terug  begin  verderprepost
[p. 42]

Raatakkers of Celtic fields

Tot voor 2700 jaar, toen de ijzertijd begon, verbouwden Nederlandse boeren hun gewassen gewoon maar een beetje tussen de restanten van het bos dat voor de landbouw plaats had moeten maken, en ze namen nauwelijks de moeite om veldkeien te verwijderen. De akkers mochten niet te ver van de dorpen liggen, en de dorpen niet te ver van open water. In putten graven had niemand zin, en het was ook nog niet zo nodig. Op potentiële landbouwgrond die te ver van open water lag, regeerde tot de ijzertijd de natuur. De droge delen van de Veluwe bijvoorbeeld, werden niet gebruikt en waren onbewoond.

Op die akkers vol stronken en keien bleef veel ruimte onbenut, en je kon er ook niet makkelijk ploegen. Dat hinderde betrekkelijk weinig, tot de bevolkingsdruk belangrijk begon toe te nemen, en de vraag naar meer-rijïge gerst, emmertarwe, pluimgierst, huttentut en boekweit navenant steeg. Omstreeks 700 v.C. kreeg iemand - het kan een Deen geweest zijn, een Duitser, een Nederlander, een Brit een Belg - het briljante idee om alle stenen en boomstronken van de akkers te verwijderen en ze aan de zijkant van de percelen te gooien. In een complex van aaneensluitende akkers kon elke wal dus van twee zijden gebruikt worden. Qua afmetingen waren de percelen ploeg vriendelijk: een meter of veertig bij veertig. ‘Ploeg’ was in de ijzertijd overigens niet de zoden - kerende ploeg van nu, maar het eergetouw: eigenlijk niet meer dan een stevige stok met een ijzeren bescherming aan de punt, die door ossen verticaal door de akker werd getrokken.

Nieuw was ook dat de vruchtbaarheid van de akkers op peil werd gehouden door er af en toe nieuwe zoden van elders op de gooien. De oude, uitgewerkte bovenlaag werd dan op de wallen gedumpt, die daardoor zo veel aan breedte en stevigheid wonnen dat er karren over konden rijden.

De boerderijen stonden verspreid in het akkercomplex, en gemakshalve zo dicht mogelijk bij open water, als dat voorhanden was. Maar ook in drogere gebieden waren de laagste plekken favoriet voor huizenbouw, want daar was een waterput sneller gegraven.

Dit landinrichtingsmodel verdient een plaats op de planologische top 10 aller tijden. Als een prairiebrand breidde het zich in een paar

[p. 43]



illustratie
Celtic fields op de zuidflank van het Noordse Veld bij Zeijen. Zie ook p. 126.

[p. 44]

eeuwen uit over de zandgronden van heel Noordwest-Europa en het hield een jaar of duizend stand: tot de sociale structuren die nodig waren voor een dergelijke systematische economie, werden meegesleept in de val van het Westromeinse rijk. De wallen erodeerden door regen en wind, en samen met de akkers verdwenen ze onder onkruid en bos.

 

Een jaar of vijftienhonderd later bel ik aan bij een villa in Amersfoort. Hier woont dr. J.A. Brongers, Nederlands grootste kenner van akkercomplexen uit de ijzertijd. In de jaren 1967-'69 was hij op de Veluwe, ten noordwesten van Vaassen, druk met het graven van sleuven door de vergeten systemen. Aan de hand van luchtfoto's bracht hij vervolgens alle resterende wallen van Drenthe in kaart.

De eerste in Nederland die het verschijnsel beschreef was Johan Picardt, predikant te Coevorden: in Korte beschrijvinge van eenige vergetene en verborgene antiquiteten (Amsterdam, 1660) heeft hij het over ‘heidense legerplaatsen’. Geamuseerd toont Brongers een tekening uit Picardts boek, waarop te zien is hoe honderden heidenen het zich gemakkelijk maken tussen de gestrekte zandlichamen. ‘Picardt dacht dat er halverwege de kruispunten doorgangen in de wallen zaten. De wallen zijn daar inderdaad lager, maar dat komt doordat de wind daar meer vat op ze had dan bij de kruisingen.’

In de achttiende eeuw werd in brede kring aangenomen dat het om Romeinse legerplaatsen ging. Tot voor een paar decennia was die benaming te vinden op de kaarten van de Topografische Dienst, al had C.J.C. Reuvens (1793-1835), de eerste directeur van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, al gesteld dat wallen niet Romeins waren. Van vóór Karel de Grote, zo veel was hem duideijk, maar verder kwam hij niet.

De definitieve correctie werd in 1947 aangebracht door Nederlands belangrijkste prehistoricus van dat moment, professor Albert Egges van Giffen. In zijn inaugurele rede te Amsterdam stelde hij dat deze ‘celtic fields’ oude akkers waren; die benaming was sinds de jaren twintig in Engeland in gebruik. Later is door de bodemkundige Wieringa voorgesteld ze in goed Nederlands ‘raatakkers’ te noemen, te meer daar ze niets met de Kelten te maken hebben. Maar die naam heeft het nooit echt gemaakt.

Al die verwarring had te maken met het ontbreken van opgravingsgegevens. ‘Er viel geen eer aan te behalen,’ verklaart Brongers de

[p. 45]



illustratie

rust rond de velden tot hij er de spade in zette. ‘Ik moest al doende leren hoe celtic fields op te graven, want het was nog nooit eerder gedaan, ook niet in het buitenland.’

Op het eerste gezicht lijken nederzettingssporen archeologisch wat spannender dan akkerwallen, vandaar het gebrek aan eer dat celtic fields een archeoloog te bieden zouden hebben. Toevallig vond Brongers sporen van één huis, maar daar bleef het bij. Het lag in het natte gebied dat de celtic fields bij Vaassen aan drie zijden omsluit. Bij toevallige opgravingen van celtic fields in het Wekeromse Zand in de Tweede Wereldoorlog zijn ook huizen binnen de velden gevonden.

We nemen de kaart van de celtic fields bij Vaassen erbij. Driekwart vierkante kilometer, dat graaf je niet even helemaal op. Er moeten zeker meer huissporen te vinden zijn. Brongers zou graag meer inzicht krijgen in het bewoningspatroon op en rond de Nederlandse celtic fields, maar de kans dat er spoedig licht zal komen in deze kwestie is niet zo groot. Brongers: ‘De archeologen van nu zijn bezig met noodopgravingen, in bedreigde gebieden. En de celtic fields zijn over het algemeen niet bedreigd. Dat kan over een eeuw ook nog.’

Brongers bracht de wallen bij Vaassen nauwkeurig in kaart. In het lijnenpatroon wordt de aandacht getrokken door een afwisseling van viersprongen en driesprongen, en dat verschil blijkt van groot gewicht. ‘Bij die t-kruisingen, daar gebeurt het,’ aldus Brongers. ‘Daar botsen oude en nieuwe ontginningsstructuren. Eerst werden grote rechthoekige eenheden van wallen voorzien. En daarop volgde de invulling met

[p. 46]

kleinere percelen, waarvan de wallen veelal t-kruisingen maakten met de primaire wallen.’

Een groot tijdsverschil is er waarschijnlijk niet geweest tussen de twee ontginningsfasen, en samen getuigen ze van een vrij hoge maatschappelijke organisatiegraad. ‘Na mijn onderzoek zijn in West-Friesland akkerindelingen uit de bronstijd opgegraven, waar de toename van de bevolking wat eerder inzette dan in het oosten van Nederland. Maar daar ontbreekt die twee-fasenontginning, en de akkers sluiten ook veel minder op elkaar aan.’

Bij Vaassen ontdekte Brongers dat de celtic fields werden aangelegd op reeds gebruikt akkerland. Onder de wallen vonden hij en zijn assistenten grote littekens in de bodemstructuur. Vóór de aanleg van de celtic fields hadden daar boomstronken gestaan. Dergelijke sporen van organisch materiaal werden overigens alleen aangetroffen onder de wallen in de lagere, nattere delen van het complex.

Planteresten worden in een vochtige omgeving beter bewaard dan in droge grond, waar zuurstof vrij kan doordringen en volledige oxydatie optreedt. Zo werden in de natte delen van het complex bij Vaassen ook duizenden jaren oude ploegsporen teruggevonden. De punt van het eergetouw scheurde de zandbodem open, humeus materiaal uit de bovenlaag van de akker belandde in de ploegsporen, en dank zij het bodemwater bleef de kleurscheiding intact: donkere voren tussen blank zand. Schaaf juist op die diepte de grond egaal af, dan sta je oog in oog met het werk van een ijzertijdboer en zijn os.

En over ploegen gesproken: voor oudheden hadden de boeren bij Vaassen wel enig respect. Het akkercomplex bij Vaassen omsloot een stuk of tien grafheuvels die toen al 500 à 1000 jaar oud waren. Brongers: ‘Wallen over grafheuvels heen heb ik nergens gevonden, maar we hebben natuurlijk niet alles opgegraven. In de akkers zelf hebben we niet kunnen vaststellen dat er grafheuvels geëgaliseerd zijn. De boeren wisten heel goed dat het graven waren. Ik neem aan dat ze er wel overheen ploegden, al is het niet met zekerheid vast te stellen. De grafheuvels bevinden zich in de drogere delen. Het humeuze materiaal, dat de ploegsporen had kunnen markeren, was daar schaars, en wat er was is volledig geoxydeerd.’

Uit Brongers' berekeningen bleek dat op de wallen veel meer materiaal lag dan er maximaal van de akkers verwijderd kon zijn: het onomstotelijk bewijs voor de aanvoer van materiaal van elders, zoden waarschijnlijk. Daarmee werden de akkers bemest, en ze zorgden ook

[p. 47]

voor een betere vochtregulatie. Brongers: ‘De bevolkingsdruk maakte dat men naar hogere en dus drogere gebieden moest uitwijken, in het oosten van Nederland althans. Bijna alle celtic fields zitten daar op de twintig-meterhoogtelijn. Vers zand is helemaal niet onvruchtbaar, er zitten veel mineralen in, maar je hebt wel humus nodig om het vocht vast te houden.’

Een open vraag is nog of de wallen zelf misschien ook voor landbouw werden gebruikt. ‘Veertig procent van de hele oppervlakte van het complex bij Vaassen bestaat uit wal, en daarin is de correctie voor de uitzakking al verdisconteerd. De lange, doorgaande wallen dienden waarschijnlijk voor transport - maar waarom zou je de andere niet bebouwen als ze zo humeus zijn?’

De Nederlandse celtic fields zijn moeilijk bedreigd te noemen, vooral omdat het er zoveel zijn, duizenden hectaren bij elkaar. Dank zij Brongers zijn alleen al in Drenthe 120 celtic field-complexen bekend, elk van minimaal 50 hectare omvang. Op de Veluwe zijn er ook massa's. In bossen en heidevelden zijn ze vaak nog heel goed te zien, zeker als je weet waar je kijken moet. De wallen zelf zijn na anderhalf milennium erosie vaak niet hoger dan een halve meter, één meter hooguit. Maar de regelmaat van het patroon helpt bij de identificatie. Helemaal eenvoudig zal dat worden in het Wekeromse Zand. De Stichting Het Geldersch Landschap, eigenaar van het natuurgebied, heeft plannen om de raatakkers daar te restaureren, en ze weer te bebouwen met gewassen van toen.

In tegenwoordige landbouwgrond heeft zelfs het eindeloos geploeg van latere boeren de raatakkers niet kunnen vernietigen. Brongers, vol vertrouwen: ‘Het gemiddelde zandtransport heen en weer is ongeveer nul. De mensen kunnen gewoon niet een heel celtic field-complex uitwissen. Kijk naar Angelslo in Drenthe: daar is een nieuwbouwwijk op een celtic field gezet. Had je moeten zien, direct nadat het opgeleverd was: iedereen had een stuk celtic field in z'n tuin. Haha! Ze zijn er nog steeds, alleen staan er nu primula's op.’

Nieuwbouwwijken zijn natuurlijk niet echt bevorderlijk voor het behoud van celtic fields, en Angerlo is niet het enige voorbeeld. Ontginningen, ruilverkavelingen, nieuwe wegen, en niet te vergeten diepploegende boeren, hebben deze eeuw enorme hoeveelheden celtic field aan het landschap onttrokken - en nieuwe komen er zeker nooit meer bij.

prepostterug  begin  verder