[p. 75]

Echo van het verleden, begroeting van een nieuwe generatie

Zoals Dousa zelf in het voorwoord verklaarde, was het manuscript van de Annalen niet af toen het gedrukt werd. Misschien voelde hij zich te vermoeid om de ontbrekende stukken aan te vullen. Hij was toe aan rust: 'Ik kan niet ontkennen, zo schreef hij in het voorwoord, 'dat deze fase in mijn leven dat reeds ter kimme neigt, niet afkerig zou zijn van het genot van een eervol otium'.  35   Ook de Annalen in proza, die volgens zijn zeggen al ter perse waren, lieten nog twee jaar op zich wachten. De literatuur en vooral de poëzie moesten het blijkbaar hebben van de spaarzame vrije tijd die zijn werkzaamheden voor het Hof van Holland hem lieten. Ook de levensbestemming van zijn kinderen vroeg zijn aandacht. Het huwelijk van twee van zijn kinderen met telgen uit het Groningse geslacht Ewsum, in 1600 en 1601, bracht tijdrovende reizen met zich mee. In het zomerreces van 1603 vond Dousa eindelijk weer tijd voor een uitvoerig Poema omnium operosissimum, dat wil zeggen een gedicht of liever een cyclus van gedichten, in een alleringewikkeldst genre. Het ingewikkelde bestaat daarin dat in elk even vers het laatste woord een echo is van het voorlaatste. De geestige en spitsvondige gedichten, die in totaal vele honderden verzen tellen, hebben dan ook een toepasselijke titel die ongeveer als volgt vertaald kan worden: 'Echo, of het spel van de vermakelijke weerkaatsing, getiteld Halcedonia.' Het woordspel begint al meteen in de titel, want Halcedonia staat voor 'IJsvogelbroedtijd', een aanduiding

 35  Tametsi diffiteri haud possum, hanc aetatis meae partem jam ad Occasum inclinantis non abhorrere ab honesti otii dulcedine (Ann. 1599, *** iij verso; voor de onvoltooidheid van het manuscript, cf. aldaar ** iij recto-verso).


[p. 76]

voor het wintersolstitium. Het allereerste vers daarentegen verplaatst de lezer middenin de zomer:

 Sol gravis, et fesso requies opus. Aura ades, aestum
      Quaerenti umbrosa fallere sede. Sede.
  
 (Echo 1603, fol. 1 recto)
'Zwaar drukt de zon; de zwoeger smacht naar rust.
Koele bries, breng hem verkwikking, nu hij de zomerhitte zoekt te ontsnappen en in de schaduw gaat zitten. Zitten!'

Het paradoxale gebruik van de Latijnse term Halcedonia, winterse stilte, voor het zomersolstitium, de zomervakantie, met name van de rechterlijke macht, verantwoordt Dousa in het voorwoord met een beroep op zijn geliefde Plautus: De Echo is 'voor het grootste gedeelte het produkt van de tijd dat er, zoals onze komediedichter het zo geestig zegt, op het forum een Halcedonische vakantiestilte heerst'.  36  

Het boek waarin de Echo was opgenomen werd door Dousa opgedragen aan Johan van Oldenbarnevelt, de staatsman met wie hij indertijd in Engeland was geweest en met wie hij sinds zijn vestiging in Den Haag veelvuldig van doen had. Aan Van Oldenbarnevelt had hij het ook te danken gehad, dat de Staten van Holland hem ontheven hadden van zijn presentieplicht bij het Hof van Holland. De grotere bewegingsvrijheid die deze gunst met zich meebracht, bood hem de gelegenheid om de gedichten die hij sinds zijn twee laatste bundels (1586) had geschreven, waaronder de Manes Dousiani op zijn in 1596 gestorven zoon Janus, te verzamelen en persklaar te maken. Het boek Echo is in feite de verzameling van de poëzie die Dousa sinds 1586 geproduceerd had. De Echo-gedichten zelf zijn daarvan slechts een klein onderdeel. Een groot aantal gedichten die daarna komen, refereren aan gebeurtenissen en personen waarmee Dousa in de voorafgaande jaren bemoeienis had gehad.

 36  Echo 1603, sign. ** 3 recto: bona lpsius pars concepta simul nobis fuerit ac nata. quo quidem tempore (sicuti festive nimium ac lepide argutatur Comicus ille noster) Halcedonia sunt circa Forum. Voor de toespeling cf. Plautus, Casina 26.


[p. 77]

Vertrek van Lipsius (1591) en komst van Scaliger (1593)

Een gebeurtenis waaraan hij een bittere herinnering had overgehouden, was het vertrek van Lipsius van de Leidse universiteit in 1591. Het inspireerde hem tot een epigram waarin de stad Leiden haar eigen ondergang voorziet, nu de lichtende fakkel van haar universiteit is heengegaan:

 Academiae Lugdunensis ex discessu Lipsii interitus.
 Urbs ipsa loquitur.
  
 Auraicum in Batavis, Hospes, ne quaere Lycaeum;
      Haec fuerant pridem, nunc Schola nulla mihi.
 Illa ego, Lugduni celebris quae nomine nuper,
      Nunc unum hoc possum dicere, Leida Fui.
 Prima igitur quisquis Lethen  37   mihi nomina fecit,
      Praesagus nostri funeris ille fuit.
 Forte roges, tanta unde repens mutatio? Lipsi
      Fax  38   abiit: lux hinc omnis adempta mihi.
 Quid mirum, Sole occaso succedere noctem?
      Antiquum ex vero nunc mihi nomen erit.
  
 (Echo 1603, fol. 48 verso)
'De ondergang van de Leidse Academie ten gevolge van Lipsius' vertrek. De stad zelf is aan het woord.
 
Zoek niet, reiziger, naar Oranje's Universiteit in Holland.
Dat was vroeger, nu heb ik zo'n Hogeschool niet meer.
Ik, de stad die voorheen beroemd was om haar naam Leiden,
ik kan nu alleen maar zeggen: Leiden ben ik ooit geweest.
Hij dus die mij ooit bedacht met de naam Leithe, wat
Vergetelheid betekent, hij was de profeet van mijn ondergang.
Vanwaar, vraag je wellicht, deze bruuske ommekeer? De fakkel van Lipsius is weggegaan. Daardoor is mij alle levenslicht ontnomen.
 37  i.m.: Refer ad primigeniam Oppidi appellationem, quae Leithen sonat; atque ita etiamnum in vetustissimis Patriae huius nostrae Monimentis liquido exaratum comparet.
 38  i.m.: Ad Facem eius Historicam Allusio.


[p. 78]


Wat is er vreemd aan, dat op het ondergaan van de Zon de nacht volgt?
Nu heb ik voortaan terecht die oude naam Leithe, de Vergetene.'

De leegloop van de universiteit ten gevolge van Lipsius' vertrek die Dousa vreesde, werd voorkomen door de briljante wijze waarop in de ontstane vacature werd voorzien. De voormalige student Dominicus Baudius attendeerde Dousa op de geniale geleerde Josephus Scaliger, die zich als Hugenoot in Frankrijk steeds slechter op zijn plaats voelde en daarom misschien wel genegen was Lipsius' plaats in Leiden in te nemen. Dousa, die in zijn Parijse studiejaren Scaliger hoogstwaarschijnlijk al persoonlijk had leren kennen, nam de suggestie onmiddellijk over. Een formele uitnodiging van de curatoren volgde en na de nodige onderhandelingen arriveerde Scaliger in augustus 1593 in Leiden. Hij genoot er grote privileges en hoefde onder meer geen colleges te geven, maar mocht zich tot privé-onderwijs aan enkele uitverkoren studenten beperken.  39   Eén der eersten die dit voorrecht ten deel viel was Dousa's al meer genoemde zoon Janus, een ander Daniël Heinsius, wiens veelbelovende talenten en toewijding aan zijn leermeester hem de bijnaam 'de kleine Scaliger' opleverden; weer een ander het 'mirakel van Delft', de jeugdige Hugo de Groot. Met hen is een nieuwe generatie van hoogbegaafde studenten aangetreden.

 

 39  Cf. P.C. Molhuysen, De komst van Scaliger in Leiden, Leiden 1913.

Hugo de Groot

Dousa begroet, ook in letterlijke zin, deze nieuwe generatie die hem het verdriet over het vertrek van Lipsius weldra doet vergeten met groot enthousiasme. Aan Heinsius' entree te Leiden herinnert de Nederlandse elegie van 'Jonckheer Johan van der Does, Heere van Noortwijck aen Daniël Heins, eerst gekomen sijnde om te studeren tot Leyden'. De elfjarige Hugo de Groot werd door de curator in het Latijn aangesproken:



[p. 79]

 Magne Puer, Magni dignissima cura Parentis:
      Nomine sis, dubito, Maior, an ingenio.
 Grande quidem, sed enim debes Maioribus illud:
      Maior at ingenio Laurea parta tibi.
 Omina principiis certe tam grandibus insunt.
      Fallor? an et talis noster Erasmus erat?
 Credo equidem: neque me fallunt praesagia: tam nil
      Vel puerile sapis corde, vel ore sonas.
 Quodque aliis aetas per taedia mille laborum,
      Hoc Natura ultro gratificata tibi est,
 Undecimae vixdum egresso confinia brumae:
      Uno in te Leges ausa migrare suas.
 Quid dignum tanta precer indole? perge Iuventae
      Exemplo, et Genii luce praeire tui.
 Et Lugdunensi jam nunc assuesce Theatro,
      Et Patriae in laudes crescere perge tuae.
 Tempus erit, quum te mox mirabuntur adultum
      Certare Antiquis, exsuperare Novos.
  
 (Echo 1605, fol. 41 recto-verso)  40  
'Kleine De Groot, waardige oogappel van vader De Groot.
Wat Groter is, je naam of je talent, ik waag het niet te zeggen.
De eerste is wel Groot, maar die heb je te danken aan je "Grote" voorouders;
Groter zijn de lauweren echter die je door je talent geschonken zijn.
In zo'n grootse herkomst ligt beslist een voorspelling.
Vergis ik mij, of was ook met onze Erasmus iets dergelijks het geval?
Dat is stellig mijn indruk; mijn voorgevoelens bedriegen mij niet, zozeer ontbreekt het kinderlijke in wat je hart denkt of je mond spreekt.
En wat anderen in een lang leven en met eindeloze inspanningen verwerven, dat is jou, met nog nauwelijks je elfde winter achter je, in de schoot geworpen door de Natuur, die
 40  Een aardige visualisering van het tafereel waarin Dousa de kleine Hugo als binnenkomend student met dit gedicht begroet zou hebben, vindt men in Annie Romein-Verschoors historische roman Vaderland in de verte, Amsterdam 1948, p. 53.


[p. 80]

het alleen in jouw geval aandurfde haar eigen wetten te overschrijden.
Welke wens kan ik uitspreken die past bij zo'n talent? Ga voort de Jeugd door je voorbeeld en het licht van je genie de weg te wijzen, en gewen je nu reeds aan de Leidse Tribune. Ga voort op te groeien voor prestaties die je vaderland tot eer strekken.
De tijd zal weldra komen, dat men jou, volwassen geworden, met verwondering de antieken naar de kroon zal zien steken en de modernen zal zien voorbijstreven.'

De aanwezigheid van al dit talent aan zijn universiteit heeft bij de curator nieuwe krachten aangeboord. De nieuwe generatie die hem als de Musarum parens, de 'Vader der Muzen', op handen droeg, nodigde hem telkens weer uit hun eigen werken met een bijdrage van zijn hand op te luisteren.

 

Een begeesterd en naar moderne smaak lichtelijk hoogdravend epigram begeleidde de uitgave van Hugo de Groots eerste drama, de Adamus Exul (1601), vooral bekend gebleven in Vondels bewerking Adam in ballingschap. Dousa zag de profetie die hij in de begroeting van de elfjarige student had uitgesproken, als het ware in vervulling gegaan met dit grootse bijbelse drama:

 In Adamum Exsulem H. Grotii Tragoediam.
  
 Qui Sophoclem, Senecamque legis; quid praeter Homeri
      Somnia, res fictas, et mera monstra legis?
 Quam satius Tragicis digna Argumenta Camoenis
      Volvere de Sacris hausta Voluminibus;
 Artificesque novo suras vincire Cothurno?
      Eveniat nobis hic aliquando furor.
 Qualem de tenero meditatus Grotius ungue,
      Aethereo plenum Numine Syrma trahit.
 Hic Sphynx nulla tibi, nulla hic miracula Scyllae
      Occurrent: Hominem Grotia Musa sonat.
 Mortiferum hic vetita decerptum ex arbore Pomum,


[p. 81]

 
      Adami lapsus, Exiliumque leges:
 Nunc primum en Latio donati atque Urbe Quiritum:
      Debita quae Civi Gloria sola meo:
 Qui Phoebo Delphisque suis; nec Consule tantum
      Patre, sed et Magni nomine dignus ovat.
 Macte, inquis: Quid? si ordo tibi, si spiritus ac vis,
      Si vocum ac rerum pondera nota forent?
 Quae simulac noris, peream, nisi mirabundus
      Mox clames; Fastus Scotia pone tuos.
 Ardua res, Iephten Scenae ostentasse Latinae.
      (Plus Matri nunquam debuit illa suae)
 Maius opus, Primos Paradiso eduxe Parentes.
      Hei mihi, quam dispar huic status ille fuit?
  
 (Echo 1603, fol. 69 recto-verso)
'Op de tragedie Adam in ballingschap van Hugo de Groot.
 
U, die Sophocles en Seneca leest, waarom leest u buiten de dromen van Homerus ook nog hun gefantaseerde verhalen en monsterlijke verzinsels?
Geeft het niet veel meer voldoening u te verdiepen in een de Muzen der Tragedie waardige, aan de Gewijde Geschriften ontleende thematiek en deze in tragische gestalten ten tonele te voeren? Moge over ons nog eens die poëtische inspiratie komen die De Groot al op deze jeugdige leeftijd ten deel valt, nu hij de acteurs laat optreden in gewaden waarvan de hemelse goddelijke macht afstraalt.
Hier treft u geen Sfinx, geen wonderverhalen over Scylla.
De Mens zelf is het thema van De Groots Muze.
Hier zult u lezen over de ongeluk brengende appel geplukt van de verboden boom,
over de val van Adam, over zijn ballingschap,
onderwerpen die nu voor het eerst verwoord werden in de taal van Latium en de stad der Quiriten:
een primeur die we danken aan onze stadgenoot,
wiens faam Phoebus en diens Delphi (Delft) en zijn vader de


[p. 82]

burgemeester tot eer strekt, en zijn eigen naam 'De Grote' recht doet.
Nu goed, zult u zeggen, en wat dan nog? Wacht maar tot de structuur, de levendigheid en de dynamiek,
de diepgang van de formulering en de materie u bekend zijn.
Ik durf er m'n leven voor op het spel te zetten dat u, zodra u daarvan kennis genomen hebt, vol bewondering zult uitroepen:
"Leg uw trots af, Schotland".  41   Groots was het Jephta op het Latijnse toneel aan het publiek te tonen (nooit had Schotland meer aan haar antieke voorgangster, Latium, te danken). Grootser nog is het, het eerste mensenpaar uit het Paradijs te geleiden. Ach hoe groot is het verschil tussen die levensstaat en de huidige.'

Het gedicht lijkt, indien we het goed verstaan, te suggereren dat Dousa in het voetspoor van Grotius ook zelf zijn krachten nog zou willen beproeven op de tragedie, een genre dat niet eerder door hem beoefend was.  42   Daar is het niet van gekomen. Wel hebben de oude Dousa en de jonge Grotius elkaar tot een ander poëtisch genre geïnspireerd. Het levenslot van gravin Jacoba van Beieren, Dousa zo goed bekend uit zijn historische studiën, verschafte hem de stof voor een heroïsche brief uit naam van Jacoba aan haar oom en politieke tegenspeler Jan van Beieren. Het genre kende Dousa uiteraard uit de Heroides, de heldinnenbrieven van Ovidius. Ovidius schreef bij enkele van deze heldinnenbrieven ook de antwoorden van de mannen tot wie de heldinnen zich richtten. Ook Jacoba's brief werd beantwoord bij monde van Jan van Beieren, echter niet uit de pen van Dousa, maar door Grotius.

 

Van de vriendschappelijke omgang tussen de nestor der Leidse dichters en het mirakel van Delft getuigen nog verschillende andere gedichten over en weer. Deze betreffen niet alleen literaire gebeurtenissen, zoals het verschijnen van een nieuwe publikatie, maar kunnen ook zijn ingegeven door heel persoonlijke gebeurtenissen, zoals de geboorte van Dousa's eerste kleinkind.  43  

 

 41  In de marge tekent Dousa hierbij aan: Ob Buchananum, Principem in omni argumentorum genere Poetam, etiam Tragico (Schotland kan trots zijn op Buchanan, de vorst der dichters in alle genres, ook het tragische). Dousa doelt op de door hem bewonderde Schotse Neolatijnse dichter George Buchanan (1506-1582), die grote roem oogstte met zijn bijbelse drama Jephthes.
 42   Of toch wel? Als we mogen afgaan op Bertius' lijkrede, had Dousa als leerling op de Latijnse school reeds een drama Troas geschreven (Oratio, sign. B 2 recto).
 43   Ode in filium Casparis Eusemii Ad Avum Ianum Dousam. In: Hugo Grotius, Poemata, 1617, p. 228-229.


[p. 83]

Daniel Heinsius

Dousa's contacten met Daniel Heinsius hebben een soortgelijk verloop als die met Grotius. Heinsius, die evenals Grotius al bijdragen had geleverd aan het voorwerk van Dousa's Annalen, boekte in 1602 succes met de opvoering door de Leidse studenten van zijn Auriacus, een dramatisering van de moord op Willem van Oranje. Evenals de Adamus Exul van Grotius, werd ook de uitgave van Heinsius' tekst in 1602 gecompleteerd met een lovend gedicht van de Pater Musarum, die het vernieuwende aspect van het drama, de keuze van historische stof uit het zeer nabije verleden, meteen onderkende:

 In Auriacum Danielis Heinsii.
  
 Graecorum gravitas ab acumine victa Latino est,
      Scaligero in Tragicis Iudice Hypothesibus.
 Arbitrio cuius uni data palma Poetae,
      Prae tribus Argolicis Vatibus, Ausonio.
 Laus Senecae haec, cui Maiestas, cui spiritus ac vis,
      Cura, nitor, cultus; omnia plena Deo.
 At Vetera haec: nostra sed tempestate Poetae
      Personam Tragici qui ferat, ecquis erit?
 Muretusne? sed hic quid ad Orgia Buchanani?
      Caesaris is, Iephtes Editor iste suae.
 Aeschyleo argumenta vides indicta Cothurno,
      Nec Clytus Nato cognita, nec Sophocli.
 Et dubitas, utrum antistent mendacia veris?
      Illane, an haec pluris sint faciunda tibi?
 Quae tantum iis, quantum Sallustii pagina ficto
      Lucii Asino, aut Marsi praestat Amazonidi.
 At quantum Historiis cedunt Acroamata, tantum
      Heinsiadi assurgunt pulpita cuncta meo:
 Heinsiadi, cui tota Hellas, cui poplite flexo
      Submittit Fasces Pindarus ipse suos.
 Materiem quaeris? Guillelmi hic funera (Lector)
      Principis Hesperia fraude peracta leges.
 Dumque leges, aequare rei mirabere Ephebum


[p. 84]

 
      Pondera Romuleis sic potuisse modis.
 Forsitan et dicas: Proavito qui Lare pulsus
      Talia Leidensi scripsit in Exilio:
 Quid faciet, Patriae compos si quando futurus?
      Lux (precor) o, fatis sit prior illa meis.
 Et licet haec addas: Cui tantum indulsit Olympus,
      Materiem hanc merito legerat ipse sibi:
 Nec verbis, nec rebus ubi sua pondera desint.
      Ne longum faciam, singula conveniunt.
 Vate suo ut Princeps, dignus sic Principe Vates
      Auriaco Heinsiades, Heinsiade Auriacus.
  
 (Echo 1603, fol. 69 verso-70 verso)
'Op het Oranje-drama van Daniel Heinsius.
 
De zwaarwichtigheid der Grieken werd overwonnen door de scherpzinnigheid der Latijnen, aldus de criticus Scaliger in zijn beschouwingen over de tragedie. Volgens diens oordeel verdient de Ausoonse tragicus de erepalm boven de drie Argolische.  44  
Dit eerbetoon geniet Seneca, wiens werk het kenmerk draagt van grootsheid, levendigheid en dynamiek, doorwrochtheid, glans en verfijndheid en dat overal doordrenkt is van het goddelijke.
Dat wat betreft de Antieken. Nu in onze tijd echter, wie is nu de representant van de tragedie?
Muretus, de auteur van het Caesar-drama? Wat betekent dat echter nog, als u het zet naast de Jephthes, het mysterierijke spel van Buchanan?
U ziet onderwerpen die niet worden aangesneden in Aeschylus' drama en onbekend zijn bij Kleito's zoon (Euripides), evenals bij Sophocles. Twijfelt u dan nog of bedriegelijke verzinsels de voorkeur verdienen boven historische feiten, of de eerste dan wel de laatste het hoogst te waarderen zijn?
De laatste verheffen zich even ver boven de eerste als het werk van Sallustius boven de aan de fantasie van Lucius
 44  Zoals Dousa in de marge aangeeft, stelt Julius Caesar Scaliger, de vader van de Leidse Scaliger, in zijn Poetica van 1562 de Ausoonse, Latijnse, tragedieschrijver Seneca boven de Argolische, Griekse, tragici Âeschylus, Sophocles en Euripides.


[p. 85]

ontsproten Ezel, of boven het Amazonenepos van Marsus. Evenzeer als verhalenvertellers moeten plaats maken als de geschiedschrijving aan de orde komt, evenzeer rijst het voltallige publiek op voor mijn Heinsiades.
Heinsiades, voor wie heel Griekenland, voor wie Pindarus in eigen persoon geknield zijn dichtersstaf aan de voeten legt. U vraagt naar het thema? Hier leest u, lezer, over de moord op prins Willem met Spaans verraad gepleegd.
Al lezende zult u met verbazing constateren, dat de jongeman in staat blijkt het gewichtige onderwerp adequaat in Romeinse versmaten te verwoorden.
En misschien zult u verzuchten: "Iemand die, van huis en haard der voorvaderen verdreven en als balling in Leiden neergestreken, zo'n werk kon schrijven, wat zal die presteren, mocht hij ooit weer in zijn eigen vaderland wonen?  45   O, mocht het lot mij toestaan die dag nog te beleven."
En u zou er nog aan toe kunnen voegen: "Een dichter aan wie de Olympus zoveel gaven heeft geschonken, heeft met recht zijn keuze op dit verheven onderwerp laten vallen. Noch de vorm, noch de inhoud ontbreekt het aan de vereiste ernst."
Om kort te gaan, alles is in evenwicht.
Zoals de Prins zijn eigen dichter verdient, zo ook verdient de dichter deze Prins:
Heinsius is Oranje, Oranje Heinsius waard.'

In tegenstelling tot Grotius die in de diplomatie belandde, was Heinsius inmiddels een carrière aan de Leidse universiteit begonnen. Dit gaf hem de gelegenheid tot regelmatige contacten met Dousa, ook al woonde deze in Den Haag. Verscheidene gedichten en vooral brieven vormen hiervan de neerslag. Het levendigste bewijs van de verering waarmee de jonge generatie van Leidse dichters haar patronus omringt, is misschien wel Heinsius' ecloga 'Nordowicum sive Infelix Amor', 'Noordwijk of Ongelukkige Liefde'. De namen van drie van de vier personages die in het speelse herdersdicht optreden, Tityrus, Lycidas en Nisa, zijn rechtstreeks ontleend aan het antieke genre. De enscenering

 45   Zoals bekend stamde Heinsius uit een Gents gezin dat de Calvinistische religie aanhing en daarom in 1585 naar de Noordelijke Nederlanden was uitgeweken. Heinsius was dus in zekere zin een balling in Leiden.


[p. 86]

daarentegen is een rechtstreekse hommage aan Dousa: het tafereel speelt zich niet af in een traditioneel bucolisch landschap als Arcadië, maar in het ruige duinlandschap rond Noordwijk. Daar vond Dousa de rust die hij in zijn dagelijkse werk ontbeerde en daar ontving hij zijn bezoekers uit het nabije Leiden. Iets van het heimwee naar de bucolische rust die Dousa met zijn gasten in zijn kustdorp vond, zien we gereflecteerd in de openingsverzen van Nordowicum:

 Scilicet haud nobis tantum licet esse Poetis
 Dousa, quibus patriaeque urbes, populique furentis
 Dulcia sordentes invadunt carmina curae:
 Quantum quae placidis indulgens ocia campis
 Gens vitae secura suae, pecora inter, et inter
 Saxa, levesque umbras, et mollia numina ruris.
 Pectore securos tranquillo ruminat ignes.
 Tityrus et pulcher Lycidas, huic cura Neaera
 Lusca Neaera quidem, sed enim ditissima lactis:
 Huic Nisae vicinus amor: Nordwicides ambae,
 Ambae formosae Nordwicides: illa capellas
 Promptior, haec dulces compellere doctior haedos.
  
 (Nordowicum 1602, sign. A 2 recto)
'Helaas, Dousa, wij dichters, wier lieflijke gezangen door het stadsleven en de banale beslommeringen van een redeloze massa doorkruisd worden, hoe weinig vrijheid hebben wij in vergelijking met hen die zich in de rust van het open veld een leven vrij van zorgen kunnen permitteren, te midden van de dieren, in het ruige duinlandschap, op lommerrijke plekjes, in aanminnig gezelschap van de geesten van het land.
In hun vredig hart koesteren zij het liefdesvuur dat ongevaarlijk brandt.
Neem Tityrus, neem de schone Lycidas. Voor Lycidas bestaat alleen Neaera. Neaera, helaas, zij mist een oog, maar met haar melk staat ze altijd klaar.


[p. 87]


Tityrus heeft slechts oog voor Nisa. Twee Noordwijkse schonen zijn het, twee schone Noordwijkse meisjes. Kundig hoedt de ene de geitjes, met de speelse bokjes kan de ander beter overweg.'

Het gedicht werd in 1602 gedrukt en ook nu weer door Heinsius persoonlijk bij Dousa, ditmaal in Den Haag, afgeleverd.