Echo van het verleden, begroeting van een nieuwe generatieZoals Dousa zelf in het voorwoord verklaarde, was het manuscript van de Annalen niet af toen het gedrukt werd. Misschien voelde hij zich te vermoeid om de ontbrekende stukken aan te vullen. Hij was toe aan rust: 'Ik kan niet ontkennen, zo schreef hij in het voorwoord, 'dat deze fase in mijn leven dat reeds ter kimme neigt, niet afkerig zou zijn van het genot van een eervol otium'. 35 Ook de Annalen in proza, die volgens zijn zeggen al ter perse waren, lieten nog twee jaar op zich wachten. De literatuur en vooral de poëzie moesten het blijkbaar hebben van de spaarzame vrije tijd die zijn werkzaamheden voor het Hof van Holland hem lieten. Ook de levensbestemming van zijn kinderen vroeg zijn aandacht. Het huwelijk van twee van zijn kinderen met telgen uit het Groningse geslacht Ewsum, in 1600 en 1601, bracht tijdrovende reizen met zich mee. In het zomerreces van 1603 vond Dousa eindelijk weer tijd voor een uitvoerig Poema omnium operosissimum, dat wil zeggen een gedicht of liever een cyclus van gedichten, in een alleringewikkeldst genre. Het ingewikkelde bestaat daarin dat in elk even vers het laatste woord een echo is van het voorlaatste. De geestige en spitsvondige gedichten, die in totaal vele honderden verzen tellen, hebben dan ook een toepasselijke titel die ongeveer als volgt vertaald kan worden: 'Echo, of het spel van de vermakelijke weerkaatsing, getiteld Halcedonia.' Het woordspel begint al meteen in de titel, want Halcedonia staat voor 'IJsvogelbroedtijd', een aanduiding |
35 Tametsi diffiteri haud possum, hanc aetatis meae
partem jam ad Occasum inclinantis non abhorrere ab honesti otii dulcedine (Ann.
1599, *** iij verso; voor de onvoltooidheid van het manuscript, cf.
aldaar ** iij recto-verso).
|
|
voor het wintersolstitium. Het allereerste vers daarentegen verplaatst de lezer middenin de zomer:
'Zwaar drukt de zon; de zwoeger smacht naar rust. Het paradoxale gebruik van de Latijnse term Halcedonia, winterse stilte, voor het zomersolstitium, de zomervakantie, met name van de rechterlijke macht, verantwoordt Dousa in het voorwoord met een beroep op zijn geliefde Plautus: De Echo is 'voor het grootste gedeelte het produkt van de tijd dat er, zoals onze komediedichter het zo geestig zegt, op het forum een Halcedonische vakantiestilte heerst'. 36 Het boek waarin de Echo was opgenomen werd door Dousa opgedragen aan Johan van Oldenbarnevelt, de staatsman met wie hij indertijd in Engeland was geweest en met wie hij sinds zijn vestiging in Den Haag veelvuldig van doen had. Aan Van Oldenbarnevelt had hij het ook te danken gehad, dat de Staten van Holland hem ontheven hadden van zijn presentieplicht bij het Hof van Holland. De grotere bewegingsvrijheid die deze gunst met zich meebracht, bood hem de gelegenheid om de gedichten die hij sinds zijn twee laatste bundels (1586) had geschreven, waaronder de Manes Dousiani op zijn in 1596 gestorven zoon Janus, te verzamelen en persklaar te maken. Het boek Echo is in feite de verzameling van de poëzie die Dousa sinds 1586 geproduceerd had. De Echo-gedichten zelf zijn daarvan slechts een klein onderdeel. Een groot aantal gedichten die daarna komen, refereren aan gebeurtenissen en personen waarmee Dousa in de voorafgaande jaren bemoeienis had gehad. |
36 Echo 1603, sign. ** 3 recto: bona
lpsius pars concepta simul nobis fuerit ac nata. quo quidem tempore (sicuti
festive nimium ac lepide argutatur Comicus ille noster) Halcedonia sunt circa
Forum. Voor de toespeling cf. Plautus, Casina 26.
|
Vertrek van Lipsius (1591) en komst van Scaliger (1593)Een gebeurtenis waaraan hij een bittere herinnering had overgehouden, was het vertrek van Lipsius van de Leidse universiteit in 1591. Het inspireerde hem tot een epigram waarin de stad Leiden haar eigen ondergang voorziet, nu de lichtende fakkel van haar universiteit is heengegaan:
'De ondergang van de Leidse Academie ten gevolge van Lipsius' vertrek. De stad zelf is aan het woord. |
37 i.m.: Refer ad primigeniam Oppidi appellationem,
quae Leithen sonat; atque ita etiamnum in vetustissimis Patriae huius nostrae
Monimentis liquido exaratum comparet.
38 i.m.: Ad Facem eius Historicam
Allusio.
|
De leegloop van de universiteit ten gevolge van Lipsius' vertrek die Dousa vreesde, werd voorkomen door de briljante wijze waarop in de ontstane vacature werd voorzien. De voormalige student Dominicus Baudius attendeerde Dousa op de geniale geleerde Josephus Scaliger, die zich als Hugenoot in Frankrijk steeds slechter op zijn plaats voelde en daarom misschien wel genegen was Lipsius' plaats in Leiden in te nemen. Dousa, die in zijn Parijse studiejaren Scaliger hoogstwaarschijnlijk al persoonlijk had leren kennen, nam de suggestie onmiddellijk over. Een formele uitnodiging van de curatoren volgde en na de nodige onderhandelingen arriveerde Scaliger in augustus 1593 in Leiden. Hij genoot er grote privileges en hoefde onder meer geen colleges te geven, maar mocht zich tot privé-onderwijs aan enkele uitverkoren studenten beperken. 39 Eén der eersten die dit voorrecht ten deel viel was Dousa's al meer genoemde zoon Janus, een ander Daniël Heinsius, wiens veelbelovende talenten en toewijding aan zijn leermeester hem de bijnaam 'de kleine Scaliger' opleverden; weer een ander het 'mirakel van Delft', de jeugdige Hugo de Groot. Met hen is een nieuwe generatie van hoogbegaafde studenten aangetreden.
|
39 Cf. P.C. Molhuysen, De komst van Scaliger in
Leiden, Leiden 1913.
|
Hugo de GrootDousa begroet, ook in letterlijke zin, deze nieuwe generatie die hem het verdriet over het vertrek van Lipsius weldra doet vergeten met groot enthousiasme. Aan Heinsius' entree te Leiden herinnert de Nederlandse elegie van 'Jonckheer Johan van der Does, Heere van Noortwijck aen Daniël Heins, eerst gekomen sijnde om te studeren tot Leyden'. De elfjarige Hugo de Groot werd door de curator in het Latijn aangesproken:
'Kleine De Groot, waardige oogappel van vader De Groot. |
40 Een aardige visualisering van het tafereel waarin
Dousa de kleine Hugo als binnenkomend student met dit gedicht begroet zou
hebben, vindt men in Annie Romein-Verschoors historische roman Vaderland in
de verte, Amsterdam 1948, p. 53.
|
het alleen in jouw geval aandurfde haar eigen wetten te overschrijden. De aanwezigheid van al dit talent aan zijn universiteit heeft bij de curator nieuwe krachten aangeboord. De nieuwe generatie die hem als de Musarum parens, de 'Vader der Muzen', op handen droeg, nodigde hem telkens weer uit hun eigen werken met een bijdrage van zijn hand op te luisteren.
Een begeesterd en naar moderne smaak lichtelijk hoogdravend epigram begeleidde de uitgave van Hugo de Groots eerste drama, de Adamus Exul (1601), vooral bekend gebleven in Vondels bewerking Adam in ballingschap. Dousa zag de profetie die hij in de begroeting van de elfjarige student had uitgesproken, als het ware in vervulling gegaan met dit grootse bijbelse drama:
'Op de tragedie Adam in ballingschap van Hugo de Groot. burgemeester tot eer strekt, en zijn eigen naam 'De Grote' recht doet. Het gedicht lijkt, indien we het goed verstaan, te suggereren dat Dousa in het voetspoor van Grotius ook zelf zijn krachten nog zou willen beproeven op de tragedie, een genre dat niet eerder door hem beoefend was. 42 Daar is het niet van gekomen. Wel hebben de oude Dousa en de jonge Grotius elkaar tot een ander poëtisch genre geïnspireerd. Het levenslot van gravin Jacoba van Beieren, Dousa zo goed bekend uit zijn historische studiën, verschafte hem de stof voor een heroïsche brief uit naam van Jacoba aan haar oom en politieke tegenspeler Jan van Beieren. Het genre kende Dousa uiteraard uit de Heroides, de heldinnenbrieven van Ovidius. Ovidius schreef bij enkele van deze heldinnenbrieven ook de antwoorden van de mannen tot wie de heldinnen zich richtten. Ook Jacoba's brief werd beantwoord bij monde van Jan van Beieren, echter niet uit de pen van Dousa, maar door Grotius.
Van de vriendschappelijke omgang tussen de nestor der Leidse dichters en het mirakel van Delft getuigen nog verschillende andere gedichten over en weer. Deze betreffen niet alleen literaire gebeurtenissen, zoals het verschijnen van een nieuwe publikatie, maar kunnen ook zijn ingegeven door heel persoonlijke gebeurtenissen, zoals de geboorte van Dousa's eerste kleinkind. 43
|
41 In de marge tekent Dousa hierbij aan: Ob
Buchananum, Principem in omni argumentorum genere Poetam, etiam Tragico
(Schotland kan trots zijn op Buchanan, de vorst der dichters in alle
genres, ook het tragische). Dousa doelt op de door hem bewonderde Schotse
Neolatijnse dichter George
Buchanan (1506-1582), die grote roem oogstte met
zijn bijbelse drama Jephthes.
42 Of toch wel? Als we mogen afgaan op Bertius'
lijkrede, had Dousa als leerling op de Latijnse school reeds een drama
Troas geschreven (Oratio, sign. B 2 recto).
43 Ode in filium Casparis Eusemii Ad Avum Ianum
Dousam. In: Hugo Grotius, Poemata, 1617, p. 228-229.
|
Daniel HeinsiusDousa's contacten met Daniel Heinsius hebben een soortgelijk verloop als die met Grotius. Heinsius, die evenals Grotius al bijdragen had geleverd aan het voorwerk van Dousa's Annalen, boekte in 1602 succes met de opvoering door de Leidse studenten van zijn Auriacus, een dramatisering van de moord op Willem van Oranje. Evenals de Adamus Exul van Grotius, werd ook de uitgave van Heinsius' tekst in 1602 gecompleteerd met een lovend gedicht van de Pater Musarum, die het vernieuwende aspect van het drama, de keuze van historische stof uit het zeer nabije verleden, meteen onderkende:
'Op het Oranje-drama van Daniel Heinsius. |
44 Zoals Dousa in de marge aangeeft, stelt Julius
Caesar Scaliger, de vader van de Leidse Scaliger, in zijn Poetica van
1562 de Ausoonse, Latijnse, tragedieschrijver Seneca boven de Argolische,
Griekse, tragici Âeschylus, Sophocles en Euripides.
|
ontsproten Ezel, of boven het Amazonenepos van Marsus. Evenzeer als verhalenvertellers moeten plaats maken als de geschiedschrijving aan de orde komt, evenzeer rijst het voltallige publiek op voor mijn Heinsiades. In tegenstelling tot Grotius die in de diplomatie belandde, was Heinsius inmiddels een carrière aan de Leidse universiteit begonnen. Dit gaf hem de gelegenheid tot regelmatige contacten met Dousa, ook al woonde deze in Den Haag. Verscheidene gedichten en vooral brieven vormen hiervan de neerslag. Het levendigste bewijs van de verering waarmee de jonge generatie van Leidse dichters haar patronus omringt, is misschien wel Heinsius' ecloga 'Nordowicum sive Infelix Amor', 'Noordwijk of Ongelukkige Liefde'. De namen van drie van de vier personages die in het speelse herdersdicht optreden, Tityrus, Lycidas en Nisa, zijn rechtstreeks ontleend aan het antieke genre. De enscenering |
45 Zoals bekend stamde Heinsius uit een Gents gezin
dat de Calvinistische religie aanhing en daarom in 1585 naar de Noordelijke
Nederlanden was uitgeweken. Heinsius was dus in zekere zin een balling in
Leiden.
|
|
daarentegen is een rechtstreekse hommage aan Dousa: het tafereel speelt zich niet af in een traditioneel bucolisch landschap als Arcadië, maar in het ruige duinlandschap rond Noordwijk. Daar vond Dousa de rust die hij in zijn dagelijkse werk ontbeerde en daar ontving hij zijn bezoekers uit het nabije Leiden. Iets van het heimwee naar de bucolische rust die Dousa met zijn gasten in zijn kustdorp vond, zien we gereflecteerd in de openingsverzen van Nordowicum:
'Helaas, Dousa, wij dichters, wier lieflijke gezangen door het stadsleven en de banale beslommeringen van een redeloze massa doorkruisd worden, hoe weinig vrijheid hebben wij in vergelijking met hen die zich in de rust van het open veld een leven vrij van zorgen kunnen permitteren, te midden van de dieren, in het ruige duinlandschap, op lommerrijke plekjes, in aanminnig gezelschap van de geesten van het land.
Het gedicht werd in 1602 gedrukt en ook nu weer door Heinsius persoonlijk bij Dousa, ditmaal in Den Haag, afgeleverd.
|