|
|
|
| | | | | |
Wat is Ingweoons?
Tacitus vermeldt de Ingaevones als een onderafdeling
van de Germanen die in de buurt van de zee woonde en het is theoretisch
denkbaar dat deze Ingaevones hun taal ‘Ingaevisch’ of iets
dergelijks hebben genoemd. Veel aanleiding om die aparte naam te geven kunnen
zij overigens niet hebben gehad, want de dialectische differentiatie van het
Germaans kan zo'n kleine 2000 jaar geleden nog niet veel hebben betekend. De
taal van de historische Ingaevones, die na Tacitus weer volkomen uit het
geschiedverhaal verdwijnen, zal iets als Gemeengermaans, eventueel
Gemeenwestgermaans, zijn geweest. Ingweoons in de zin der historische
dialectologie is de taal der Ingaevones in elk geval niet geweest, want onder
Ingweoons begrijpen wij een bundel klankwetten, waarvan de oudste misschien in
de 5de eeuw of daaromtrent kunnen worden gesitueerd en de jongste stellig wel
een eeuw of vijf later moeten worden geplaatst. Het Ingweoons van de
historische dialectologie is een studeerkamerbegrip met een studeerkamernaam.
Dat is geen reden om naam en begrip te verwerpen, wel om uitdrukkelijk de vraag
te stellen, welke historische werkelijkheid de dusgenaamde Ingweoonse
taalverschijnselen heeft bepaald. Als er geen Ingweoons vólk heeft
bestaan, wat zijn dan de bepalende factoren geweest voor het ontstaan van de
Ingweoonse táál? Mogen wij wel van een Ingweoonse taal spreken?
Kunnen wij wel van een taal spreken, als wij geen volksgemeenschap kunnen
formuleren die die taal draagt?
Er zijn wel verschillende talen met name te noemen, die in hun
klankstand de werking van de Ingweoonse klankwetten weerspiegelen: het
vroeg-middeleeuwse Oudengels en Oudsaksisch, het laat-middeleeuwse Oudfries.
Dat zijn cultuurtalen met een schriftelijke overlevering. Cultuurtalen komen
niet uit de lucht vallen, maar veronderstellen een op de taal gerichte
cultuurwil en een gemeenschap die deze taalwil draagt, een volk. Er moet aan
een taal die als cultuurtaal gaat functioneren bewust gebouwd worden, er
moeten, ook al blijven klankstand en vormsysteem gelijk, allerlei dingen aan
vernieuwd worden. Vernieuwingen stralen uit van bepaalde vernieuwingscentra.
Zodra ergens | | | | een cultuurtaal ontstaat, kan men taalgeografisch gaan
denken: vernieuwingen vormen geografisch formuleerbare vernieuwingsgebieden.
Zulke gebieden handhaven zich, zolang de cultuurtaalcentra die ze bepalen zich
handhaven, zij breiden zich uit, wanneer ook in een verdere omgeving de
cultuurtaal als een bruikbaar uitdrukkingsmiddel aanvaard wordt, zij krimpen in
of verdwijnen, wanneer de cultuurtaal aan kracht verliest en zijn functie
geheel of gedeeltelijk moet afstaan aan een andere taalvorm die door de taalwil
van een ander centrum bepaald wordt. De Oudengelse cultuurtaal heeft zich in
zijn hele gebied eeuwenlang gehandhaafd en daar een traditie gevestigd die door
latere, van buiten komende taalinvloeden wel vernieuwd maar niet vernietigd kon
worden. Het Engels vertoont dus een onafgebroken taalontwikkeling op de
grondslag van de oude Ingweoonse klankstand en heeft een gebied veroverd dat
dat van de Oudengelse cultuurtaal verre in omvang overtreft. De Oudfriese
cultuurtaal heeft daarentegen zijn gebied sterk zien inkrimpen. In de 16de eeuw
heeft het er zelfs op geleken, dat ook in het laatste centrum -
Friesland tussen Vlie en Lauwers - de
eigen taalwil onder van buiten komende taalinvloeden zou bezwijken, maar
vernieuwingen in de 17de eeuw en later hebben toch de Friese taaltraditie in
een wel klein, maar duidelijk zich aftekenend en scherp begrensd gebied kunnen
redden. Ook het Fries vertoont een onafgebroken taalontwikkeling op de
grondslag van de oude Ingweoonse klankstand. De derde middeleeuwse cultuurtaal
die de werking der Ingweoonse klankwetten weerspiegelde, het Oudsaksisch, heeft
in het geheel geen traditie kunnen vestigen. Reeds in de tijd waaruit zijn
schriftelijke documenten zijn overgeleverd - en die lag een eeuw of vier voor
de schriftelijke overlevering van de Oudfriese cultuurtaal begon - weerspiegelt
het Oudsaksisch de inwerking van sterke taalinvloeden van buitenaf en daarna
zijn deze invloeden zozeer toegenomen, dat men van een vernieuwing kan spreken
die de Ingweoonse klankstand vernietigd heeft. De taalwil van de
laat-middeleeuwse Middelnederduitse cultuurtaal heeft een andere grondslag en
andere centra met andere uitstralingsgrenzen dan de taalwil van het
vroeg-middeleeuwse Oudsaksisch.
Dit is in een paar lijnen de latere Ingweoonse taalgeschiedenis,
geen | | | | geschiedenis van een Ingweoonse taal, maar van een drietal talen
met een Ingweoons te noemen uitgangspunt die voor de sprekers en schrijvers
zelf andere namen hebben gehad. Het is de geschiedenis van cultuurtalen met een
eigen bewustzijn en eigen vernieuwingen, eigen centra en eigen
uitbreidingsgebieden. De vraag is nu: is het Ingweoons ook al in de eerste
periode van zijn geschiedenis, vóór het Oudengels, Oudfries en
Oudsaksisch zich als het resultaat van locale vernieuwings bewegingen met een
eigen taalwil begonnen af te tekenen, in deze zin een taal geweest? Ook zonder
dat er een schriftelijke overlevering ontstaat kan er van een cultuurtaal
sprake zijn als er maar een taalwil aanwezig is die tot cultuurlijke expressie
dringt. Die taalwil en die expressiebehoefte zullen in een gemeenschap die bij
mondelinge traditie leeft wel allereerst conserverend werken en de bestaande
articulatorische, morfologische en lexicale conventies handhaven, maar kunnen
toch ook vernieuwingen oproepen. Het feit dat de Ingweoonse klankwetten de
Gemeenwestgermaanse klankstand hebben veranderd, behoeft op zichzelf nog niet
te pleiten tegen het bestaan van een vroeg-Ingweoonse cultuurtaal. Het hangt er
maar van af, of we die veranderingen als verschijnselen van een
‘natuurlijke’ dan wel een ‘cultuurlijke’ vernieuwing
kunnen beschouwen. Ik zinspeel met deze termen ‘natuurlijk’ en
‘cultuurlijk’ op het betoog van mijn Djakartaanse intreerede van
1949,
Taalnatuur en taalcultuur. In een gezonde,
compleet-functionerende taal, zo heb ik daar geredeneerd, houden de natuurlijke
en cultuurlijke tendenties elkaar in evenwicht, maar bij verlies van bepaalde
functies wordt dat evenwicht verstoord en kan hetzij natuurlijke ontaarding
hetzij cultuurlijke verstarring optreden. Het laatste zien wij bij het Latijn,
nadat dit had opgehouden als spreektaal te functioneren, het eerste bij de
Germaanse talen, nadat het Latijn, als gevolg van de kerstening, zo'n
belangrijk deel van hun cultuurlijke functies had overgenomen. In de tijd dat
de oudste Ingweoonse klankwetten optraden, was, althans buiten de grenzen van
het oude Romeinse rijk, van een kerstening nog geen sprake en dus ook niet van
een symbiose tussen Latijnse cultuurtaal en Germaanse volkstaal die tot
functieverlies en natuurlijke ontaarding van de laatste kon leiden. Alle
cultuurlijke expressiebehoefte, alle taalwil richtte zich nog op de eigen | | | | taal waarin men geboren was. Moeten we dus concluderen dat de
vroeg-Ingweoonse veranderingen in de traditionele klankstand van de Germaanse
volkstaal elementen van cultuurlijke vernieuwing zijn geweest? Wordt die vroeg
Ingweoons nu voor ons een cultuurtaal met een van eigen centra uitgaande
innerlijke vernieuwingsdrang, die een eigen gebied met geografisch
formuleerbare grenzen vulde? Waar hebben die grenzen en die centra dan gelegen?
Hoe is het te verklaren dat een gemeenschap die de uit haar taalwil
voortgekomen vernieuwingen aan een zo groot gebied wist op te leggen, nooit een
eigen naam heeft gekregen? Dit zijn vragen waarop niet zo gemakkelijk een
antwoord is te geven. De historische werkelijkheid van het Ingweoons blijft een
duistere zaak.
Dat de Ingweoonse klankwetten zich inderdaad in een zeer groot
areaal hebben doen gelden, staat vast. Het dialectgeografisch onderzoek heeft
ons dat door zijn verzameling en analyse van de Ingweoonse relicten geleerd.
Men kan - om een geografische aanduiding van de Reinaert-dichter te
citeren - het Ingweoonse gebied langs de zeekust situeren ‘tusschen dier
Elve entier Zomme’ en verder nog een flink eind ten noorden van de
Elbe. Maar de ingweonismen zijn ook diep in het binnenland te
vinden, het Ingweoonse areaal heeft zich in zuidelijke richting zeker
uitgestrekt tot aan de tegenwoordige Frans-Nederlandse taalgrens, de
Eifel en het Westerwoud. Moeten wij ons voorstellen,
dat er in het kustgebied zo omstreeks de 5de eeuw centra van taalwil hebben
bestaan die hun vernieuwingen in zuidelijke richting hebben uitgestraald? Op
moderne taalkaarten vertoont het kustgebied inderdaad een veel grotere
dichtheid van ingweonismen dan het binnenland en dit kan de schijn wekken dat
het binnenland als een periferie heenligt rondom een litorale kern. Maar dit is
een schijn die bedriegt. Reeds in de karolingische tijd heeft er in het
Rijn-Maas-gebied, dus in een sector van die schijnbare periferie
van het Ingweoonse vernieuwingsgebied, een uitstralingscentrum gelegen dat
zuidelijk taalgoed in noordelijke richting exporteerde. Wat later zien we ook
Vlaanderen en Brabant als uitstralingscentra
optreden, vanwaaruit het noordelijker gelegen taalgebied allerlei zuidelijke
vernieuwingen ontving. De richting van de taalbewegingen is eeuwen lang van
zuid naar noord geweest | | | | en pas na de 16de eeuw, wanneer het culturele
zwaartepunt der Nederlanden zich van Vlaanderen en
Brabant naar Holland heeft verplaatst, begint een
expansie in omgekeerde richting. Is het erg waarschijnlijk dat omstreeks de 5de
eeuw het culturele zwaartepunt van het toen ontstaande Ingweoonse areaal in het
noordelijke kustgebied heeft gelegen? Behalve de grotere dichtheid van de
ingweonismen in dat kustgebied, die we van de moderne taalkaarten aflezen, is
er m.i. geen enkel argument dat daarvoor zou kunnen pleiten. En die grotere
dichtheid van ingweonismen in het kustgebied kan geredelijk verklaard worden
uit de omstandigheid, dat dit kustgebied perifeer lag ten opzichte van de
vernieuwingscentra die zuidelijk, niet-Ingweoons taalgoed exporteerden. Een
noordelijk relictgebied dat in de latere middeleeuwen afwerend staat tegenover
zuidelijke vernieuwingen, behoeft geenszins in de vroege middeleeuwen een
uitstralingscentrum van noordelijke vernieuwingen te zijn geweest. Wij moeten
veeleer overwegen, of de ingweonismen niet evenals dat latere niet-Ingweoonse
taalgoed oorspronkelijk vanuit de zuidelijke vernieuwingscentra in noordelijke
richting zijn uitgestraald, of m.a.w. ook al niet omstreeks de 5de eeuw de
richting van de taalbewegingen van zuid naar noord is geweest. Kan het
vroeg-Ingweoons gewaardeerd worden als een cultuurtaal die zijn ontstaan te
danken heeft gehad aan de taalwil van de Germaanse bevolking in de noordelijke
periferie van het ondergaande Romeinse rijk?
Cultuurhistorisch is dit een niet onaantrekkelijke gedachte. De
latere, eeuwenlang aanhoudende taalbeweging van zuid naar noord zal immers wel
in het verlengde liggen van de cultuurstroom in de Romeinse tijd. De export van
Latijnse leenwoorden werd eerst voortgezet in een van Romaanse en later van
Oudfranse leenwoorden. Ook na de ondergang van het Romeinse rijk bleef voor de
Germaanse buitengewesten zijn noordelijke periferie stellig een superieur
cultuurgebied, een uitstralingscentrum vanwaaruit de romanisering bleef
doorwerken. Ligt het dan niet voor de hand dat in dit gebied de Germaanse
volkstaal gedynamiseerd werd en dat de uit deze dynamisering ontstane
vernieuwingen door de verderaf wonende Germanen als superieur taalgoed werden
aanvaard? Hoe aantrekkelijk deze gedachte echter in het algemeen ook moge zijn,
toch lijkt zij mij ten aanzien van de vroeg-Ingweoonse taal- | | | | verschijnselen niet
juist. Er zijn twee ernstige bezwaren tegen in te brengen. Ten eerste weten wij
uit het insulaire Oudengels, dat de Ingweoonse tendenties ook al omstreeks de
5de eeuw aanwezig moeten zijn geweest in de taal van de Angelen en Saksen die
in de buurt van de Elbemonding en ten noorden daarvan woonden. Is een zo snelle
expansie van vernieuwingen uit het Rijn-Maas-gebied naar het
Elbegebied wel aannemelijk? In later eeuwen gaat de uitbreiding
van zuidelijke vernieuwingen in noordelijke richting in ieder geval heel wat
langzamer. Maar een tweede bezwaar is nog ernstiger. Er is inderdaad in de
noordelijke periferie van het ondergegane Romeinse rijk een dynamisering van de
Germaanse volkstaal opgetreden, waarvan de vernieuwingen als superieur taalgoed
door de verderafwonende Germanen zijn aanvaard, maar dat gedynamiseerde
Germaans was niet het vroege Ingweoons, maar het Frankisch. Er is dus eenvoudig
geen plaats voor een vroeg-Ingweoonse cultuurtaal die vanuit zuidelijke centra
in noordelijke richting zou zijn geëxporteerd. Tot welke conclusie moet
deze analyse ons leiden? Ik meen tot deze, dat het vroeg-Ingweoons geen
cultuurtaal is geweest en dat de structuurveranderingen die wij Ingweoons
noemen dus geen uiting waren van een cultuurlijke, maar van een natuurlijke
taalvernieuwing, van een loslaten van de norm, van ‘ontaarding’.
Dan heeft het Ingweoons ook geen centrum gehad. Ontaardingsverschijnselen
hebben immers meestal geen duidelijk uitgangspunt, maar treden in een
gemeenschap waar de normen niet gehandhaafd worden overal tegelijk op. Het zijn
veranderingen die niet bestuurd en gecontroleerd worden door een
conventiescheppende taalwil, maar tot stand komen langs de weg van de minste
weerstand. Gemakzucht in het spreken is van alle tijden en behoort tot de
natuur van de mens. In een cultuurlijk gerichte, statische samenleving worden
de uitingen van deze natuurlijke tendentie grotendeels meteen weer
weggecorrigeerd. In een samenleving die op zoek is naar nieuwe levensvormen en
nieuwe woongebieden - en dat wàs de samenleving in de Germaanse wereld
omstreeks de 5de eeuw - neemt men het echter niet zo nauw meer met de
traditionele taalcultuur en krijgen de natuurlijke slordigheden een goede kans
om algemeen geaccepteerd te worden. Er zit in de natuurlijke slordigheden van
een bepaalde gemeenschap | | | | in een bepaalde tijd altijd wel een zekere
lijn die, voorzover het klankveranderingen betreft, zich laat formuleren in een
complex van klankwetten. Anderzijds kan men in de meeste klankwetten de
conventionalisering van een natuurlijke slordigheid zien. Is onze conclusie
juist, dat de bundel klankwetten waaraan wij de naam vroeg-Ingweoons hebben
gegeven niet een van een bepaald centrum uitgestraalde cultuurlijke, maar een
op vele plaatsen tegelijk optredende natuurlijke taalvernieuwing weerspiegelt,
dan moeten wij hierin ook de conventionalisering van bepaalde slordigheden
kunnen zien die in het strakker genormeerde Frankisch aanvankelijk geen kans
hebben gekregen. Ik meen dat dit inderdaad heel goed mogelijk is.
Wij kennen het Frankisch van de 5de eeuw uit de oudste laag van
Frankische leenwoorden in het Romaans dat het uitgangspunt is geweest van de
Franse taalontwikkeling.
Gamillscheg heeft in zijn
Romania Germanica die oudste Frankische
leenwoorden systematisch verzameld en nagegaan hoe het Westgermaanse vocalisme
en consonantisme erin gerepresenteerd wordt. Wij kunnen uit zijn overzicht
concluderen dat de taal van de Frankische veroveraars, die in Noord-Frankrijk
enige eeuwen heeft gecoëxisteerd met het inheemse Romaans, het karakter
heeft gehad van een conservatieve cultuurtaal waarin de traditionele
uitspraaknormen bleven gehandhaafd. Ik denk daarbij voort in de richting die
H.M. Heinrichs in verschillende publicaties heeft gewezen:
het conservatieve Frankisch met zijn traditionele uitspraaknormen was in
Noord-Frankrijk een bovenlaagtaal, het inheemse Romaans
functioneerde daarnaast als onderlaagtaal. De klankstand van dit Frankisch is
in wezen nog hetzelfde als in het Gemeenwestgermaans. De Germaanse diftongen
ai en au zijn nog niet gemonoftongeerd en de i en j
van de zwakkergeaccentueerde syllaben hebben nog niet de kans gekregen de
vocalen van de voorafgaande sterker-geaccentueerde syllaben op de wijze van de
umlaut te palataliseren. Na de 5de eeuw verandert dat. Het Frankisch van de
jongere leenwoordenlaag heeft al dialectische trekken, wat waarschijnlijk wil
zeggen dat het als cultuurtaal niet meer zo sterk stond. De dialectismen van
dit jongere Frankisch weerspiegelen echter andere klankwetten dan de vroege
Ingweonismen en het is dus niet waarschijnlijk dat de oudere Fran-
| | | | kische cultuurtaal behalve het Romaans ook al een onderlaagdialect met
Ingweoonse klanktendenties naast zich heeft gehad, althans niet in het
centrale, toonaangevende deel van het Frankische rijk. In de noordelijke
periferie van het Frankische rijk, waar de positie van de Romaans-sprekende
bevolking veel zwakker was en het Frankisch dus ook in veel geringere mate zijn
stand als herentaal had op te houden, kan dat anders zijn geweest. Daar kan
eventueel al een natuurlijke ontwikkeling in de richting van het Ingweoons aan
de gang zijn geweest, terwijl men in het centrale deel van het rijk nog geheel
aan de traditionele klankstand vasthield. Onze kennis van het vroege Ingweoons
van de noordelijke periferie kunnen wij uiteraard niet putten uit ontleningen
in het Romaans, want het Romaans dat eventueel deze vroege ingweonismen
ontlenenderwijs in zich op heeft genomen, heeft zich niet kunnen handhaven en
uitstraling van de periferie op het centrum, tegen de normale richting van de
cultuurstroom in, kan er ook nauwelijks geweest zijn. Het enige wat wij van het
vroege Ingweoons in Vlaanderen, Brabant en het land
van Maas en Rijn weten is afgeleid uit de Ingweoonse
relicten die de dialecten daar hebben bewaard. Dank zij die relicten weten wij
wel met zekerheid, dát er in de periferie van het Frankische rijk een
‘natuurlijke’ taalontwikkeling in Ingweoonse zin moet hebben
plaatsgevonden, maar niet wannéér die ontwikkeling precies is
begonnen. Dat begin kán in de 5de eeuw liggen, dus in dezelfde tijd
waarin de Ingweoonse tendenties zich vermoedelijk ook al in de buurt van de
Elbe-monding hebben doen gelden, maar het is ook mogelijk dat de perifere
Franken pas een of twee eeuwen later dan de Angelen en Saksen de traditionele
uitspraaknorm hebben losgelaten. Een argument om het begin van de Ingweoonse
klankontwikkeling in Vlaanderen en Brabant iets later te stellen dan in de
buurt van de Elbe-monding zou kunnen zijn, dat de Zuidnederlandse ingweonismen
niet in alle opzichten overeenstemmen met de Oudengelse. Maar erg sterk is dit
argument niet, want in de eerste plaats moeten wij er rekening mee houden, dat
er van den beginne af dialectische verschillen in het Ingweoons kunnen hebben
bestaan, en in de tweede plaats zien de Zuidnederlandse ingweonismen die anders
zijn dan de Oudengelse er bepaald niet jonger uit. | | | |
Wat zijn nu op het punt van de klankstand de feitelijke resultaten
geweest van het Ingweoonse toegeven aan de natuurlijke tendenties? In de eerste
plaats is er nogal wat nasalisering geweest. Een nasale consonant die gevolgd
werd door een spirant beïnvloedde zozeer de voorafgaande vocaal en ging
daar zozeer een geheel mee vormen, dat hij zijn consonantische zelfstandigheid
verloor. Zo werd fimf tot fîf, waaruit ons vijf
ontstond, en werd sunþ tot sûþ, waaruit ons
zuid ontstond. Dit zijn twee ingweonismen die zich hebben kunnen
handhaven, wat wil zeggen dat er bij de frankisering van het Vlaams-Brabantse
Ingweoons geen Frankische vormen met bewaarde nasale consonant voor in de
plaats zijn gekomen. Bij andere ingweonismen, zoals gôs uit
gans en ûs uit uns, heeft de frankisering meer
succes gehad. Ze hebben zich alleen kunnen handhaven in enkele relictgebieden
en de cultuurtaal heeft samen met de meeste dialecten de Frankische vormen
aangenomen. Niet de vrij talrijke ingweonismen in de relictgebieden, maar de
zeldzame die ook ver daarbuiten voorkomen, zijn voor ons inzicht in net vroege
Ingweoons het belangrijkst. De relictgebieden zijn nl. relatief laat
gefrankiseerd en representeren het Ingweoons dus in een latere
ontwikkelingsfase, terwijl in de vroeg-gefrankiseerde gebieden de schaarse
relicten in een vroeg-Ingweoonse vorm bevroren zijn of althans een
reconstructie van die vroeg-Ingweoonse vorm mogelijk maken. Gevallen als
vijf en zuid bewijzen dat een sterke nasalisering, die de nasale
consonant in de voorafgaande vocaal deed opgaan, inderdaad tot de
eigenaardigheden van het oudste Nederlandse Ingweoons heeft behoord. Men kan
zich heel goed voorstellen dat in de 5de eeuw een dergelijke nasalisering tot
de slordige, gemakzuchtige uitspraak heeft behoord, waartegen de traditionele
articulatiecultuur zich verzette. In de Frankische cultuurtaal van de 5de eeuw
werd die nasalisering blijkbaar nog niet toegelaten en in de latere Frankische
dialecten heeft zij over 't algemeen ook niet zulke verregaande gevolgen gehad
als in het vroege Ingweoons. De cultuurtalen die op basis van die latere
Frankische dialecten zijn ontstaan, hebben de nasalisering weer
weggecorrigeerd, zie ons beschaafde Nederlands, in een cultuurtaal op de basis
van het Ingweoonse dialect als het Fries behoort zij daarentegen tot de
beschaafde uitspraak. | | | |
Het vroege Ingweoons heeft behalve aan een verregaande nasalisering
ook ruimte gegeven aan een verregaande mouillering. De gevolgen daarvan zien we
enerzijds in de assibilatie van de velaire explosieven voor oude palatale
vocalen, anderzijds in de consequentie waarmee de primaire umlaut heeft
gewerkt, niet alleen bij korte, maar ook bij lange vocalen. Deze umlaut berust
nl. hoogstwaarschijnlijk op de sterke mouillering van de consonant of
consonantgroep die aan de z.g. umlautsfactor voorafging, een mouillering die
weer palatalisatie van de voorafgaande vocaal kon bewerken. Een lange vocaal
biedt meer weerstand aan de palataliserende invloed van de volgende
gemouilleerde consonant dan een korte en daarom zal in het algemeen de umlaut
der lange vocalen later optreden dan die der korte. De Frankische cultuurtaal
van de 5de eeuw liet de umlaut nog helemaal niet toe, het oudste Frankische
dialect dat uit deze cultuurtaal is voortgekomen en zelf weer de grondslag is
geworden van onze Nederlandse cultuurtaal, kent alleen maar de umlaut der korte
en niet der lange vocalen. Maar het vroegste Ingweoons in de noordelijke
periferie van het Frankische rijk past evenals het Oudengels de umlaut ook al
meteen bij de lange vocalen toe. Dat wijst op een bijzonder krachtige
mouilleringstendentie, een mouilleringsziekte zou men haast kunnen zeggen, een
‘natuurlijke’ uitspraak zonder enige cultuurlijke controle. De
kroongetuige van deze vroeg-Ingweoonse umlaut der lange vocalen in de dialecten
van Vlaanderen en Brabant is het woord hiel,
etymologisch identiek met het Engelse heel. Het Frankische dialect dat
het vroeg-Ingweoonse van de periferie is komen aflossen en dit, behalve in
Westvlaanderen, ook tamelijk radicaal van de kaart heeft geveegd, kende, zoals
ik al in herinnering bracht, geen umlaut van lange vocalen en de met
hiel overeenkomende vorm had daarin dus haal moeten luiden. Dit
haal is echter niet overgeleverd - wel een homoniem met een andere
grondvorm en een andere betekenis - en misschien is het wel te danken aan het
ontbreken van deze directe tegenspeler en tegenstander, dat het Ingweoonse
hiel de frankisering heeft overleefd en als onderlaagwoord een plaats
heeft kunnen krijgen in het lexicale systeem van de nieuwe bovenlaagtaal. Die
plaats heeft het evenals vijf en zuid tot in de cultuurtaal van
onze tijd weten te behouden. De schaarse getuigen van de | | | | vroeg-Ingweoonse assibilatie van velaire explosieven voor oude palatale
vocalen zijn daarentegen niet te vinden in het lexicon van de cultuurtaal maar
in de idiotica der relictgebieden en het aardrijkskundig woordenboek, bv. het
Vlaamse Semmerzake uit Kiembersaca. Van de cultuurtalen die
ontstaan zijn op de basis van het Ingweoonse dialect, heeft het Oudsaksisch
onder Frankische invloed de assibilatie weggecorrigeerd, maar hebben het
Oudengels en het Oudfries dit oorspronkelijke ontaardingsverschijnsel als
element van beschaafde uitspraak geaccepteerd. Het Frankische dialect heeft
ook, zoals blijkt uit het diminutief-suffix -tje (uit
-ikîn) en het dialectische prefix e- (uit gi-), in
zijn voorliteraire periode de mouilleringsziekte gekend en de gevolgen daarvan
niet helemaal kunnen wegwerken. Maar we krijgen niet de indruk dat er een
directe samenhang bestaat tussen de vroege Ingweoonse en de wat latere
Frankische mouillering. Het oudste Frankische dialect, dat in tegenstelling tot
het vroegste Ingweoons zo afwerend stond tegenover de umlaut der lange vocalen,
zal de velaire explosieven nog wel in iedere positie traditioneel-correct
hebben gearticuleerd. Dat Frankisch was, dat blijkt uit het feit dat het op
oud-Ingweoons terrein als bovenlaagtaal kon gaan fungeren, een cultuurdialect
met een duidelijke taalwil en taalmacht. Ieder taalnatuurverschijnsel kan
overigens, als de omstandigheden maar gunstig zijn, ook vrijwel meteen als
taalcultuurverschijnsel gaan functioneren. De beide Frankische
mouilleringsverschijnselen die ik citeerde, het suffix -tjen en het
prefix e-, hebben, evenals uiteraard hun latere cultuurlijke correcties
-ken en ge-, duidelijk begrensde, door een gerichte expansie
bepaalde verbreidingsgebieden gekregen en dat bewijst dat zij, hoe
‘natuurlijk’ ook in zichzelf, voor het Ingweoonse buurgebied een
relatieve cultuurlijke superioriteit moeten hebben bezeten. De grenzen van de
oudere Ingweoonse mouilleringsverschijnselen op onze taalkaarten zijn evenwel
geen uitbreidingsgrenzen maar terugdringingsgrenzen. Men kan uit die grenzen op
geen enkele manier aflezen dat de begrensde verschijnselen in de tijd van hun
ontstaan een relatieve cultuurlijke superioriteit hebben bezeten en dat zal ook
wel niet het geval geweest zijn.
Naast nasalisering en mouillering heeft de monoftongering van de
oude diftongen ai en au recht op een ereplaats onder de
kenmerken | | | | van het Ingweoons. In het continentale Ingweoons zijn
zowel de ai als de au gemonoftongeerd tot â, in het
insulaire is het alleen de ai. De â uit ai is in de
Nederlandse cultuurtaal o.a. bewaard in het woord klaver, de
â uit au in het woord baken. Beide zijn vanouds in
Vlaanderen bekend, klaver ook in Brabant. We
mogen deze monoftongeringen dus wel rekenen tot de vroegste Ingweoonse
verschijnselen in de noordelijke periferie van het Frankische rijk. Ze kunnen
daar al zijn opgetreden in een tijd toen men in het centrale deel van het rijk
nog de traditionele diftongische uitspraak ai en au handhaafde.
Het wat latere Frankische dialect dat uit deze traditionele Frankische
cultuurtaal is voortgekomen, is ook tot monoftongering overgegaan, maar daar is
dan de ai tot ê en de au tot ô
geworden. Deze monoftongeringen kunnen inderdaad heel goed later ontstaan zijn
dan de Ingweoonse â, want de â veronderstelt
diftongen waarvan het eerste element nog a is, terwijl ê en
ô op een voorafgaande ontwikkeling van ai tot ei en
van au tot ou wijzen. Bij ei en ou articuleert men
nog wel diftongisch, maar niet meer helemaal traditioneel-correct. Dat past bij
de ontwikkeling van een herentaal, waarin wel enig functie- en statusverlies
begint op te treden, maar men toch pas heel geleidelijk de oude uitspraaknormen
gaat loslaten. De perifere bevolking had allang niet meer de moeite genomen om
de beweging van de diftong met de mond te volgen: het zwakkere tweede element
moest zich maar aanpassen aan het sterkere eerste. Als tenslotte uit een meer
centraal gelegen, en dus taalcultureel hoger gewaardeerd, gebied het
dialectische Frankisch als een bovenlaag over een tot onderlaag gedegradeerd
Ingweoons heen komt schuiven, weet maar een enkel â-woord zich
tegenover zijn ê- of ô-tegenstander te handhaven,
klaver misschien als boerenvakwoord, baken misschien als
zeemansvakwoord (dat trouwens het Frankische boken als woord voor
‘teken, voorteken’ in het algemeen naast zich krijgt). Bij de
monoftongeringsverschijnselen is de tegenstelling tussen Ingweoons en Frankisch
niet zo sprekend als bij de nasalisering en de mouillering. Nasalisering en
mouillering zijn taalvernieuwing, de afwijzing van deze tendenties is
taalbewaring. Maar bij de monoftongering nemen Ingweoons en Frankisch allebei
deel aan de taalvernieuwing. Wat er in de ê en de ô
van de oude diftongen ai en au bewaard blijft, is wel erg | | | | abstract: de herinnering aan het tweede element in de wijziging die het
de articulatie van het eerste heeft doen ondergaan! Maar het Frankisch heeft de
diftongische articulatie dan toch mogelijk langer bewaard en is, kan men
zeggen, bij de ontwikkeling tot monoftongen wat minder grof, wat beheerster te
werk gegaan. En het blijft ook hierbij een feit, dat het Frankische dialect
zich in ruime mate heeft kunnen uitbreiden ten koste van het Ingweoonse, maar
dat het omgekeerde nooit plaats heeft gevonden. Een van de Ingweoonse
cultuurtalen, het Oudsaksisch, vertoont ten aanzien van de
monoftongeringsproducten ook al duidelijk de invloed van het Frankisch. Het
Frankisch is in het areaal van het continentale Westgermaans steeds de
superieure, de sterkere, de opdringende taal, het Ingweoons is, voorzover het
niet helemaal onderlaagdialect blijft, telkens weer de lager gewaardeerde, de
zwakkere, de terugwijkende. Zou in deze latere taalgeschiedenis niet iets van
de oorspronkelijke taalsociologische verhouding tussen Frankisch en Ingweoons
weerspiegeld worden?
Ik heb aangenomen dat de conservatieve Frankische herentaal in het
centrum van het Frankische rijk geen Ingweoons onderlaagdialect naast zich
heeft gehad; de onderlaagfunctie werd vervuld door de Romaanse volkstaal, die,
althans aanvankelijk, naast de Latijnse cultuurtaal zeker niet bijzonder hoog
zal zijn gewaardeerd. Men kan echter ook vragen, of het Ingweoonse dialect,
waar zich dit ontwikkelde - in de noordelijke periferie van het Frankische rijk
of nog verder noordelijk -, eventueel nog een op het conservatieve Frankisch
lijkende cultuurtaal met bovenlaagfunctie naast zich heeft gehad. Was
bijvoorbeeld de taal van de leiders der Anglische en Saksische emigratie naar
Britannia werkelijk al Ingweoons of was dit enkel maar het dialect
van de onderlaag? Men moet rekening houden met de mogelijkheid dat het
Ingweoons pas in het nieuwe land, in de nieuwe levensruimte bovenlaagfunctie
heeft gekregen, als in later tijd, maar onder vergelijkbare omstandigheden, het
Afrikaanse Nederlands of het Amerikaanse Engels. Zo kan ook in de noordelijke
periferie van het Frankische rijk, waar een Ingweoons onderlaagdialect was
ontstaan, bij de hogere stand nog wel een tijd een conservatief Frankisch (met
ai en au) in gebruik zijn gebleven, totdat de bovenlaagfunctie
werd overgenomen door een | | | | in het centrum ontstaan en vandaar
uitgestraald Frankisch dialect (met ê en ô). In het
algemeen zal men wel mogen aannemen, dat in de gebieden die het verst van het
Frankische centrum af hebben gelegen de kansen voor het Ingweoons om zich te
ontwikkelen tot bovenlaagtaal, en tenslotte zelfs tot cultuurtaal met een
schriftelijke overlevering, het gunstigst zijn geweest. Die het verst van het
Frankische centrum verwijderde gebieden waren door hun ligging voorbestemd
Ingweoonse ‘kerngebieden’ te worden. Zij werden
‘kerngebied’ niet als gebied waar de Ingweoonse tendenties zich het
eerst en het volledigst hadden kunnen verwezenlijken, maar als gebied waar de
taalbewaring en taalvernieuwing in Frankische zin zich het minst konden doen
gelden. Zo kan men zeggen dat de Ingweoonse taalontwikkeling, in negatieve en
in positieve zin, nooit los van de Frankische gezien kan worden. Dat het
vroeg-Ingweoonse dialect in het volledige insulaire isolement van Britannia tot
een volledige Nieuwingweoonse cultuurtaal heeft kunnen uitgroeien, ligt voor de
hand, dat iets dergelijks, zij het dan in veel bescheidener mate, ook heeft
kunnen gebeuren in het maar betrekkelijke litorale isolement van Frisia, blijft
ons wel verrassen, te meer wanneer wij zien dat het verder van het oude
Frankische centrum verwijderde Nederduitse kustgebied géén
Nieuwingweoonse cultuurtaal heeft opgeleverd. Maar dit probleem, niet van het
óntstaan, maar van het béstaan, het vóórtbestaan
van het Fries, betekent enkel een bijzondere complicatie in de verhouding van
Frankisch en Ingweoons en doet niets af aan het algemene inzicht, dat een
Ingweoonse cultuurtaal alleen maar daar tot ontwikkeling kon komen waar de
taalbewaring en taalvernieuwing in Frankische zin zich naar verhouding het
minst deed gelden. Aan de frisisten zij de vraag ter beantwoording overgelaten
door welke geografische, politieke en sociaal-culturele factoren het Frankisch
zich in Friesland minder heeft doen gelden dan in Nederduitsland.
Mijn beschouwingen over de verhouding tussen Frankisch en Ingweoons
berusten alleen op een analyse der klankverschijnselen. Dat is een beperking
die ze onvolledig maakt. Ik ben er mij tenvolle van bewust dat een analyse van
de lexicale verschijnselen, van de resultaten der woordgeografie, een heel
andere formulering zal opleveren. | | | | Lang voor er in het Germaanse
areaal fonetisch formuleerbare dialecten optreden, waren er stellig al
lexicologisch formuleerbare en waarschijnlijk ook morfologisch formuleerbare.
De fonetische vernieuwingen kunnen ten dele bestaande dialecttegenstellingen
versterkt, ten dele ook verzwakt hebben. Maar dat is een aspect van de
ingweonistiek dat ik hier alleen maar wil aanduiden en niet verder bespreken
1).
K. Heeroma
|
1)Ik heb er ook van afgezien aan dit artikel
- de tekst van een voordracht - noten toe te voegen en wil hier volstaan met
enkele algemene aanduidingen. Mijn beschouwingen liggen uiteraard in het
verlengde van mijn vroegere studies, waarvan men een bibliografie vindt in
Taal en Tongval 15, 173-4 [1963], en worden aangevuld door enkele
voordrachten waarvan de tekst binnenkort gepubliceerd zal worden, o.a.
‘Ingwaonisch in niederländischer Sicht’ in Niederdeutsches
Jahrbuch 87 [1964].
|
|