijl
Van Schothorst voor het Veluws nog voegel
‘vogel’, woenen ‘wonen’ en zoen
‘zoon’ opgeeft. De û-representatie van gm. u in
open syllabe behoeft in het Goois en Veluws echter weer niet ouder te zijn dan
de 16de eeuw (Brabantse expansie) en dus niet bepaald op de tijd van de eerste
frankisering terug te gaan.
Voorbeelden van ø̂ voor gerekte gm. o zijn wellicht
gleuf en sleuf, beide, als ik goed zie, in oorsprong Hollandse
vormen (in Utrecht zegt men volgens WNT 5, 58 gloof
en sloof). Uit de 17de eeuw zijn oe-spellingen overgeleverd
(gloef bij
Van der Does, sloef bij
Winschooten). De ouderdom van deze woorden, en dus ook
van de ø̂ daarin, staat echter niet vast. Evenmin is het duidelijk hoe
men vormen als keumen ‘komen’ en neuit
‘nooit’ moet beoordelen, die door de Hagenaar
Westerbaen gebruikt worden wanneer hij Hollands dialect
schrijft. Peueren schijnt wel bepaald een Hollandse vorm te zijn,
peuren is ook Vlaams; hiertegenover staat in het Utrechts en het
Brabants pooieren en in andere dialecten poren. Het betreft hier
echter een woord waarbij men, tengevolge van de typische gebruiksfeer, ook
allerlei spontane veranderingen verwachten kan.
Van de û als representant van gerekte gm. o zijn
de volgende voorbeelden te geven: Noordhollands loegen (ook vervormd tot
loeven) naast logen ‘walmen’, knoeien naast
knooien (dat in Groningen de enige vorm is), Oudbeierlands boeiem
‘bodem’, woerd ‘mannetjeseend’ naast woord,
zwoerd naast zwoord, poeren naast poren, peuren ‘paling
vissen’. De ouderdom is bij al deze vormen ook weer moeilijk vast te
stellen. Men moet, evenals bij koegel, voegel e.d., behalve met de
mogelijkheid van ontspoorde frankiseringen ook rekening houden met die van
ontsporingen bij de Brabantse expansie. De laatste moge- | | | | lijkheid is
bij een op zichzelf staande vorm als Oudbeierlands boeiem zelfs de meest
waarschijnlijke (verg. de juist in het Oudbeierlands voorkomende ontsporingen
van de Brabantse ou-diftongering bij woorden als houf, ploug
e.d.).
In aansluiting bij de Ingweoonse ô kan ook het best de
Ingweoonse jô (uit gm. eu of e, i met
u-breking) besproken worden. Deze klankgroep moest bij de frankisering
van Holland, die immers van Vlaanderen uit zal hebben
plaatsgevonden, normaal vervangen worden door een iə, maar wanneer
dat niet gebeurde kon de ô van jô dezelfde
ontwikkelingen doormaken als de Ingweoonse ô in het algemeen. Dat
wil dus zeggen: hij kon bij de frankisering vervangen worden door
uə (als de ô uit gm. ô), door ø̂
(als de ô uit gerekte gm. u) of door ô (als de
ô uit gerekte gm. o). Het eerste geval heeft zich
voorgedaan bij het pronomen joe (in het Westvlaams en Zeeuws in deze
vorm bewaard, in het Hollands door de Brabantse ou-diftongering tot
jou ontwikkeld), het tweede geval vinden we waarschijnlijk in
jeukel ‘ijskegel’ en het derde in joop
‘haagappel’ (dat ook de vorm jeup naast zich heeft).
Duidelijk blijkt uit deze gevallen hoe de Ingweoonse ô bij de
frankisering alle kanten uit kon. Vroeger heb ik aangenomen dat de normale
representatie van gm. eu in het Ingweoons jû was, maar
enerzijds wijst het Fries meer in de richting van Ingweoons jô
(Fries hjoed ‘heden’ heeft dezelfde oe als
goed en zet dus ofr. hiôda voort), anderzijds zou het
pronomen joe in het Westvlaams, dat konsekwenter dan welk ander dialect
ook de gm. û palataliseert tot ŷ, wel een heel
opvallend û-relict zijn. Vormen als jeukel en joop
of jeup laten zich, met behulp van de ‘ontsporingsformules’
van de frankisering, ook veel gemakkelijker uit een Ingweoons jô
verklaren dan uit een Ingweoons jû, aangezien een Ingweoonse
û bij de frankisering alleen maar regelmatig door ŷ
vervangen kon worden of onregelmatig, als ‘u-relict’, kon
blijven zoals hij was.
Het was niet mijn bedoeling in deze kleine studie het onderwerp uit
te putten. Daarvoor was mijn materiaalverzameling veel te beperkt. Ik wilde
echter laten zien welke, nog niet of slechts zeer incidenteel gebruikte,
verklaringsmogelijkheden het proces van de vervanging van het Ingweoons door
het Frankisch omstreeks 1000 aan de historische | | | | grammatica van het
Nederlands biedt. Voor het uitbuiten van deze mogelijkheden is alleen nodig dat
men het Ingweoons als taal serieus neemt en zich zijn klanksysteem en zijn
geografische verbreiding concreet voorstelt. Een moderne, dialectgeografisch
gefundeerde, Nederlandse taalgeschiedenis moet beginnen met een dubbelportret
van Ingweoons en Frankisch en daarin de ontwikkeling van beide uit het
Oudgermaans met gelijke volledigheid schetsen. Daarna moet een tekening volgen
van de frankisering van alle Nederlandse gewesten, die verder verfijnd wordt
door de lijnen die Brabantse en Hollandse expansie op de taalkaart hebben
aangebracht. Men kan eindigen met een dubbelportret van het moderne Nederlands,
eenmaal gezien van het noorden uit, eenmaal gezien van het zuiden uit. Moge
mijn zeer voorlopige schets van de ontsporingen bij de frankisering tot verdere
uitwerking stimuleren.
Batavia, Jan. 1950.
K. Heeroma
| | | |
[Rectificatie van de auteur]
Daak, dook
Mijn behandeling van dit woord Ts 68, 89 is niet geheel
juist. De zin: ‘Uit het Fries is het niet bekend, het behoort dus
blijkbaar tot de ingweonismen die wel Hollands-Gronings zijn, maar in Friesland
ontbreken’, moet geschrapt worden. Het Friesch Wdb. vermeldt zowel
dokich en dokerich met de bet. ‘nevelachtig’
(‘op de grens van Gron.’) als daek met de bet.
‘vochtigheid’. Het laatste is voorzien van het teken ‘weinig
gebruikelijk’ en Dijkstra heeft het dus waarschijnlijk alleen gekend uit
het Lexicon Frisicum van Halbertsma. Het citaat: ‘Yn 'e daek fen
'e danwe leit mannich deade’, maakt met zijn drievoudig stafrijm een zeer
gekunstelde en literaire indruk en de veronderstelling is dus gewettigd dat de
schrijver daek uit Kiliaan of een ander oud boek heeft gehaald. Het
blijft een woord om een vraagteken bij te zetten, maar een zo vergaande
conclusie als ik t.a.p. heb getrokken is toch niet te verantwoorden.
K. Heeroma.
|
1)Het langevocalensysteem van het Hollandse
Ingweoons was volgens deze reconstructie nl.:
Het Oudgermaanse was:
2)Het langevocalensysteem van het Vlaamse
Frankisch was volgens deze reconstructie nl.:
|
|
|
|
æ̂ |
|
|
|
|
|
|
|
ê1 |
|
ô1 |
|
|
(ie,
ou, iə,
uə) |
|
|
ê2 |
|
ø̂ |
|
ô2 |
|
|
|
î |
|
|
ŷ |
|
|
û |
|
3)Van de vervanging van het
Hollands-Ingweoonse systeem door het Vlaams-Frankische kan men het volgende
tabellarische overzicht geven:
|
H.
Ingw. |
V.Fr. |
Ogm. |
|
I â |
1
æ̂ |
ă |
|
II â |
2 {ô1 |
au |
|
II â |
2 {ou |
au |
|
III â |
3 {ê1 |
ai |
|
III â |
3 {ei |
ai |
|
IV iâ |
4
iə |
eu |
|
V ê |
5
æ̂ |
ê1 |
|
VI ê |
6
iə |
ê2 |
|
VII ê |
7
ê2 |
{ĕ |
|
VII ê |
7
ê2 |
{ĭ |
|
VII ê |
7
ê2 |
ă + uml. |
|
VIII
ê |
8 ø̂ |
ŭ + uml. |
|
IX
ô |
9 uə |
ô |
|
X ô |
10
ô2 |
ŏ |
|
XI ô |
II
ø̂ |
ŭ |
|
XII iô |
12
iə |
eu |
|
XIII î |
13
î |
î |
|
XIV û |
14
ŷ |
û |
4)Door het artikel Loo van
Weijnen in NGN 13,71 vgg. werd mijn aandacht
nog gevestigd op
Beekmans verklaring van lode, lo
‘waterloop, kreek’ als nevenvorm van lede, lee. M.i. heeft
Weijnen deze verklaring al te radicaal afgewezen. Lode, lo is
aangetroffen op oud-Ingweoons gebied (Zeeland, W.-N.-Brabant, Zuid-Holland,
Utrecht) en ô als representant van gm. ai kan dus zonder
bezwaar verklaard worden als een ontsporing bij de frankisering. Tegen het
aannemen van vroege syncopering van de intervocalische d zie ik ook geen
overwegende bezwaren. Merkwaardig blijft alleen dat de spelling lode zo
zelden voorkomt. (Corr.-noot).
5)Deze verklaring van
eiber-uiver-ooievaar-ouwevaar moge in de plaats treden van die welke ik
gegeven heb in Ts 61, 92-3 (1941), toen ik het probleem van de
frankisering van het Ingweoonse gebied nog niet doordacht had.
|
|