Zo'n 1800 jaar geleden werd heel Nederland ten noorden van de Rijn gemeden door de Romeinen. Héél Nederland ten noorden van de Rijn? Nee, want er ligt nog steeds een Romeins marskamp op de Ermelose Heide: 36 kilometer ten noorden van de limes, dus wat je noemt op een dislocatie. Honderdduizenden Nederlandse Asterix-fans zijn bekend met de Romeinse legerkampen Aquarium, Babaorum, Laudanum en Petibonum rond het Gallische dorp ‘dat wij zo goed kennen’ - slechts een enkele benut de mogelijkheid ons binnenlandse exemplaar aan weerszijden van de N302 te inspecteren.
Als een onregelmatige ruit van ongeveer 250 bij 350 meter omsluiten greppels en aarden wallen een binnenterrein van acht hectare waar ooit 6000 legionairs hun tenten opsloegen. Tachtig procent ligt onbereikbaar in een omrasterd bos; de rest wordt met een verrassend gevoel voor continuïteit door de landmacht als oefenterrein gebruikt. Minder verrassend is dat de zuidwestpunt van het kamp ad door tanks aan flarden werd geragd, en dat onze oefenende jongens ook elders voor erosie zorgden: missers uit het verleden, want Defensie voert de laatste jaren een oudhedenvriendelijk oefenbeleid.
Op het vasteland van Europa zijn hooguit tien Romeinse marskampen bekend (in Engeland veel meer). Dit is het enige in Nederland en er wordt dus erg voorzichtig mee omgesprongen. Zelfs opgraven is te bedreigend en het geheel valt onder de Monumentenwet. Maar de aanleg van een nieuwe afvalwaterleiding langs de N302, in 1987, was natuurlijk iets anders en dus verleende de verantwoordelijke minister ontheffing van de Monumentenwet. Wel kreeg de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek gelegenheid het traject te onderzoeken voordat het werd vernietigd.
Het werd de tweede opgraving van dit enorme object. In 1923 had de toenmalige directeur van het Museum van Oudheden in Leiden, J.H. Holwerda, al een paar spaden in de grond laten zetten. De vondsten bleven in hoofdzaak beperkt tot enkele vuurplaatsen en aardewerk, dat volgens Holwerda in de vierde eeuw was gebakken. Hij stelde vast dat het kamp vier ingangen had, elk afgeschermd met een kort walletje aan de buitenzijde, parallel aan de hoofdwal. En dan lag

De zuidwest-punt van het Romeinse marskamp op de Ermelose Heide. De rest ligt in het bos. Zie ook kaart op p. 128.
er dwars door het kamp nog een oost-west lopende greppel die geheel met bodemmateriaal gevuld was geraakt.
Het riooltracé is op de luchtfoto zichtbaar in de linkerbovenhoek, als een open baan door het bos. In 1987 groef de rob hier onder leiding van drs. R.S. Hulst, provinciaal archeoloog van Gelderland, een sleuf door de oeroude wallen en greppels. ‘Het kan zijn,’ speculeert hij, ‘dat de Romeinen van hieruit de omgeving doorkruisten. Elke ochtend vertrokken er een paar detachementen, en 's avonds kwamen ze weer terug: hadden ze in een paar dagen de hele Veluwe verkend.’
Het minst speculatief in het bovenstaande is ‘een paar dagen’, want er zijn geen vondsten gedaan die wijzen op een langdurig verblijf. Huist: ‘Misschien ging het ook om een combinatie van verkenning en
oefening, en was het alleen belangrijk dat ze ervaring opdeden met het maken van een kamp.’ Associaties met de wereld van Asterix, zwaar balende Romeinse infanteristen in het bijzonder, doemen weer op als de mysterieuze wal dóór het kamp ter sprake komt. Hulst: ‘Hij is precies zo gegraven als de andere wallen, en is direct daarna weer dichtgegooid. Dat zie je bij een dwarsdoorsnede. De greppel is v-vormig. Als hij een tijd open had gelegen, was er zand langs de wanden naar beneden gelopen, zeker als het in die tijd had geregend. Maar daarvan was absoluut geen sprake. Het verwijderde zand was precies in omgekeerde volgorde weer in de greppel gegooid, met de plaggen bovenop. We konden zelfs zien dat de vulling iets opbolde’.
Dat de tussenwal bij wijze van straf werd gegraven en dichtgegooid wil Hulst niet uitsluiten, maar het zou ook goed kunnen dat het kamp direct na aanleg te klein bleek. Het deel dat nu op de Ermelose Heide ligt zou dan de toevoeging zijn. ‘Of ze hebben de opzet tijdens de aanleg veranderd,’ oppert Hulst. ‘Na de uitbreiding omsloot het kamp ook een lichte, natuurlijke terreinverhoging in de zuidwestpunt. Misschien dachten ze ineens: we zijn stom bezig, die hoogte moeten we erbij hebben. Als je uitgaat van een open landschap, waren de zichtlijnen vanuit het kamp in elk geval uitstekend.’
De wal en greppel door het kamp leken ook de sporen van naamloze individuen te dragen: om de anderhalve meter vertoonde het project een kleine verspringing. ‘Ze hebben daar op een rij staan graven en de zaak staan dichtgooien,’ signaleerde Hulst. ‘Zat er één een beetje te knoeien, en dan zei die knaap naast hem: “Dat kan zo niet.”’
Hoe het ook zij, een marskamp als dit werd in een paar uur aangelegd. Eventuele belagers moesten tussen de bodem van de greppel en de kruin van de wal ruim twee meter stijgen. Als dat al lukte, wachtten bovenaan een palissade van scherp gepunte palen en uiteraard de legionairs zelf. ‘Die palen waren deel van de standaarduitrusting,’ weet Hulst. ‘Na vertrek werden ze weer meegenomen.’ De bodemverkleuringen die bijna altijd zijn terug te vinden waar eeuwen of millennia geleden hout wegrotte, werden daarom niet aangetroffen. Wel vonden Hulst en zijn assistenten een paar broodovens aan de binnenzijde van de wal. Krachtens de standaardinrichting van een marskamp stonden daar geen tenten. Het was een brede, open corridor waardoor de troepen zich in tijden van nood naar de plaats van een aanval konden reppen. Kennelijk mocht daar ook brood gebakken worden. De ovens bestonden uit een ondiepe ronde kuil waarin het vuur brandde
(met het deeg op een ijzeren plaat daarboven), en een diepere vierkante kuil aansluitend daarnaast waarin de restanten van een vorig vuur konden worden weggeschoven. ‘In de afvalkuilen lag afwisselend een laag houtskool van stam- en takhout van eik, berk en els, en restanten van fijn twijghout,’ aldus Hulst. ‘Bij microscopisch onderzoek bleken die twijgjes schimmelsporen te bevatten. Het was sprokkelhout dat al een tijd op de grond had gelegen.’ Hij kon ook vaststellen dat de kuilen na gebruik niet netjes dichtgegooid werden, alleen hier en daar een beetje voor de vorm. Daaruit concludeert hij dat het een kamp voor eenmalig gebruik was.
Koolstof- 14 dateringen van het houtskool wijzen allemaal naar hetzelfde tijdbestek, gecentreerd rond het midden van de tweede eeuw. Dat sluit weer aardig aan bij het aardewerk. Scherven die Holwerda had opgegraven, stammen volgens de huidige inzichten uit de tweede helft van de tweede eeuw. Hulst: ‘En we hadden het geluk nu ook weer een scherf te vinden, van een soort aardewerk dat iedereen in zijn uitrusting had: terra sigillata van het type Dragendort 31, uit het derde kwart van de tweede eeuw.’
Precieze datering van het marskamp is van groot belang, opdat het gerelateerd kan worden aan geschreven bronnen. Want de hamvraag blijft natuurlijk wat de Romeinen zo ver van hun limes te zoeken hadden. Hulst: ‘In de jaren 160 tot 180 heerste er vooral wat meer naar het oosten geweldige onrust in Germanië, de zogeheten Markomannen-oorlogen. Misschien bestond er wel een plan de Germanen in de rug aan te vallen om de druk op de limes in het zuidoosten te verlichten, en diende dit kamp om die mogelijkheid te onderzoeken. Misschien hebben de Romeinen dat ook daadwerkelijk gedaan. Dan was dit kamp een echt marskamp, een halteplaats op een doortocht, en zouden en elders nog meer moeten liggen.’