terug  begin  verderprepost
[p. 52]

Rivierdijken

Een van de mooie eigenschappen van rivieren is dat ze zelf hun oevers ophogen Breekt een stroom door zijn bedding, dan verliest het overstromende water snel vaart, en bezinkt het zand. In een laagland als het onze ontstonden zo massa's ‘oeverwallen’. In het Gelderse rivierengebied zijn ze wat hoger dan stroomafwaarts, omdat rivierwater bovenstrooms meestal meer bodemmateriaal bevat. Verder van de beddingen af bezonk het resterende materiaal: minder, zodat die gebieden minder werden opgehoogd, en fijner, zodat regen- en overstromingswater daar langer bleef staan. De natte, kleiige ‘kommen’ bleven tot ver in deze eeuw onbewoond en dienden vooral als hooiland.

De eerste bewoners van het Nederlandse rivierengebied begrepen snel dat ze op de oeverwallen moesten zijn. Langs afgesneden meanders was het gevaar van overstroming vrijwel afwezig, langs de rivieren zeker niet. Verzwaring van deze natuurlijke dijken heeft mogelijk al een paar duizend jaar geleden plaatsgevonden.

Hoe het ook zij, in de laatste eeuwen van het eerste millennium was er meer nodig dan dat om droog te blijven. In de Karolingische tijd steeg de bevolkingdruk en werden steeds lagere delen voor landbouw in gebruik genomen. In diezelfde periode steeg de waterstand van de rivieren. Zeespiegelrijzing en een paar neerslagrijke eeuwen hebben waarschijnlijk een rol gespeeld. En, om met Hergé te spreken: ‘Ondertussen, ver stroomopwaarts...’ Door ontbossing verloren de bovenlopen van Rijn en Maas hun regen- en smeltwaterabsorberend vermogen. Het gebruik van bijlen daar, noopte tot het hanteren van spades hier.

De eerste dijken stonden dwars op de rivieren. Benedenstroomse overstromingen waren het probleem niet. In sommige dorpen werden de krachten al rond het jaar duizend verenigd om de weiden en akkers stroomopwaarts met een dwarsdijk te beschermen. Een deel van het eventuele overstromingwater verdween achterlangs de kommen in. De rest verdween minder snel, maar dat was het probleem van de dorp, aan gene zijde van de dwarsdijk. Daar waren ze natuurlijk ook niet gek, dus in de loop van een eeuw of drie breidden deze sytwendes

[p. 53]



illustratie

zich naar het oosten langs de grote rivieren uit. Ze zijn nu nog terug te vinden als ‘Zevend’, ‘Zijvond’ en zelfs als ‘Zeedijk’.

De logische volgende stap was om het hele dorp inclusief de betere weiden en akkers met een dijk te omgeven, zodat het water in ernstige gevallen niet via de kommen tot het dorp steeg. Ook het overstijgen van dorpsbelangen werd daardoor lastiger: dat lukte pas in de late middeleeuwen, na de komst van actief centraal gezag. Graven en hertogen instigeerden het opwerpen van bandijken langs de rivieren, soms aangevuld met een lange dwarsdijk daartussen, en stelden bestuurslichamen in die op het onderhoud moesten toezien. Ambitieus, maar het succes was eeuwenlang matig. Bij bandijkdoorbraken hadden de dorpsdijken nog steeds groot nut, en veel dorpspolders bleven tot in de jaren vijftig van deze eeuw intact.

Pas sinds een jaar of honderd zijn de bandijken bíjna altijd hoog genoeg. Gevolg is onder meer dat al die oude dwarsdijken hun functie nu hebben verloren, terwijl ze aan historische betekenis wonnen met het verstrijken van de tijd en het oprukken van komontwatering, ruilverkaveling en andere varianten van vooruitgang.

Bij de Stichting Het Geldersch Landschap houdt Ger Frenken zich al zestien jaar bezig met het rivierengebied. ‘De laatste decennia is de waterhuishouding volledig omgekeerd,’ stelt hij vast. ‘Tot in de jaren zestig hadden de kommen grote wateroverlast, maar nu wordt alles weggepompt en zijn ze kurkdroog. Dat is zeer ingrijpend: tot in het kleinste slootje is de waterstand beheerst.’ Illustratief is het natuur-

[p. 54]



illustratie
De Diefdijk met de Wiel van Bassa.

en weideterrein De Regulieren (181 hectare) tussen Culemborg en Geldermalsen, dat het Landschap tijdens de ruilverkaveling van de westelijke Betuwe in de jaren zeventig verwierf. ‘De Regulieren wordt ingesloten door een paar oude dwarsdijken, de Zwarte Kade, de Hennisdijk en de Zeedijk, en die gebruiken we nu om de waterstand op het natuurlijke peil te houden. Alleen is het geen kwelwater meer vanaf de stroomruggen, maar regenwater.’ De kades en dijken rond het reservaat hebben daarmee een nieuwe functie gekregen, en dat is goed voor hun behoud.

Veel andere dwarsdijken liggen nu als oude relicten te midden van steeds intensievere landbouwactiviteit en industrieterreinen. Bij ruilverkavelingen zijn er lijnen door getrokken en nog steeds worden er soms delen geslecht. Frenken: ‘Ten noorden van ons reservaat is een deel van de Molenkade al geïsoleerd komen te liggen, midden in een groot landbouwbedrijf. Er bestond een plan om er een fietspad over aan te leggen, maar dan komt de hele bedrijfsvoering daar in de war.’

Ook historisch geograaf Marinus Kooiman besteedt veel van zijn tijd aan rivierdijken. Hij droeg bij aan een paar rapporten van Monu-

[p. 55]



illustratie
De Meidijk.

mentenzorg over de gevolgen van bandijkverzwaring. Ook is hij betrokken bij een ‘milieu-effectrapportage’ inzake de zeer mooie maar te lage Bomendijk ten zuiden van Wilp langs de IJssel. ‘De gedachte dat sommige rivierdijken bescherming verdienen, neemt wel toe,’ is zijn ervaring, ‘zeker bij Rijkswaterstaat, en duideijk minder bij de waterschappen. Per saldo gebeurt er maar weinig. Geen enkele dijk is als zodanig beschermd bij de Monumentenwet, alleen korte stukken als onderdeel van beschermde dorpsgezichten.’

Zeer mooi gelegen dwarsdijken beschermen zichzelf door een hoog vvv-quotiënt, zoals de vroeg veertiende-eeuwse Meidijk tussen Maas en Waal, die de lage westpunt van de Bommelerwaard inclusief fort Loevestein afgrendelt. (Als bescherning tegen water uit het westen is de Meidijk een uitzondering.) De Aalsdijk bij Buren is een ander voorbeeld. Andere zijn door hun enorme volume van planologische incisies gevrijwaard. Dan ligt er doorgaans een verkeersweg overheen, en die blijft in deze tijd zeker behouden.

Een omvangrijk voorbeeld is de vijf meter hoge Diefdijk tussen Lek en Linge, ten westen van Culemborg. Waarschijnlijk werd over dat

[p. 56]

tracé al in 1284 een lage kade opgeworpen, in 1385 verhoogd tot een forse dijk. ‘De Hollanders hadden de zaak toen beter voor elkaar dan de Geldersen,’ memoreert Frenken, ‘maar kregen in de Vijfherenlanden wel steeds dat Gelderse water over zich heen. Dus bouwden ze over de grens een dijk. Aan de oostkant lag het welvarende dorp Paveie, dat na aanleg van de Diefdijk totaal verzopen is. De West-Betuwe was tot voor kort een zeer vochtig gebied. Je hebt er nu nog vijf eendenkooien en overblijfselen van twintig andere.’

Een terreinverhoging herinnert aan het eveneens verzopen kerkhof van Paveie, en is nu een beschermd monument.

Het Hollandse idee was dat overstromingswater langs de Diefdijk zuidwaarts afvloeide naar de in 1231 of 1304 afgedamde Linge. De noordelijke dijk van de dode rivier moest dus ook worden opgehoogd om te voorkomen dat het water langs de zuidpunt van de Diefdijk toch nog de Vijfherenlanden in stroomde.

Overbodig om te vermelden misschien, maar de Diefdijk brak menigmaal door. In 1497 en 1565 ontstond zo de kolk De Waal, ten westen van Zijderveld, en in 1571 en 1573 de nog grotere Wiel van Bassa, bij Schoonrewoerd. In de negentiende eeuw kreeg de dijk een tijdelijke nieuwe functie als element van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.

Plannen om de linie inclusief dijklichamen wettelijke monumentstatus te geven, zijn in voorbereiding.

In deze tijd van dijkverzwaring en protest daartegen verliezen ook sommige stukken bandijk hun functie. Als ophoging van een oude dijk al te desastreuze gevolgen met zich meebrengt, wordt soms gekozen voor een nieuw, hoog dijktracé door de uiterwaarden. De bandijk tussen Druten, Deest en Afferden, met mooie kolken aan weerszijden, heeft binnenkort mogelijk geen functie meer. Een voltooid voorbeeld is te zien bij Herwijnen.

Dijkverlegging in plaats van -verzwaring is niet nieuw. Kooiman: ‘De negentiende-eeuwse Marsdijk bij Kesteren ligt ook vóór de oude Rijn-bandijk. Een klein stuk is nog heel mooi, de rest verdwijnt tussen bebouwing, zandwinning en een camping.’ Terzijde wijst hij op de talloze kwelkades, binnendijks op enkele tientallen meters langs de bandijken, die bij dijkverzwaring in de vorige en deze eeuw verloren zijn gegaan; tien jaar geleden nog bij Hellouw, ten oosten van Gorinchem.

Ook Frenken noteert bezwaren bij de aanleg van nieuwe stukken

[p. 57]



illustratie
De noordelijke bandijk van de Lek met dwarsdijken, ten westen van Culemborg. De zomerkade is zichtbaar tussen de rivier en de ondergelopen uiterwaarden.

bandijk om mooie, oude dijksegmenten te beschermen. ‘Ik vind het een beetje capituleren, en het is ook een raar gezicht. Het door de Commissie-Boertien aangedragen alternatief van kistdammen heeft in veel gevallen mijn voorkeur. Een dorp als Gameren ligt nu aan de rivier, en straks kijk je tegen een dijk aan. Op den duur komt er toch een verandering van het karakter van de dijk die je juist wilt beschermen. Het gebied tussen de oude en de nieuwe dijk wordt ineens binnendijks, en zal veel intensiever gebruikt gaan worden dan de uiterwaarden. Een van de belangrijkste voorwaarden voor behoud van dijken, is dat ze functioneel blijven.’

prepostterug  begin  verder