terug  begin  verderprepost
[p. 58]

Dijken in Noord-Holland

Dijken horen zo bij Nederland, dat het bijna duizend jaar moest duren voordat er drie tot monument werden verklaard. De Wierdijk rond het voormalige eiland Wieringen, de Westfriese Omringdijk, en de Valkkogerdijk tussen Schagen en Sint-Maarten zijn sinds enkele jaren beschermd krachtens de Noordhollandse Provinciale Monumenten Verordening. Nog steeds valt geen enkele dijk onder de landelijke Monumentenwet.

Bij de cluster Archeologie en Monumentenzorg van Noord-Holland is Helga Danner belast met dijkbewaking, al lijkt er van een last weinig sprake. ‘Van oorsprong ben ik archivaris en mijn eerste chef heeft me gek gemaakt voor het polderonderzoek,’ legt ze uit. Groot was die overstap niet, want over de geschiedenis van waterkerende zand-, klei-, veen- en wierlichamen die twintig tot dertig generaties geleden werden opgeworpen, is in archieven veel te vinden. Vaak meer dan in het terrein. Een dijk die zijn functie verliest is in principe bedreigd, en heel wat omringdijken van droogmakerijen zijn alleen nog aan te wijzen op oude kaarten, nu een zeewering heel Holland omsluit.

Het gevaar is nog steeds niet geweken. ‘De grote bedreigers zijn mensen,’ zegt Danner als ik over muskusratten begin. ‘Je kunt ze afgraven of doorgraven of er andere dingen mee doen die er weinig van overlaten. Het aanleggen van op- en afritten is soms onvermijdelijk, maar dan hebben we er liever geen asfalt op. Een puinverharding staat natuurlijker. Veel dijken liggen in een spanningsveld tussen cultuurhistorie en toerisme, wegenaanleg, woningbouw, industrieterreinen - noem maar op. Een deel van mijn taak is het behoeden van de hele landschappelijke context. Voor veranderingen aan beschermde dijken moet je eerst een vergunning aanvragen, en de uitvoering van eventuele veranderingen gaat in overleg met de provincie. Provinciale Staten, en in tweede instantie de arob-rechter, dienen als beroepsinstanties, maar we hebben nog nooit een arob-procedure over een dijk gehad.’

Er zijn nog wel meer cultuurhistorisch waardevolle dijken in Noord-Holland dan de drie genoemde, die volgens Danner voor bescherming in aanmerking zouden kunnen komen.

[p. 59]



illustratie
De Burgerwielen herinneren aan doorbraken van de Westfriese Omringdijk. Ze moeten gevormd zijn tussen de periode 1200-1248, toen de dijk gesloten werd, en 1320.

Het oudst zijn de veenontginningsdijken. Door toenemende bevolkingsdruk werden steeds nattere laagveengebieden voor landbouw in gebruik genomen-veeteelt kwam pas later - en vanaf de negende eeuw viel de keus steeds vaker op streken waar eerst krachtige ontwateringsmaatregelen nodig waren. Een dijk moest het water uit nog natter terrein weghouden, daarna begon aan de andere kant het graven van sloten. Het veen tussen de sloten droogde uit en klonk in. Als die dijk er niet was, zou het vervolgens onderlopen vanuit het belendende, niet-ingeklonken veen. Mooie voorbeelden liggen bij Landsmeer en ten noorden van Purmerend, de Zeevang rond Middelie en Kwadijk. De dijken zijn er nog, want ze zijn in gebruik als landwegen. Heel anders liep het af met het Geesterambacht ten noorden van Alkmaar. Een compleet, oeroud veenontginningsgebied werd daar in de jaren zestig opgerold bij een rigoureuze ruilverkaveling. Alleen bij Broekerveiling is er nu nog iets van te zien. Gelukkig kan Danner melden dat dat tegenwoordig niet meer zo zou gebeuren. ‘Achteraf

[p. 60]



illustratie

zijn ze heel erg geschrokken van wat bij Alkmaar verdwenen is. Er zijn nu plannen voor een bescheiden herinrichting van de Zeevang bij Edam, maar dat zal veel voorzichtiger gaan.’

Veenontginningsdijken lagen niet langs open water, zoals de binnenlandse zeewaterkerende dijken, de één na oudste categorie. Voordat de eerste werden aangelegd, was het noorden van het graafschap Holland een open systeem. Bij vloed drong de Noordzee door gaten tussen de strandwallen, en aan de andere kant had de Almere het nog makkelijker; daartussen, waar het veen was afgegraven, lagen grote meren en werden veenriviertjes als de Schermer en de Beemster steeds wijder. Het slimme idee was om niet één enorme dijk rond heel Holland te maken, maar een heleboel dijken langs of rond de betere gebieden. De Zanddijk onder Egmond is de oudste, omstreeks 1100 opgeworpen door monniken van de abdij. ‘De ellende was dat het water toen niet meer noordwaarts kon wegstromen,’ weet Danner, ‘en de Castricummers hadden daar last van. Het verhaal gaat dat de monniken geprobeerd hebben er iets aan te doen door de relikwieën van Sint-Adelbert daarheen te dragen.’ De Westfriese Omringdijk is een ander voorbeeld. Uit de stukken blijkt dat hij in 1320 in elk geval klaar was,

[p. 61]



illustratie
De Wierdijk.

met dien verstande dat de fietsroute over de dijk, inclusief explicatieborden, pas in september 1994 gereedkwam.

Minstens zo slim was vervolgens het dichten van de zeegaten, vanaf eind twaalfde, begin dertiende eeuw. Bij eb werd een houten schot gelicht, de rest ging vanzelf. Schaardam, Edam, Volendam en Monnickendam danken er hun naam aan. En om even bij de plaatsnamen te blijven: alles met koog of kaag herinnert aan het indijken van nieuw land buiten de oorspronkelijke dijk.

Veel van die oude zeewaterkerende dijken liggen nu midden in het land, en zelfs voor experts zijn ze niet altijd direct als zodanig herkenbaar. Danner: ‘In 1912 is langs het tracé Schagen-Barstenhorn-Kolhorn wier onder het maaiveld aangetroffen. Dat leg je alleen tegen een waterkerende dijk, tussen het dijktalud en een rij palen.’ Met die palen was het na 1732 gedaan, want toen arriveerde hier uit Azië de paalworm ‘Een vreselijke ramp,’ volgens Danner. ‘Alle palenweringen zijn daarna vervangen door steenglooiingen.’

De goede waterkerende eigenschappen van wier ten spijt, werd slechts één dijklichaam nagenoeg helemaal uit dat materiaal opgebouwd: de beschermde zestiende-eeuwse Wierdijk, die Wieringen beschermde nadat grote veenpakketten door de zee waren weggeslagen en de rest van de wereld alleen nog per boot bereikbaar was. Enthousiast herinnert Danner zich dat het wier binnenin eruitzag of het net was neergelegd.

Dat de Waterlandse Zeedijk ten zuiden van Monnickendam

[p. 62]

geheel uit veen is opgetrokken, zag ze in de archieven; dat het geen succes was, kan iedereen in het landschap zien. Bijna al die dijken bezweken af en toe, en voor ons is dat juist aardig. Soms volgde reparatie, maar vaak ook werd achter het gat een inlaagdijk gelegd, doorgaans over een gekromd tracé. ‘Als er één punt is waar je mooi kunt zien hoe de zee in het land hapte, is het bij de Waterlandse Zeedijk,’ aldus Danner. ‘Heel karakteristiek. Toevallig ontdekte ik in het oudarchief van het Hoogheemraadschap Waterland dat het Kinselmeer, bij Ransdorp, in 1570 is ontstaan bij de Allerheiligenvloed. Eigenlijk zou dat hele gebied beschermd moeten worden.’

Een andere mooie inlaagdijk is de Valkkogerdijk, die in 1248 werd aangelegd op gezag van de Abt van Egmond. Aan de zuidkant had hij landerijen die dat jaar bij een stormvloed blank kwamen te staan. Wie water deert, die water keert, was toen de overheersende gedachte. ‘Het duurde in Noord-Holland heel lang voordat er grotere samenwerkingsverbanden ontstonden,’ aldus Danner. ‘Als het land van de buren onderliep - dat duvelde niet, als jouw land maar niet onderliep.’

Behalve de zee, had ook de oude, matige organisatie van de dijkzorg veel schuld aan de doorbraken. Globaal waren er twee vormen. Van morgen morgens gelijk was sprake waar de verantwoordelijkheid bij een heel dorp berustte. Naar rato van het grondbezit moesten de ingelanden elk een deel van de werkzaamheden uitvoeren, al konden ze daar natuurlijk arbeiders voor inhuren. Minder effectief en minder toegepast - onder meer bij de Assendelfter Zeedijk en de Katwouder Zeedijk-was het beginsel op zijn hobrede: wie de pech had grond naast een lastig te onderhouden dijksegment te bezitten, moest zelf maar zorgen dat het niet doorbrak of overliep, en landinwaarts gesitueerde buren hadden de pech dat ze maar moesten afwachten of dat lukte. Bij het overkoepelend gezag zat het vaak ook niet lekker, in dier waterdoorlatende voege dat de dijk- en waterschappen vaak bestierd werden door degenen die het meest voor die baantjes hadden willen neertellen, vooral in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw. Dat ze een deel van hun inkomsten uit opgelegde boetes verwierven, was nog een van de meest effectieve onderdelen van het systeem.

prepostterug  begin  verder