[p. 65]

In dienst van Kleio

Onder de bijdragen aan de Nederlandse literatuur die Dousa in het gedicht voor Roemer Visscher in het vooruitzicht stelt, neemt de Voorrede bij de eerste uitgave in 1591 van de Rijmkroniek van Melis Stoke alleen al door zijn omvang een bijzondere plaats in.

Van deze Middeleeuwse kroniek in Nederlandse verzen over de geschiedenis van het graafschap Holland bezat Dousa twee handschriften. De naam van de laat dertiende-eeuwse auteur, Melis Stoke, werd pas na Dousa's tijd bekend. Voorvechters van de opbouw van de Nederlandse dichtkunst waren buitengewoon geïnteresseerd in dit Middelnederlandse geschiedwerk, beschouwd als een specimen van een zuiver Nederlands, dit in schrille tegenstelling tot het eigentijdse taalgebruik: 'Gheen bastart-duyts hier speurt,/ Deur welcke huydensdaechs ons spraeck zo wert besmeurt' (Voorrede 1591, r. 59-60). De Amsterdamse koopman en dichter Hendrik Laurensz. Spiegel beijverde zich dan ook voor een uitgave van de kroniek en kreeg daartoe de beschikking over de twee handschriften die Dousa in zijn bezit had. In ruil daarvoor nodigde hij Dousa uit de uitgave die in 1591 in Amsterdam van de pers zou komen, met enig voorwerk op te sieren. De uitnodiging werd beantwoord met een 434 verzen tellende 'Voorreden J. Johans vander Does, Heer tot Noortwijc opte jegenwoerdighe Hollandsche Rijm-cronijc aen Henric Laurensz. Spieghel Coopman T'Amstelredamme zijnen ghoeden vrundt.'



[p. 66]

Historiograaf van de Staten

Behalve van het zuivere taaleigen van de Rijmkroniek, was Dousa als historicus bijzonder gecharmeerd van het hoge waarheidsgehalte daarvan. We zagen reeds dat Dousa al in 1572 bemoeienis had met het archief van het graafschap Holland. Enerzijds hing dit samen met zijn historische belangstelling en anderzijds heeft het deze belangstelling natuurlijk gestimuleerd. Een jaar of tien later blijkt hij volop in het historisch onderzoek gedoken en krijgt van vele vrienden documenten voor dit werk ter inzage. In 1584 wist hij Plantijn te bewegen tot een nieuwe uitgave van de historische geschriften van de Zeeuwse humanist Hadrianus Barlandus (1486-1538), omdat hij die beschouwde als een bruikbaar voorschot op de 'Algemene Geschiedenis van het volk van Holland' die hij zelf op stapel had staan.  22   Een jaar later volgde dan zijn aanstelling tot historiograaf van de Staten van Holland. De opdracht die hij daarbij ontving, luidde 'te beschrijven de historie ende zaecken van Hollandt in der Latijnsche tale ende prose, zulcx ende als hier voormaels by den Staten van Hollant wijlen doctor Adrianus Junius daerthoe op zeeckere jaerlicxe wedden last ende bevel es gegeven geweest, daervan den voorn. heere van Noortwijck een schijnzel binnen sjaers zal verthoonen, omme 't zelve daernaer te doen ederen ende uytgaen ten believe van de zelve Staten'.  23  

Wij zagen dat deze opdracht onmiddellijk doorkruist werd door nieuwe diplomatieke verplichtingen. Ruim de helft van de periode die voor het 'schijnzel' was uitgetrokken, ging verloren aan het Londense gezantschap. Wel kreeg Dousa nieuwe faciliteiten voor zijn historisch onderzoek, doordat hij een jaar later werd benoemd tot archivorum praefectus of scriniorum magister, chartermeester van Holland, een ambt dat hem vrije toegang verschafte tot de archieven van het graafschap.

Het eerste tastbare resultaat van Dousa's inspanningen als historicus was de uitgave van de Batavia van zijn voorganger Hadrianus Junius, waarvan hij het zoekgeraakte manuscript had weten te achterhalen. Nadat hij het samen met Lipsius nog eens had doorgenomen, kwam het in 1588 bij Plantijns schoonzoon Raphelengius van de pers.

 22  Ianus Dousa a Noortwyck, qui cum Universam Historiam Batavae gentis serio scibendam ab ipsis incunabulis suscepisset, pro bono et pro luce lectoris cersuit hoc velut compendium et introductionem praemitti, aldus Plantijn in zijn Praefatio bij Barlandus' Hollandiae Comitum Historia et Icones, Leiden 1584.
 23  Molhuysen, Bronnen I, 1913, p. 123*.


[p. 67]

Zijn volgende historische bemoeienis gold Spiegels uitgave van de Rijmkroniek van Melis Stoke in 1591. Intussen liet het 'schijnzel' dat hij een jaar na zijn benoeming tot historiograaf had moeten overleggen, nog altijd op zich wachten. Een nieuwe benoeming in 1591, nu tot Raad in de Hoge Raad van Holland en Zeeland, betekende een nieuw obstakel voor zijn historisch werk. De functie noodzaakte hem zelfs van Leiden naar Den Haag te verhuizen.

 

Resultaten laten op zich wachten

Langzamerhand begon Dousa zich met de situatie verlegen te voelen. Een vertraging van zoveel jaren vroeg om een rechtvaardiging. In 1593 leverde hij deze in de vorm van zijn Epistolae apologeticae duae. In de eerste van deze twee apologieën beoogt 'de auteur zich te rechtvaardigen inzake de vertraging van de uitgave van zijn Annalen'.  24   Te zijner verdediging beroept Dousa zich op de werkzaamheden die zijn openbare functies, het curatorschap der universiteit en het lidmaatschap van de Staten en van de Hoge Raad, met zich meebrengen. 'Wanneer', zo gaat hij verder, 'de zorgen voor huis en haard daar nog bij komen en de opvoeding van negen kinderen, een taak waarvoor in de eerste plaats de vader zich in het belang van het algemeen dient in te zetten, hoe weinig tijd blijft er dan nog over om het weefsel dat wij op het getouw gezet hebben, rustig en tot onze eigen tevredenheid te voltooien'  25  

Ook al betekenen de kinderen dan een belemmering voor de voortgang van het werk, zij dragen in zekere zin ook bij tot de oplossing van het probleem. Want ook nu weer kan Dousa zich verlaten op zijn schrandere oudste zoon Janus, die hem al eerder in de uitgave van zijn werk had bijgestaan. Toen Dousa naar Den Haag verhuisde, hield hij zijn functie van curator aan. De zorg voor de universiteitsbibliotheek ging over op zijn zoon, die al enige tijd het feitelijke werk verricht had. Blijkbaar werd deze te eniger tijd ook bij het historisch onderzoek ingeschakeld.

We herinneren ons dat Dousa bij zijn benoeming tot historiograaf uitdrukkelijk de opdracht kreeg een Latijns werk in proza te

 24  Zie de volledige titel van Epist. Apol. 1593 in de Bibliografie, p. 95.
 25  Epist. Apol. 1593, p. 10-11: Huc rei domesticae sollicitudines ac novem liberorum educatio si accedat, quorum studia ad Reip. utilitatem patri potissimum dirigenda, quantillum porro temporis relinquitur, ad telam quam exorsi summus commode atque ex sententia pertexendam.


[p. 68]

schrijven. Dit laatste was blijkbaar niet vanzelfsprekend.

De uitdrukkelijke toevoeging 'in proza' hangt vermoedelijk daarmee samen, dat Dousa toen reeds met plannen rondliep de geschiedenis van het graafschap Holland ook onderwerp te maken van een groot gedicht met epische allure. Ook al werden deze plannen aanvankelijk door zijn nieuwe opdracht doorkruist, toch heeft Dousa weldra weer mogelijkheden voor zijn historisch gedicht zien opdoemen, toen zijn zoon Janus al op jeugdige leeftijd zo competent bleek voor historisch onderzoek, dat hij hem het werk aan de geschiedenis in proza kon overlaten, waardoor hij zelf de handen vrij kreeg voor zijn historisch gedicht. Deze werkverdeling tussen vader en zoon gold vermoedelijk al vanaf 1587 of 1588, toen 'de leeftijd van zijn zoon nog maar nauwelijks het eindpunt van zijn zeventiende lente voorbij was'.  26  

Helaas kwam aan de samenwerking een abrupt einde door de buitenlandse reis en de daarop volgende ziekte en vroegtijdige dood van Janus Filius. Hoe substantieel diens bijdrage aan de Annalen in proza is geweest, wordt ons duidelijk uit de titel die Dousa het werk uiteindelijk bij zijn verschijnen in 1601 heeft meegegeven: Bataviae Holiandiaeque Annales, a Iano Dousa Filio Concepti atque inchoati iam olim; Nunc vero a Patre eidem cognomine ac superstite, ..., recogniti, suppleti, novaque octo librorum accessione ad integrae usque Decadis finem perducti et continuati (Annalen van het vroegere en latere Holland, allang geleden door Janus Dousa de zoon opgezet en begonnen, en nu door diens gelijknamige vader die zijn zoon overleefde, ..., herzien, aangevuld, met acht boeken uitgebreid tot een vol tiental en tot een goed einde gebracht).

 

 26  Bat. Holl. Ann. 1601, sign. *2 verso: cuius aetas vix etiamdum decimiseptimi veris metas excesserat. Dousa's zoon werd geboren op 16 januari 1571.

Dood van Janus Dousa Filius

In de apologetische brief van 1593 had Dousa de Staten verzekerd dat hij vast voornemens was een eerste deel van zijn geschiedwerk op de eerstvolgende Frankfurter Buchmesse, dus de Najaarsmesse van het jaar 1593, te laten presenteren.  27   Dat het desondanks ook nu nog niet vlotten wil, hangt misschien samen met de verdere levensloop van zijn oudste zoon. Deze vertrok namelijk juist rond deze tijd in gezelschap van zijn broers

 27  Epist. Apol. 1593, p. 13: Etenim principem operis istius partem ante proximas Francfurtenses Nundinas repraesentare decretissimum est mihi.


[p. 69]

Stephanus en Georgius richting Heidelberg met de kennelijke bedoeling een grote reis door Oost-Europa te maken. Helaas overviel hem in Heidelberg een ernstige ziekte die hem dwong naar Holland terug te keren. In december 1596 overleed hij, slechts vijfentwintig jaar oud.

De dood van Dousa Filius had op zijn vader een paralyserende werking. Deze is het verlies nooit goed te boven gekomen. Zijn ontreddering heeft op verscheidene plaatsen in de Annalen in proza zijn sporen nagelaten. Zo overvalt hij middenin het achtste boek de lezer tamelijk onverwacht met de volgende emotionele woorden:

Dousa Pater Lectori benevolo S.
Hactenus nos: quae vero deinceps secutura, a Dousa Filio (heu, non iam amplius meo) esse scito, mi lector. Quo (annis aliquot ante Fatale illud Hungaricae Peregrinationis Decretum) hanc Historici Operis telam haud ignaviter aggresso, nunquam fore speraveram, ut ipse (velut in vacuum succedens) abdicatum a me iampridem Vicarium hoc Historiae scribendae Munus ullo porro tempore resumerem. Sed Deo aliter visum, qui acerbam hanc nobis Necessitatem imposuisse videtur, ut ad gravissimum moerorem hic laboris insuper ac vigiliarum cumulus accederet: quibus sustinendis diutius iam pares esse non possumus. Heu, me miserum, in cuius Piaculare unius caput tot pariter se agglomerant mala? Plura proloqui, immensus, ac penitissimis medullis conceptus dolor non sinit. Tu quisquis es commiseresce quaeso, et conatus utriusque nostrum (si meruimus modo) ea animi benignitate complectere, qua offeruntur. Vale, mi Lector, Vale.
 
(Bat. Holl. Ann. 1601, p. 391)
de vader groet de welwillende lezer.
Tot hiertoe wij. U moet namelijk weten, lezer, dat wat nu volgt het werk is van Dousa de Zoon - helaas kan ik niet meer zeggen "mijn zoon". Toen deze enkele jaren voor het fatale besluit een reis naar Hongarije te ondernemen, met grote inzet begon aan het weefsel van deze Geschiedenis,


[p. 70]

had ik niet verwacht dat ik ooit nog eens zelf - als nam ik een lege plaats in - de opdracht voor dit geschiedwerk waarvan ik al lang afstand gedaan had, als vervanger weer op me zou moeten nemen. God heeft anders beschikt en schijnt ons deze bittere last op te leggen, dat bij dat diepste verdriet ook nog deze onmetelijke hoeveelheid nachtelijk werk komt, een last die wij niet meer op kunnen brengen. Wee mij ongelukkige, op wiens de vervloeking gewijd hoofd zich zoveel rampen tegelijk opstapelen. De onmetelijke, tot in het diepste van mijn wezen doorgedrongen smart verhindert mij het verdere spreken. Ik bid u lezer, wie u ook mag zijn, heb deernis en treed de proeve van ons beiden - zo wij het waard zijn - met die welwillendheid van geest tegemoet, waarmee ze u wordt aangereikt. Vaarwel, mijn lezer, vaarwel'.

Met 'dat wat nu volgt' bedoelt Dousa het staartje van boek VIII en de boeken IX en X, die dus van de hand van Dousa Filius zijn. Het geheel van de tien boeken Annalen in proza wordt voorafgegaan door Iani Dousae Filii Annalium liber singularis, cui Titulus Batavia, 'een afzonderlijk boek Annalen, getiteld Batavia, van de hand van Janus Dousa Filius'. Dit boek dat de geschiedenis van de Bataven in de Romeinse tijd, dat wil zeggen de voorgeschiedenis van het latere graafschap Holland, behandelt, stamt dus eveneens van Dousa Filius. Ook dit boek wordt door de vader met twee jammerklachten besloten, de laatste in de vorm van een grafschrift bestemd voor het graf van zijn zoon en van zichzelf. Door het verdriet over diens dood is immers de vader als het ware ook zelf in dit graf afgedaald:

 Epitaphium, ex meris Iambis.
 Uterque Dousa, uterque Ianus hic cubat,
 Paterque filiusque: morte qua, rogas?
 Pater dolore, natus asthmate, e viae
 Sibi labore quod crearat, occidit.
 Precari at ipse ne gravare mortuis
 Negata vivo utrique quae fuit quies.
  
 (Bat. Holl. Ann. 1601, p. 48)


[p. 71]

Grafschrift, in enkel jamben
'De beide Dousa's, beiden Janus geheten, liggen hier begraven, de vader en de zoon. Ten gevolge van welke dood zult u vragen. De vader stierf uit verdriet, de zoon door de tering die hij door de ontberingen op zijn reis had opgelopen.
Wees zo goed voor de doden de rust af te bidden die hen beiden tijdens hun leven niet vergund was.'

Het epitaaf werd ingevlochten in één van de Manes Dousiani, de lange reeds grafdichten die Dousa in zijn laatste gedichtenbundel zou publiceren.  28  

 

 28  Zie Echo 1603, fol. 108 recto.

Een geschiedwerk in verzen

De verschijning van het geschiedwerk van Dousa vader en zoon in 1601 was voorafgegaan door de uitgave van de metrische Annalen in 1599. Het moet de Staten van Holland met enige verbazing vervuld hebben, toen zij na jaren lang wachten dan eindelijk hun Vaderlandse Geschiedenis kregen aangeboden, niet in proza, maar in een reeks van vele duizenden Latijnse elegische disticha. Dousa had deze verbazing voorzien en zelfs al bij geruchte vernomen, zoals hij te kennen gaf in zijn tweede voorwoord, De poeticae artis cum historia communione et societate (over de samenhang en de verwantschap van de poëzie met de geschiedschrijving):

Quid vero nobis, aliquis vestrum subiecerit (jam enim rumor iste aures tetigit meas) cum tot Dousicorum versuum Centuriis, immo Chiliadibus?... . An ignoras, ita nostratium plaerosque sive Naturae Geniique impulsu, sive disciplinae accessione animatos, ut omnem fere Poetarum consuetudinem, velut aliena lingua loquentium, sibi ac suis interdixerint: utque ab eorumdem lectione, tanquam a Sacris, manus in universum abstineant? nedum ut cognitione eos, vel Censurae suae severitate dignos esse, animum unquam porro inducant credere: si quid ipsis forte numerorum lege constrictum praeter


[p. 72]

exspectatum et velut ex transvorso obiiciatur?
 
(Ann. 1599, sign. *** iiij verso)
'Wat moeten wij, zo zou iemand uwer in het midden kunnen brengen - want een dergelijk gerucht is mij al ter ore gekomen - in 's hemels naam met zoveel honderden, ja duizenden Dousische dichtregels? ... . Is het u niet bekend, dat de meesten van onze landgenoten onder invloed van hun natuur en hun aanleg of doordat het hun zo is aangeleerd, zichzelf en de hunnen vrijwel iedere omgang met dichters ontzegd hebben, als gold het mensen die een vreemde taal spreken en dat zij elke aanraking met poëzie zonder meer vermijden als was het iets heiligs. U hoeft er absoluut niet op te rekenen, dat zij ooit op het idee zouden komen, dat dichters, wanneer die hen iets voorschotelen dat geheel tegen hun verwachting in toevallig ook nog eens in verzen geschreven is, een kennismaking waard zijn. Over een serieuze, kritische beoordeling hoeven we het al helemaal niet te hebben'.

Dousa rechtvaardigde zijn keuze voor de poëtische vorm door te wijzen op de vele stilistische en literaire middelen die hem hierdoor ten dienste stonden om verveling en vermoeidheid bij de lezer te voorkomen.  29   Tegelijkertijd besefte hij terdege wat hij zich hiermee op de hals haalde. Met name de 'barbaarse benamingen van plaatsen, zowel als van personen' waarvan de onwelluidendheid hem de rillingen over de rug deed lopen, lieten zich slechts met eindeloos veel tijd en moeite in de Latijnse versmaten dwingen. Maar, zo stelde hij zelfverzekerd vast, de weerbarstigheid van de materie laat zich zoal niet overwinnen, dan toch door kunstvaardigheid en inzet tot acceptabele vormen reduceren. Hij hield zich daarbij uitdrukkelijk het recht voor zich grote vrijheden te veroorloven 'in het verkorten, verlengen en veranderen' van dergelijke benamingen.  30  

Tot welke halsbrekende toeren de door Dousa geroemde kunstvaardigheid hem dwong, illustreert een passage over een minuscuul paleografisch probleem. Een schenking aan graaf Dirk I stond

 29  Quem quidem subinde aliqua figurarum varietate, atque interpositis temporum ac locorum descriptionibus, similitudinibus, amplificationibus, exemplis, atque Elogiis denique, honestiorem ac vendibiliorem in speciem certe reddere tentavimus, ut sit quod Lectori taedium ac lassitudinem inter legendum abstergere porro atque discutere possit. Quaedam enim vel solius ornatus gratia Poeticis auribus largienda fuerunt. Hinc Apostrophas passim ac digressiunculas interpositas, Orationesque ac dicta personis idemtidem accommodata invenietis: atque huiusmodi quasi Exodiis Martiorum certaminum horrorem atque asperitatem conditam ac temperatam (Ann. 1599, sign. *** iiij verso- **** j recto).
 30  (...) postremo barbarae fere cum locorum, tum personarum appellationes, quarum horror atque asperitas, ipso paene timenda Sono, fastidioso Poeticarum aurium judicio resultans, immane quantum inter versificandum morae molestiaeque nobis, ac bilis in nasum idemtidem conciverit. Sed nihil est, quod non arte atque industria, si non potest vinci, mitigetur paulatim atque emolliatur. Proinde in vocabulis istiusmodi contrahendis, extendendis, inflectendis liberiusculi inderdum fuimus (Ann. 1599, sign. ** iij recto)


[p. 73]

in de kronieken op naam van de Franse koning Karel de Kale. Volgens Dousa was dat onmogelijk, omdat de twee geen tijdgenoten waren. Zo simpel als zijn verklaring van het probleem is (in het bijbehorende jaartal werd abusievelijk een L, 50, gelezen voor een C, 100), zo ingewikkeld is zijn verwoording in Latijnse verzen:

 Unde sed haec labes Chronicis (dic) nata Batavis?
      An quod pulsa suo Littera quincta  31   loco,
 Singula quae nostris designat Saecula Fastis?
      Ter modo scripta, quater  32   quae repetenda fuit.
 Altera cui nota per fraudem successerit, ausa
      Detrahere huic numero quae male dimidium.
 Quinquaginta ex quo factum, mota ordine postquam
      Tertia in undecimam  33   Littera versa semel.
 Proin summam annorum, mihi ut emendanda videtur,
      Retractum e longa quid vetat ire fuga?
 De quinquagenis centum concinnet ut annos
      Tertia, in undecimae rursus itura locum.
 L. nimirum in C. conversa; quattuor  34   autem,
      Quae reliquae, maneant in statione sua,
 Bis senas unamque hiemem per signa notantes.
      Censura hac ecquid lenius esse potest?
 Parva quidem (fateor) mutatio, mille sed una
      Quae maculas nostris eluat e Chronicis;
 Mille rei pariat illustramenta Batavae.
  
 (Ann. 1599, p. 61)
'Hoe is deze fout in de Hollandse Kronieken terechtgekomen? Is het doordat de vijfde letter die in onze chronologische tabellen de eeuwen aanduidt, van zijn plaats verdreven is? De letter die slechts drie keer geschreven is, had vier keer moeten worden aangebracht.
Dit letterteken werd bedriegelijkerwijs verdrongen door het teken dat het zich veroorlooft het getal met de helft te reduceren. Dit resulteerde in het getal vijftig, toen eenmaal de derde letter (van het alfabet) was verwijderd en veranderd in de elfde.
 31  i.m.: DCCC LXIII
 32  i.m.: Hoc exemplo, DCCCC XIII. quomodo et olim exaratum fuerat.
 33  i.m.: C. nimirum in Literam L.
 34  i.m.: XIII.


[p. 74]


Wat is er dus tegen om het jaartal, zoals het naar mijn oordeel verbeterd moet worden, na een lange afwezigheid weer binnen te halen, zodat de derde letter weer de plaats inneemt van de elfde en van vijftig weer honderd jaar maakt.
Anders gezegd, door L in C te veranderen, maar de overige vier cijfers, die staan voor twee maal zes plus één winter, ongewijzigd te laten staan.
Is er iets simpelers te bedenken dan deze emendatie?
Het is, dat beken ik, een geringe wijziging, die echter in één keer in onze kronieken duizend fouten uitwist, en onze Hollandse geschiedenis op duizend plaatsen verheldert.'

Dousa wil, met andere woorden, alleen maar zeggen dat het anachronisme uit de weg geruimd is, wanneer wij in het jaartal DCCCLXIII de vijfde letter, L, veranderen in een C en dus DCCCCXIII lezen.