[p. 57]

De elegieën van 1586: Humanisme en Nederlandse poëzie

Behalve de besproken gedichten, hangt ook de verdere inhoud van de Odae Brittanicae ten nauwste samen met Dousa's diplomatieke activiteiten. Het is duidelijk dat zijn literaire bezigheden hierdoor in het gedrang kwamen. Een bundel elegieën en epigrammen die in hetzelfde jaar als de Odae Britannicae wordt uitgegeven, krijgt absente patre, bij afwezigheid van Dousa, een opdracht mee van zijn vijftienjarige zoon Janus. Het karakteristieke van deze bundel is de aandacht voor de verhouding tussen de Neolatijnse poëzie zoals die door de humanisten van de Leidse universiteit beoefend wordt en de Nederlandse poëzie die in dichters als Jan van Hout in Leiden en Roemer Visscher in Amsterdam haar representanten heeft. Dit geldt vooral voor het tweede boek der elegieën, dat opent met een gedicht aan Roemer Visscher. Daarin vallen twee gegevens onmiddellijk op. Eerstens voorziet Dousa dat de Nederlandse poëzie, nunc inhonora quidem ac peregrinis oblita fucis, 'nu weliswaar nog weinig in ere en bezoedeld met vreemde opsmuk', dankzij het werk van dichters als Roemer Visscher weldra hetzelfde hoge niveau zal bereiken als de Latijnse. Vervolgens wordt hij zo door deze Nederlandse poëzie aangesproken, dat hij zich geroepen voelt ook zelf op dit terrein een bijdrage te leveren.

 Nam mihi Romano nunc Romulus ore canendus,
      Hei mihi, quod solidum nil mea Musa crepet.


[p. 58]

 
  Sed quodcunque in me tamen Artis, et ingenii sit;
      Id Civi et Vati serviat omne meo.
 Romule, nostratis columen Linguaeque, Lyraeque;
      Sic te Suada potens, sic Deus Arcas amet;
 Sic tibi sit praesto semper Dea Caeca, vagoque
      Lucrificam toto luceat orbe facem:
 Sic etiam Patriis victurus amere Camoenis;
      Nec Dousae placeas, Lipsiadive modo,
 Sed tua confines ediscant Carmina Cauchi,
      Et vati plaudat Amstelis ora suo:
 Hostimenta tuo non responsura Lepori,
      Aspice pro Batavis verba Latina modis:
 Aspice vix tandem facientem mutua Dousam.
      Tu fueris velis aestus, et aura meis.
 Et si quid mora nostra tibi conciverit aegri,
      Desidiae ignoscens da precor omne meae.
 Te meminisse decet, quam non mea Ianua mordax,
      Quam non clausa tibi nostra domus fuerit.
 Fortunata domus tali hospite; vtraeque Lycaei
      Cui se sponte etiam visae aperire fores:
 Cui nostri risere Lares, et vocis adulans
      Gannitu plausus signa Lycisca dedit.
 Signa quidem plausus palpo dedit illa canino;
      Gratati humano nos sumus ore tibi.
 Erro: illud, nobis ipsis, dixisse volebam,
      Adventu laeti Iustus, egoque tuo.
 Praecipue Hauteno, cui nos debere fatemur,
      Quod primum nobis cognita Suada tua est.
 Suada, cui Docti cedat Lepor ille Catulli,
      Cui palmam de se Bilbilis ipsa dedit.
 Suada, cui par est acceptum ferre Batavos,
      Iam Latio cur nil amplius invideant.
 Unde tuis vero tam felix Gratia Dictis?
      Unde tuis tantae Versibus Illecebrae?
 Amstelia ne etiam studia haec agitantur in Urbe,
      Mercatusque inter et locus ingenio est?
 An tuus et nostras docuit te Athlantius artes?


[p. 59]

 
      Credo equidem, Ingenium Mercuriale tibi est:
 Et tibi Cattiades dictant nova Carmina Nymphae.
      Quid mihi cum Latio? me mea Lingua capit:
 Nunc inhonora quidem ac peregrinis oblita fucis;
      At, Duce te, haud longa culta futura die.
 Auguror; et Celtas vincet tua fama Poetas;
      Non, se qui falso  17   Rhetoras indigitant;
 Portaei sed delicias, Veneresque Baifi.
      Hora precor Fatis sit prior illa meis,
 Qua videam Patriam per te florere Poesim, atque
      Ire Borussorum finibus vlterius:
 Nec minus (o) nostris risum debere Theatris,
      Inque malam hinc omnes Rhetoras ire crucem.
 Eventura precor; viden' ut Diis conscia sacro
      Auspicium faciat Laurus in igne mihi?
 Exhilaransque Focos crepitu det signa secundo?
      Omine quo faustus Vatibus annus eat:
 Et mihi praecipue, Genii qui castra Batavi
      Iampridem capior, ac tua Signa sequi.
 Romule, municipes Dousam sine tangere chordas,
      Laudis et in partem posse venire tuae.
 An mihi Romanae potior sit cura Thaliae?
      Aut, sine te, Vatis nomen habere velim?
 Di melius: nec nos ingrati audivimus unquam.
      Tu potius Famae caussa ferare meae.
 Ipse sequar Patriis praeeuntem Carmina nervis,
      Ibit et in calles pes meus vsque tuos:
 Secretos populo calles, qua neminis ante
      Trita solo, soli semita strata tibi.
 ...
 Tu nos, tu Batavae docuisti commoda Lingvae,
      Ausus inexpertos ducere prime choros:
 Ausoniosque sales nostro sermone referre,
      Auctorem Interpres et superare tuum.
 O solidum Patriae Musae decus; o nove Ulysse,
      Sive opus Artis ope, seu Genio ingenii est:
 Qui mores multorum hominum speculatus, et Urbes,
 17  i.m.: Histrionicuin illud hominum genus intellige, vulgo Rhetorum nomine insigne.


[p. 60]

 
      Iure tuo Titulos Experientis habes.
 Atque (ita me Dei ament) Vatem praecurris Iberum,
      Mollia Carminibus sint modo Fata tuis;
 Ipse etiam quorum Hautenus miratur acumen.
      Et quisquam tibi se postulet esse parem?
  
 (Eleg. 1586, p. 35-40)
'Laat mijn Muze nu, nu ik Roemer moet bezingen in de Latijnse taal, niet een stroeve toon aanslaan.
Laat daarentegen al wat in mij is aan vaardigheid
en talent, laat dat alles zich ten dienste stellen van mijn medeburger en mededichter.
Roemer, stut van de vaderlandse taal en lyriek,
zowaar als de machtige Suada, zowaar als de Arcadische god u bemint,
zowaar als de blinde godin  18   u altijd nabij is en u tot uw voordeel bijlicht met haar fakkel op uw omzwervingen over de hele wereld,
zo ook zult u, zolang u leeft, door de vaderlandse Muzen bemind worden, en zult u niet alleen Dousa of Lipsius behagen, maar zullen ook de naburige Noordhollanders  19   uw verzen uit het hoofd leren en zullen de oevers van de Amstel hun dichter toejuichen.
Zie hier, als een wederdienst die ver ten achter blijft bij uw charme, in ruil voor uw Hollandse melodieën mijn Latijnse woordentritsen;
zie hier, hoe Dousa op zijn beurt eindelijk een gedicht voor u produceert.
U bent de golfslag en het briesje voor mijn zeilen geweest. En als mijn talmen bij u iets van ergernis heeft verwekt, ik bid u, vergeef dan oprecht mijn traagheid.
Het geeft pas u in herinnering te roepen hoe mijn deur niet van zich afbeet, hoe mijn huis niet gesloten voor u is geweest.
Gelukkig is het huis met zo'n voortreffelijke gast, voor wie de dubbele poort van de universiteit zich zelfs spontaan
 18  Suada is de gepersonitieerde Welsprekendheid, de Arcadische god is Mercurius, de blinde godin Fortuna.
 19  Dousa spreekt van Chauci, een volksstam die in de Romeinse oudheid was gehuisvest in Noordwest-Duitsland en vandaaruit de Noordelijke Nederlanden was binnengedrongen. Op grond daarvan worden in de 16e eeuw de inwoners van Holland, met name van Noord-Holland, in Latijnse teksten Chauci genoemd. Cf. Dousa, Bat. HoIl. Ann. 1601, p. 20 en bijv. S. van Leeuwen, Batavia illustrata, 's-Gravenhage 1685, p. 52.


[p. 61]

scheen te openen, wie mijn huisgoden toelachten en wie de kwispelstaartende Lycisca door gekef tekenen van bijval gaf. Zij gaf tekenen van bijval door een hondepootje,
maar wij hebben u met onze menselijke stem gelukgewenst.
Of nee, onszelf gelukgewenst, zou ik willen zeggen,
zowel Iustus als mijzelf, uit vreugde over uw komst,
en vooral Van Hout: gaarne getuigen wij het aan hem te danken te hebben, dat wij kennis mochten maken met uw welsprekendheid.
Een welsprekendheid waarvoor de befaamde gratie van de geleerde Catullus moet onderdoen en waaraan Martialis' geboorteplaats Bilbilis haar eigen erepalm heeft afgestaan.
Een welsprekendheid die - dat is billijk - de Hollanders gretig aanvaarden, waardoor ze Latium verder niets meer hoeven te benijden.
Vanwaar toch hebben uw woorden zo'n natuurlijke charme?
Vanwaar hebben uw gedichten zo'n grote verleidelijkheid?
Worden in de Amstelstad ook deze bezigheden bedreven en is er tussen het handelsrumoer ook plaats voor de dichterlijke geest?
Heeft uw schutspatroon Mercurius, Atlas-kleinzoon, u ook onze dierbare kunsten onderwezen?
Voorzover ik het zie, bent u begiftigd met de geest van Mercurius en dicteren de Hollandse  20   nimfen u nieuwe gedichten.
Wat moet ik nog met Latium? Mijn eigen taal heeft me in haar ban: nu weliswaar ongeëerd en bezoedeld door vreemde opsmuk, maar, onder uw leiding, binnen afzienbare tijd hoog in ere.
Dat voorspel ik; en uw faam zal ook de Franse dichters in de schaduw stellen, niet diegenen die zich ten onrechte rhétoriqueurs  21   noemen, maar Desportes met zijn bevallige gedichten en De Baif met zijn lyrische gezangen.
Ik bid, dat dat grootse uur nog voor mijn dood zal slaan, dat uur waarop ik de vaderlandse dichtkunst door u in bloei zal zien en erkend raken tot voorbij de Pruisische gebieden; en evenzeer bid ik dat ons toneel nog slechts de spotlust prikkelt en dat alle rederijkers van nu af aan een roemloos einde moge wachten.
 20   Ook de door Dousa gebezigde naam van de Germaanse volksstam der Chatti, die men in de plaatsnaam Katwijk meende terug te vinden, wordt in deze tijd gebruikt als een aanduiding van de Hollanders. Cf. Dousa, Bat. Holl. Ann. 1601, p.8.
 21  In de marge is ter verklaring toegevoegd: 'Ik bedoel die groep piassen die als rhétoriquers bekend staan.' Voor het Latijn, zie noot 17.


[p. 62]


Ik bid dat dit gebeuren zal. Ziet u, hoe de alwetende Laurier, mij in het vuur dat de goden gewijd is, een voorspelling doet en gunstige tekens geeft door de vlammen vrolijk te laten knetteren?
Een voorteken dat het jaar gunstig zal verlopen voor de dichters,
en vooral voor mij, die er al sinds lang op uit ben in het leger van de Genius der Hollandse letteren dienst te nemen en uw veldtekenen te volgen.
Roemer, sta Dousa toe de vaderlandse snaren te beroeren en gun hem de toegang tot het terrein waarop u roem oogst. U denkt toch niet dat de zorg voor de Romeinse Thalia mij liever is of dat ik buiten u om de naam van dichter zou willen hebben?
God verhoede: nooit heb ik de naam gehad ondankbaar te zijn:
Liever heb ik dat u geldt als de bewerker van mijn faam. Ikzelf zal u volgen, als u voorgaat met liederen op vaderlandse wijs en mijn voet zal uw paden betreden, paden die verborgen zijn voor het grote publiek, waarop niemand eerder een voet heeft gezet, een weg geëffend door u alleen.
...
U, u hebt ons de voordelen van de Hollandse taal onderwezen; u hebt het aangedurfd als eerste niet eerder gebruikte koren te leiden en de Ausoonse elegantie in onze taal over te brengen en als vertaler uw auteur te overtreffen.
O onvervalst sieraad van de vaderlandse poëzie, o nieuwe Odysseus, u die de leefgewoonten en steden van veel mensen hebt aanschouwd: of het nu toe te schrijven is aan oefening of aan inspiratie, u draagt met recht de eretitel Beproever. En - zowaar als de goden mij liefhebben - u zult de Iberische dichter Martialis overtreffen, zolang het lot welwillend staat tegenover uw liederen, waarvan niemand minder dan Jan van Hout de raakheid van uitdrukking bewondert.
Zal dan nog iemand durven beweren dat hij uw gelijke is?'


[p. 63]

De elegie, waarin de klassiek geschoolde lezer een veelheid aan citaten uit de antieke Latijnse elegische poëzie van met name Tibullus en Propertius herkent, is ongetwijfeld geïnspireerd op een bezoek dat Visscher, mogelijk in 1578, aan Leiden bracht. Jan van Hout introduceerde hem in zijn 'Gezelschap', in de Leidse literaire coterie, waarin met name het universitaire milieu met zijn filologen en humanisten als Justus Lipsius en Dousa sterk vertegenwoordigd was. Dousa's elegie is doortrokken van de grote indruk die Visscher op hem heeft gemaakt. Alles wijst erop dat de ontmoeting dan ook niet tot een vluchtige kennismaking beperkt bleef, maar dat Dousa alle gelegenheid kreeg uitvoerig van Visschers nog onuitgegeven werk kennis te nemen en de literaire topics van het moment, waaronder de verhouding van Latijnse en vaderlandse literatuur, met hem te bespreken. In Dousa's ogen is Visscher de vertegenwoordiger van het Amsterdamse literaire leven bij uitstek. Hij ziet in hem nu reeds het prototype van de Amsterdammer die cultuur en commercie zo uitstekend weet te combineren en die in de volgende generatie door Barlaeus zo treffend zal worden getypeerd als de Mercator sapiens, 'de wijze koopman'. De kennismaking met Visschers werk is voor Dousa een nieuw appèl om zich ook zelf aan Nederlandse poëzie te wagen.

De laconieke reactie van Visscher op de uitbundige lof die hem als de grote vernieuwer van de Nederlandse literatuur in Dousa's hoogdravende Latijnse disticha wordt toegezwaaid, is even typerend als geestig:

 Antwoort op des Heers van Noortwijcks Elegia
  
 Heere, u brief is my ghecomen te handt,
 Daer ghy om mijn te prijsen oeffent u verstant:
 Dan als ghy van my seght al dat ghy denckt of weet,
 Soo zijt ghy een onghevallich Waersegger, en een goed Poeet.
  
 (Brabbeling, Quicken VI, 3, Amsterdam 1625, p. 77)


[p. 64]

De ontmoeting met Roemer Visscher waarvan in het gedicht sprake is, had mogelijk plaats in september 1578. Van dezelfde datum zou ook diens ongedateerde bijdrage in Dousa's album kunnen zijn:

 Gelycke boom, gelycke bladen
 gelycke kaes, gelycke maden
 gelycke sinnen, gelycke raet
 gelycke marckt, gelycke cope
 gelycke vrese, gelycke hope
 gelycke naem, gelycke daet
 nu meen ick dat gy wel verstaet
 waerom UL. Janus is geheten
 omdat ghy bemint doude en nieuwe poeeten
  
 Elck Wat Wils.
 Roemer Vischer
  
 (Album fol. 86 recto)