[p. 88]

Epiloog

Daniel Heinsius en Hugo Grotius zijn samen met hun leermeester Scaliger de enigen die Dousa's in 1603 verschenen Echo van een begeleidend gedicht hebben mogen voorzien. De lijvige gedichtenbundel werd zijn laatste publikatie. Ruim een jaar later, op 8 oktober 1604, noteerde de hoogleraar Bronchorst in zijn dagboek dat 'heden in Den Haag vroom in Christus ontslapen is Janus Dousa, heer van Noordwijk, Curator der Leidse Universiteit'.  46   In Dousa verloor de Universiteit de laatste ooggetuige die daadwerkelijk betrokken was geweest bij haar oprichting en bij de onstuimige ontwikkeling die zij sindsdien had doorgemaakt.

De diepe indruk die Dousa's verscheiden in Leiden maakte, vond uitdrukking in het ceremonieel waartoe door de Senaat besloten werd. Er werd een week van rouw afgekondigd waarin geen colleges zouden worden gegeven, de hoogleraren werd gelast om bij de begrafenis in Den Haag aanwezig te zijn en Petrus Bertius werd aangewezen om in de Academische zitting de lijkrede uit te spreken. Heinsius tenslotte kreeg de opdracht om Dousa in enigerlei geschrift te gedenken, negotium scribendi aliquid in obitum eiusdem.  47   Bertius' lijkrede, een week na Dousa's overlijden uitgesproken in de Academie, werd spoedig daarop op kosten van de universiteit gepubliceerd. Het gebruikelijke randwerk wordt afgesloten met een kort gedicht van Daniel Heinsius, die zich daarmee echter geenszins van zijn opdracht ontheven achtte. De

 46   E. Bronchorst, Diarium, ed. J.C. van Slee, 's-Gravenhage 1898, p. 114: 8 Octobris pie in Christo obdormivit Ianus Douza, Dominus in Nortwich, Curator Academiae Leydensis.
 47  Molhuysen, Bronnen I, p. 154.


[p. 89]

uitvoering daarvan kreeg de vorm van een Laudatio, die vergezeld ging van een reeks epitaphia, Manes Dousici, geheel in de trant van de overledene, van wie wij reeds de Manes Dousiani op zijn zoon tegenkwamen en die ook zijn vriend Junius al in 1576 met Manes Iuniani herdacht had.

De uitgave van de Laudatio liet blijkbaar enige maanden op zich wachten, want het verschijningsjaar is 1605. Heinsius' tekst suggereert dat het ook hier, evenals bij Bertius, om een lijkrede gaat die in de week van rouw na Dousa's overlijden in de Academie gehouden zou zijn. In tegenstelling tot Bertius geeft Heinsius veel minder biographica. Een detail uit Dousa's laatste levensdagen dat blijkens de Laudatio op de tijdgenoten veel indruk gemaakt heeft, willen we hier niet onvermeld laten. Heinsius beschrijft vrij uitvoerig hoe Dousa op zijn stertbed een voorproef van de vreugde van de onsterfelijkheid mocht smaken: hij waande zich een moment opgenomen in de kosmische beweging der hemellichamen waar hij de muziek der sferen mocht aanhoren. In de werkelijkheid teruggekeerd deed hij verslag van zijn mystieke ervaring aan de rond zijn ziekbed verzamelde kring van verbaasde vrienden. Dat er iets bijzonders aan de hand geweest moet zijn, wordt daardoor bevestigd dat ook de nuchtere Bertius er gewag van maakt. Heinsius wijdt ook nog een apart gedicht in de Manes Dousici aan het gebeuren. Bronchorsts karakterisering van Dousa's vrome ontslapen was meer dan een loze gemeenplaats!  48  

 48   Bertius' Oratio, p. 20; Heinsius' Laudatio, p. 28-30 en p. 51-52: in Harmoniam, Quam paulo ante obitum audire sibi visus est Dousa. 'Op de hemelse muziek die Dousa kort voor zijn dood meende te horen.

Noordwijk, pelgrimsoord voor jonge dichters

Misschien wel de mooiste hommage van de jonge generatie Leidse geleerden is die van Petrus Scriverius. In de Echo had Dousa drie tot Scriverius gerichte gedichten opgenomen. Het laatste daarvan was de gedrukte weergave van het gedicht dat hij eerder in Scriverius' album had aangebracht. Scriverius, die na Dousa's dood de beschikking kreeg over gedeelten van diens handschriftelijke nalatenschap, toonde zijn dankbaarheid met de uitgave van een bloemlezing van Dousa's gedichten, de Poemata Pleraque Selecta (1609). Een soortgelijke hommage kreeg Dousa van één van zijn andere adepten, Janus Gruterus. Gruterus had behoord tot de vroegste

[p. 90]

generatie Leidse studenten. Voor zijn vertrek naar Duitsland in 1585 had hij een uitvoerige inscriptie in Dousa's album aangebracht en misschien op diens instigatie een eigen album aangelegd, waarin Dousa als één der eerste inscriptoren was opgetreden. In 1590 vestigde Gruterus zich in Heidelberg, waar hij Dousa's vriend Melissus als bibliothecaris opvolgde. Hij bleef echter intensieve contacten met de Leidse humanisten onderhouden, onder wie uiteraard Dousa. De uitgewisselde brieven vormen daarvan een sprekend getuigenis. In 1614 liet Gruterus onder het anagram Ranutius Gherus de vierdelige Delitiae Poetarum Belgicorum, een anthologie uit het werk van honderd Neolatijnse dichters uit de Nederlanden, uitgeven. Voor Dousa ruimde hij maar liefst ruim honderd bladzijden in.

Nog decennia lang zullen jonge studenten zich ter bedevaart naar Noordwijk begeven om zich door de genius loci te laten inspireren alvorens hun eerste schreden op het pad der Neolatijnse poëzie te zetten. Evenals Heinsius laat de Duitse dichter Martin Opitz in zijn bucolische poëzie de lammetjes gaarne in de Noordwijkse duinen dartelen. Diens landgenoot Vincentius Fabricius kiest tijdens zijn studie in Leiden Noordwijk zelfs tot zijn woonplaats en vindt er de geïdealiseerde geliefde en metgezellin op zijn wandelingen door de duinen.

 Me mea Nortvicum studio componit inerti,
      Quodque sonat fractis undique littus aquis.
 Heic ego vel totos in littore transigo soles,
      Et mare prospectu metior inde meo:
 Vel procul in tumulis, positisque vagamur arenis:
      Vel prope per campos, blandaque rura feror.
 Saepe haeret lateri tandem exorata Merilla,
      Saepe praeit, lepidae duxque comesque viae.
 Illa diu tristis: sed post lacrimasque, precesque,
      Cum morerer, vitam reddidit illa mihi.
 Nunc quoque si fas est, tandem concedit amari.
      Nunc quoque si fas est credere, forsan amat.
 Sic mihi tempus abit: virides sic curritis anni.
      Di faciant, vitae sit modus iste meae.
  
 (Fabricius, Secessus, p. 55)


[p. 91]

'Mijn Noordwijk en zijn kust met het alom klinkend geluid van de branding verzoent mij met mijn trage studiezin.
Hier breng ik hele dagen op de kust door
en van hier tuur ik met mijn blik de zee af,
of wij zwerven in de verafgelegen duinen en zandverstuivingen,
ofwel in de velden en lieflijke landerijen dichtbij het dorp.
Vaak loopt Merilla, na veel smeken, gearmd aan mijn zijde;
vaak loopt ze vooruit, mijn gids en metgezel langs het schilderachtige pad.
Heel lang was zij onverbiddelijk, maar toen ik aan mijn tranen en gebeden was bezweken, heeft zij mij het leven teruggeschonken.
Nu, als ik het mag geloven, heeft ze me eindelijk toegestaan haar te beminnen,
nu, als ik het mag geloven, voelt ze misschien zelfs iets voor mij.
Zo gaat mijn tijd verloren; zo vliedt gij heen, mijn groene jaren.
Mogen de goden geven, dat aan dat leven een eind komt.'

Hier, in Noordwijks duinen, voelt Fabricius de geest van Dousa rondwaren. Deze ervaring krijgt bijzonder reliëf, wanneer Fabricius bij een bezoek aan het afgelegen landgoed van de heren van Noordwijk plotseling oog in oog staat met een indrukwekkend schilderij waarop de vereerde dichter samen met zijn echtgenote en zijn talrijke kinderschare is geportretteerd.  49  

 Heic quoque famosos miratus adoro penates,
      Et cineres Dousae, reliquiasque tui.
 Quaeque viri vultum, totamque ex ordine prolem
      Aedibus in medii picta tabella refert.
 Talis Dousa fuit, cum quantum posset in armis
      Sensit, et at Leidae moenia sedit Iber.
 Talis erat, quoties solitos cantaret amores
 49  Het familieportret is nu in het bezit van Stedelijk Museum de Lakenhal. Zie albeelding p. 92/93.


[p. 92]

 
      Sive, Secunde, tuos carmine, sive suos.
 Ah quoties spretoque foro, curisque remissis,
      Nortvicum lepidas transtulit ille Deas?
 Cantantem quoties virides per prata Napaeae
      Formosa obstupuit pone secuta cohors?
 Ipse pater Triton, Batavae Nereides ipsae
      Attonitae fluctus deseruere suos.
  
 (Fabricius, Secessus, p. 55-56)


 



[p. 93]

'Hier ook aanschouw ik in aanbidding de faamrijke penaten en de as en de overblijfselen van uw  50   Dousa, en het gelaat van de man en de gehele kinderschaar één voor één, zoals die is weergegeven op het schilderij in het hoofdvertrek van het huis.
Zo zag Dousa er uit, toen hij zich bewust was wat hij met de wapens vermocht en toen de Spanjaard voor Leidens muren lag. Zo zag hij er uit, telkens wanneer hij in een lied de vertrouwde liefdes bezong, hetzij die van u, Secundus, hetzij die van hemzelf. Ach hoe vaak liet hij zijn rechterlijk ambt voor wat het was, zette zijn verplichtingen opzij en bracht de geestrijke zanggodinnen over naar Noordwijk.
 50  De aangesprokene is Daniel Heinsius.


[p. 94]


Hoe vaak gingen de groene dalnimfen, de schone schare, vol verbazing door de weilanden achter de zanger aan?
Zelfs vader Triton, zelfs de Hollandse zeenimfen, kwamen vol verwondering uit de golven gestapt.'

De bewondering voor de poëzie van Dousa die in dit en vele andere gedichten uit de eerste decennia van de zeventiende eeuw doorklinkt, werd geleidelijk minder en zou in de loop der eeuwen vrijwel geheel verstommen. Pas in onze eeuw zal de dichter delen in de hernieuwde belangstelling voor de Neolatijnse literatuur en nieuwe lezers voor zich winnen.