terug  begin  verderprepost
[p. 34]



illustratie
Grafheuvels op de Ermelose Heide.

[p. 35]

Grafheuvels

Drie- à vierduizend jaar geleden waren zerk en graf in onze streken vaak één: de dode werd net onder het maaiveld bijgezet en vervolgens in één keer gemarkeerd én afgedekt met een forse lading zand en vooral plaggen. We hebben het over lang vóór de invoering van de Wet op de Lijkbezorging, dus deze grafheuvels waren ook toegestaan op markante hooggelegen punten of rustiek langs een beekdal. Het resultaat is in circa 1700 gevallen bewaard gebleven, vooral op droge zandgronden. Aan de basis hebben de heuvels een doorsnee van 10 tot 25 meter, de hoogte varieert tussen vijftig centimeter en twee meter vijftig. In Drenthe zijn er meer dan 500 bekend, in Brabant 192, in Friesland 1. De grootste concentratie grafheuvels ligt op de Veluwe: ongeveer 640 in totaal, en daarvan zijn er niet veel zo mooi gelegen als de vijf op de Drieberg, op de Ginkelse Heide.

Ik parkeer mijn auto langs de oude weg Ede-Arnhem en loop door een heide- en bramenvegetatie naar de nabijgelegen heuveltop, waar een paar kleine symmetrische, halfronde verhogingen sinds de bronstijd, mogelijk al sinds de late steentijd, de aandacht trekken. Grafheuvels ogen wat minder megalomaan dan de 4700 jaar oude hunebedden, en toch net weer even chiquer dan de urnenvelden die een jaar of 2500 geleden mode werden. Gelukkig is het slecht weer. Het regent net niet, maar een verse depressie zorgt voor donkere, turbulente wolkenmassa's rondom de gestaag groter wordende tumuli. Op een moment als dit en een plaats als deze ben je zo dicht bij de prehistorische medemens als het enorme tijdsverschil toestaat. Degenen die hier tot stof wederkeerden en de nabestaanden die deze grond opwierpen, zijn in elk geval over één ding duidelijk: ze wilden graag dat de heuvels gerespecteerd zouden worden, ook door ons.

Op het eerste gezicht lijkt toezicht niet nodig. De grafheuvels op de Drieberg zien er erg netjes uit, ook van dichtbij. Storend is alleen dat een ettelijke meters breed zandpad voor militaire voertuigen de oude begraafplaats doorklieft. Van enkele heuvels is de rand van de voet tevens berm voor de drietonners van de landmacht. Maar nog verontrustender is de tekst op een explicatiebord dat de Recreatiegemeenschap Veluwe en de anwb hier neerzetten: in 1924 zijn de ker-

[p. 36]



illustratie
De beste plaats om de oudheden in het landschap te leren kennen, is ter plekke, in het landschap zelf. Explicatieborden kunnen daar veel duidelijk maken. De laatste jaren zijn honderden van dergelijke borden geplaatst bij oude landschapselementen, zoals hier op de Ginkelse Heide.

nen van deze grafheuvels waarschijnlijk geplunderd, en in 1967 zijn ze gerestaureerd door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek. Een ander, veel kleiner bord, geeft aan dat de hele locatie niettemin een archeologisch monument is.

 

Het is niet waarschijnlijk dat iemand de Nederlandse grafheuvels beter kent dan drs. Redmer Klok, hoofd van de afdeling Beschrijving en Monumentenzorg bij de rob in Amersfoort.

In Nederlandse grafheuvels valt maar weinig te halen. Er zijn enkele bescheiden gouden grafgiften bekend, beaamt Klok, ‘maar om goud te vinden kun je beter naar een juwelier stappen. En het aardewerk dat je eruit halt, is allemaal in elkaar gedrukt.’ Op stoffelijke overschotten hoeft al helemaal niet gerekend te worden, in elk geval niet in grafheuvels op zandgronden. Door ontkalking is niets overgebleven van de botten. Soms wordt nog wel eens een kapsel van een

[p. 37]

kies gevonden, of een lijkschaduw in het zand.

Schendingen van prehistorische graven zijn de laatste jaren gelukkig erg zeldzaam. En het slechte nieuws: bij de meeste grafheuvels zijn de bijzetting en de eventuele grafgiften er al lang en breed uitgehaald. Er valt niet zo gek veel meer te schenden. Klok: ‘Het klassieke patroon voor ons van de rob is een grafheuvel met een depressie in de top.’

Behalve de mens heeft ook het konijn veel schade aangericht, om nog maar te zwijgen van de boomwortel. De westenwind heeft grafheuvels in het verleden soms een stukje verplaatst, en nu lijkt de zure regen een nieuwe aanslag op de inhoud te plegen. Hoe ernstig die is, is overigens onbekend, benadrukt Klok. Er wordt onderzoek naar gedaan, maar voorlopig is het een schimmige kwestie. ‘Enerzijds is er geen enkele reden om nu een grafheuvel op te graven; het is beter om ze goed te bewaren want in de toekomst zullen er betere technieken en methodieken zijn en valt er meer uit te halen. Maar anderzijds: de informatie die erin zit gaat nu geleidelijk verloren, onder meer door de zure regen, zonder dat we daar iets aan kunnen doen. Het proces valt alleen te vertragen.’

Beheer is dus nodig. Veel grafheuvels en hun directe omgeving zijn beschermd krachtens de Monumentenwet. Veel grafheuvels ook niet, en voor die laatste categorie zit de wet vreemd in elkaar. Voor het hele Nederlandse bodemarchief, onbeschermde grafheuvels incluis, geldt dat ‘moedwillig’ graven naar oudheden alleen is toegestaan aan het personeel van een paar universiteiten, het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, gemeentelijke archeologen en de rob. Maar je mag een onbeschermde grafheuvel wel met een bulldozer verwijderen om ruimte te maken voor een bungalow, of desnoods zomaar, als de grond van jou is.

Om dat te voorkomen streeft de rob ernaar om gebieden met onbeschermde grafheuvels in gemeentelijke bestemmingsplannen een niet-agressieve bestemming te laten krijgen. Nadrukkelijke vermelding op bestemmingsplan-kaarten helpt ook al een heleboel, en het zóu natuurlijk enorm helpen als ze allemaal op de 1:25.000-serie van de Topografische Dienst zouden staan.

‘Moedwillige destructie is een zeldzaamheid,’ aldus Klok. ‘Maar het is wel voorgekomen dat er ineens grafgiften uit een bouwput naar boven kwamen. Men wist gewoon niet dat er een grafheuvel was.’

De grafheuvel die door bouwvakkers, boeren of wegenbouwers wordt bedreigd, kan volgens Klok alsnog tot monument verklaard

[p. 38]

worden. In extreme gevallen - het is al vijftien jaar niet nodig geweest - is opgraven de enige resterende mogelijkheid. Opgraven is vernietigen, maar in sommige gevallen is het volgens Klok tevens ‘de ultieme vorm van monumentenzorg’.

Voor de grote massa van het Nederlandse grafheuvelbestand, monument of niet, zijn de gevaren subtieler. Klok weet inmiddels dat een verhoging in het terrein een grote aantrekkingskracht heeft op ruiters, wandelaars en bereiders van mountainbikes. Vaak moeten nieuwgevormde wandelroutes over grafheuvels worden omgelegd. Klok: ‘De allerbeste bescherming is gewoon dat je 'm netjes maakt, en daarna moet er een aantal jaren passeren voordat de heuvel weer in het landschap past.’

Restaureren is voor de rob niet ‘terug naar de bronstijd’, maar terug naar vóór de verstoring. Een proefsleuf, bodemmonsters en stuifmeelonderzoek moeten duidelijk maken hoe de situatie was voordat de gek met de schep langskwam of de nozem op zijn Berini. Maar ook die sleuf en die proefboringen zijn aanvallen op de oudheid. Klok: ‘Als je iets herstelt moet je weten hoe het eruitgezien heeft - en tegelijkertijd zijn we erg huiverig om heuvels te herstellen, want daarvoor moeten we eerst enig onderzoek doen, en dus verwoesten.’ Alleen wanneer een grafheuvel volledig door archeologen is onderzocht, en dus ook volledig is vernietigd, kan de vorm van duizenden jaren geleden worden teruggebracht: inclusief eventuele palenkrans(en), soms een greppel, en heel soms, bij de zeldzame ringwalheuvels, ook nog een lage wal tussen heuvel en greppel.

Behalve door een greppel en soms een wal, worden alle beschermde grafheuvels ook omgeven door een denkbeeldige lijn op tien meter afstand van de voet, die de beschermde zone begrenst. Vroeger was dat anders; toen werd gemakshalve een heel kadastraal perceel beschermd als daar een mooie grafheuvel in lag. Soms ging het om ettelijke hectaren: daar mocht de grondeigenaar dan ineens geen spade meer in steken zonder schriftelijke ontheffing van de minister. De tien-meterzone is zeker rechtvaardiger, maar volgens Klok niet ideaal: toch weer te klein. ‘Bij de rob, en ook in bredere archeologische kring, willen we eigenlijk af van die bloempotbescherming. Waar mogelijk moeten we naar grotere eenheden. Het klinkt in elk geval goed - je voelt je een sukkel dat je daar nog niet mee bezig bent. Maar om in Nederland grote gebieden te gaan beschermen.... Overal zijn duizend gebruikers en iedereen moet zijn geld verdienen.’

[p. 39]



illustratie
Gerestaureerde grafheuvels op de Rechte Heide bij Goirle. Boven een ringwalheuvel. De onderste drie zijn opnieuw door paalkransen omgeven. De plaatsen waar de palen oorspronkelijk stonden, zijn door bodemverkleuringen precies bekend.

[p. 40]

Opgraven of niet?

Opgraven betekent in veel gevallen uitgraven. Oude gebouwen die na een paar duizend jaar geheel of gedeeltelijk schuilgaan onder een laag bodemmateriaal, kunnen na zo'n opgraving weer gaaf te voorschijn komen. Bij aarden monumenten ligt dat anders. Een half opgegraven grafheuvel is vrijwel weerloos. De archeologische praktijk was daarom lange tijd om ze helemaal op te graven, of helemaal niet natuurlijk. Dat laatste is tegenwoordig in Nederland de trend. Alleen wanneer een grafheuvel verloren dreigt te gaan onder nieuwbouw of andere planologische ingrepen, is opgraving gerechtvaardigd. Voor het overige geldt dat de huidige staat de veiligste is, maar met twee aantekeningen. Vooral in de negentiende eeuw zijn in Nederland nogal wat grafheuvels geplunderd door schatgravers: even snel een kuil graven vanaf de top naar beneden, en kijken of je iets tegenkomt. Een ongerepte grafheuvel wordt door do rob soms beschermd - tegen de konijnen voorat - met een mat van geplastificeerd staaldraad, net onder de begroeiing op de heuvel. En andere, meer eigentijdse bedreiging is zure regen. Artefacten, menselijke resten en bodemsporen die het duizdenden jaren onder de grond hebben uitgehouden, worden nu misschien aangetast of zelfs vernietigd door chemicaliën uit de Rijnmond en het Ruhr-gebied die meekomen met het doorsijpelend grondwater. Voortopig ligt de nadruk op ‘misschien’: er wordt onderzoek naar gedaan, dat bij het ter perse gaan van deze tekst nog geen uitslag had opgeleverd.

Er zijn veel redenen om grafheuvels niet op te graven, tenzij zich een dwingende reden aandient. Ten eerste is het al vaak genoeg gedaan, en dat heeft een weelde aan resultaten opgeleverd. Tal van oudheidkundige musea in Nederland tonen wat daarbij gevonden werd. Minstens zo belangrijk is dat de wetenschap nog altijd grote vorderingen maakt, en dat vermoedelijk ook zal blijven doen. Het staat wel vast dat een opgraving over vijftig jaar veel mer informatie zal opleveren dan nu, en over honderd jaar nog meer, aangenomen dat de wetenschap in de tussentijd vorderingen zal blijven maken.

Als er toch gegraven moet worden, bedacht professor A.E. van Giffen (1884-1973), de grondlegger van de moderne Nederlandse opgravingstechniek, kan dat slimmer, beter en handiger kwadrantsgewijs dan over het hele oppervlak in één keer. Zijn kwadrantenme-

[p. 41]



illustratie
Onderzoek van een gratheuvel met de ‘kwadrantenmethode’. Horizontale en verticale structurering van de heuvel zijn zo in een oogopslag te zien. Ook bij het opgraven van andersoortige monumenten is het tegenwoordig gebruikelijk wallen te laten staan.

thode was ook internationaal gezien een vondst, zo'n idee waarvan je je afvraagt waarom niemand er ooit eerder op gekomen is.

De werkwijze is deze: over de heuvel worden twee haakse lijnen getrokken die elkaar ten noordoosten van het middelpunt snijden. Dan worden het grootste kwadrant (zuidwest) en het kleinste (noordoost) geheel afgegraven, en vervolgens de twee resterende kwadranten grotendeels. Langs de kwadrantgrenzen blijven aarden muurtjes van een paar decimeter breed staan. De winst is drieledig. Ten eerste krijg je zo een driedimensionaal beeld van de inhoud van de heuvel. Ten tweede blijft er toch iets van bestaan, dus voor toekomstige archeologen valt er ook nog wat te halen. Want een grotendeels verwoeste heuvel bevat toch nog veel informatie. Zelfs als de centrale bijzetting geheel verdwenen is kunnen ongeschonden fragmenten veel vertellen over de bouwwijze, de fasering van het gebruik, en het landschap van toen. Ten derde vergemakkelijkt opgraven met de kwadrantenmethode de ‘restauratie’. De mooiste Nederlandse grafheuvels zijn allemaal ooit opgegraven, al dan niet met do kwadrantenmethode. Vervolgens zijn ze gerestaureerd in hun vermoedelijke oorspronkelijke vorm, soms zelfs inclusief greppel rondom en een krans van houten palen.

prepostterug  begin  verder