[p. 7]

Voorwoord

In de 16e eeuw is Nederland, evenals trouwens de rest van Europa, literair gezien een tweestromenland. Naast de literatuur in de landstaal bloeien er ook de Latijnse, of liever Neolatijnse, letteren. In het begin van de eeuw bereikten deze met de humanist Desiderius Erasmus en de lyrische dichter Janus Secundus een absoluut hoogtepunt. Na hun beider dood in 1536 is er zeker in de Noordelijke Nederlanden sprake van een duidelijke luwte, waarin Hadrianus Junius één van de weinige humanisten is die ook buiten de Nederlanden bekendheid geniet. In de tweede helft van de eeuw treedt er een herleving op die onverwachte kansen krijgt door de stichting van de universiteit in Leiden in 1575. Onder de drie gedeputeerden die met de voorbereiding van deze stichting belast waren, bevond zich een uitgesproken humanist, de negenentwintigjarige Noordwijkse edelman Janus Dousa. Doordat deze als curator bijna dertig jaar lang ten nauwste bij het wel en wee van de nieuwe universiteit betrokken was, was hij meer dan wie ook in een positie om haar een humanistisch stempel op te drukken.

Door zijn afkomst was Dousa voorbestemd voor een bestuurlijke loopbaan. De keuze van zijn lijfspreuk echter, een versregel van de Romeinse dichter Vergilius, verraadt duidelijk waar zijn werkelijke belangstelling van meet af aan lag: Dulces ante omnia Musae, 'Een zoetheid bovenal zijn mij de Zanggodinnen'. Al in 1569 gaf hij met zijn literair debuut de aanzet tot een nieuwe bloei

[p. 8]

van de Neolatijnse poëzie in Nederland. Het beleg van Leiden, schouder aan schouder met de secretaris van de stad Jan van Hout doorstaan, en de daarop volgende oprichting van de universiteit leverden de stof voor een rijk geschakeerde tweede dichtbundel, die een paar maanden na de feestelijke opening van de nieuwe instelling van de pers kwam en als haar visitekaarje kon fungeren. Ondanks toenemende activiteiten op politiek en bestuurlijk terrein, zullen nog vijf soms lijvige bundels volgen.

Hoezeer Dousa's filologische en poëtische activiteiten een stimulans waren voor de eerste generatie Leidse geleerden en studenten, valt af te lezen aan de reeks van publicaties die met een opdracht aan de curator gesierd zijn. Onder de auteurs daarvan treffen we de bekende filologen van Dousa's eigen generatie, Lipsius en Vulcanius. Interessanter nog is de groep jonge Neolatijnse dichters die hun eerstelingen onder patronage van hun grote voorbeeld de wereld inzenden: Gruterus, Baudius, Heinsius, Grotius en vele anderen. Onder Dousa's leiding groeit de Leidse universiteit al in de eerste decennia van haar bestaan uit tot een bolwerk van humanistische filologie en Neolatijnse poëzie.

In het onderstaande hopen wij, daartoe uitgenodigd door Stichting Dimensie, de lezer te laten kennismaken met deze unieke vertegenwoordiger van de Neolatijnse poëzie in Nederland, door een aantal uitvoerige fragmenten uit Dousa's diverse bundels aan te bieden. Bij de selectie daarvan is, meer dan op de literaire kwaliteiten, gelet op de informatie die zij ons bieden omtrent het wijdvertakte humanistische netwerk in de Nederlanden, waarbinnen Dousa in de tweede helft van de zestiende eeuw een duidelijke spilfunctie vervulde.

Onze dank gaat uit naar Dr. L.M. Oostenbroek voor haar waardevolle suggesties hij de vertalingen van de gedichten.