Weinig uitzichtpunten in Nederland maken zo veel duidelijk als de Heimenberg, een paar honderd meter ten zuiden van het oorlogsmonument aan de provinciale weg over de Grebbeberg. De weg volgt natuurlijk de meest geleidelijke daling, maar het panorama over de Rijn begint met een bijna loodrechte niveausprong van zeker veertig meter. Bij helder weer zie je Montferland, vijftig kilometer verder. Wie Midden-Nederland een beetje onder controle wil houden, doet er goed aan zich hier te verschansen.
In mei 1940 mislukte het uiteindelijk, maar dat was zeker niet de eerste poging, vertelt het landschap. Aan de voet van de berg herinnert de Grebbelinie aan de Franse dreiging van 250 jaar geleden, en nog veel ouder is het uitzichtpunt zelf. De onvermijdelijke houten bank staat op de uiterste zuidoostpunt van een vijf meter hoge aarden wal. Hier en tweehonderd meter westelijker komt hij samen met de natuurlijke stijlrand, zodat een binnenterrein van vijf hectare wordt afgegrendeld. Een tweede wal, half zo hoog, omgeeft de eerste. Het geheel heet de Heimenberg.
Je zou willen dat het winter was, zodat de hele versterking in één oogopslag te zien zou zijn. Ook het uitzicht op de Betuwe wordt nu voor 99 procent door groen geblokkeerd. Als de Heimenberg boomvrij was geweest, had niemand durven voorstellen om er honderden grote eiken en beuken op te zetten. Maar nu die er staan, durft niemand ze weg te halen. Even verderop staan nog duizenden andere bomen, maar zo'n argument is natuurlijk vreselijk achterhaald.
Twee toevallig aanwezige medewerkers van terreineigenaar Stichting het Utrechts Landschap verklaren niettemin dat naar een tussenoplossing wordt gezocht. Het manshoge onkruid dat een deel van de binnenplaats overwoekert, kan lager of zelfs helemaal weg; de bomenrij tussen bezoeker en panorama zou van de onderste takken ontdaan kunnen worden. Verder blijken er plannen te zijn om een permanente, kleine expositie over de versterking in te richten in een vroeg-negentiende-eeuws, niet onaardig, nu nog vervallen pand aan de westflank. Dezelfde gedachte heeft al geleid tot een paar explicatieborden, die argeloze passanten attenderen op de historische grond

Drie keer de Hunnenschans aan het Uddelermeer. Boven een schets van de opgravingsresultaten van Holwerda in 1908. Onder vanuit
de lucht en een schets van omstreeks 1900 van de Hunnenschans en grafheuvels. Alleen de grafheuvel binnen de omwalling is nu nog terug te vinden.
waarover zij lopen. Of fietsen. Het enorme wallensysteem staat goed bekend bij mountainbike-rijders uit de wijde omtrek. In clubverband laden ze zichzelf en hun bergfietsen in kleine autobussen, voor een avondje lachen, gieren, brullen en crossen op de Heimenberg. Het Utrechts Landschap legt af en toe dode bomen over ingeslepen parcoursen, maar die blijven nooit lang liggen.
Volgens professor Anthonie Heidinga van het Instituut voor Preen Protohistorische Archeologie van de Universiteit van Amsterdam is deze ringwalburcht Nederlands meest indrukwekkende archeologische monument. ‘Maar toch,’ signaleert hij, ‘is de Heimenberg onder mijn collega's vrijwel onbekend.’ Dat de gemiddelde Nederlander er nooit van gehoord heeft, behoeft dan nog nauwelijks betoog. Een redelijk recente wandelgids, die ondernemende voetgangers ‘de geschiedenis van het landschap’ wil tonen, laat 's lands grootste aarden fort


onvermeld, al gaat een van de wandelingen er rakelings langs.
Het bovenstaande laat onverlet dat de Heimenberg en een paar andere ringwalburchten streng beschermd zijn krachtens de Monumentenwet. ‘En dat is voor wetenschappers heel vervelend,’ stelt Heidinga. ‘Nu weten we eigenlijk niet wat we beschermen. Het dateren van ringwalburchten is al zeer lastig, en helemaal als we er niet aan mogen komen.’ Niettemin hangt aan de wand van zijn werkkamer een schilderij van de opgraving van een ringwalburcht waar hij zelf ook op staat. Dat was in het binnenterrein van de Hunnenschans: een ringwalburcht aan de oostoever van het Uddelermeer, een meter of honderd in doorsnee, en met één wal. Heidinga: ‘Van de Monumentenraad kregen we tien jaar geleden het verzoek om een klein stukje op te graven. Bij het Uddeler schaapscheerdersfestijn werd daar namelijk elk jaar een podium in de grond geslagen, en ze wilden een goede documentatie van wat er door die palen kapot werd gemaakt.’
Nu was juist over de Hunnenschans wel wat bekend, omdat de onstuitbare archeoloog J.H. Holwerda (1873-1951) daar in 1908 een deel van de wallen en vrijwel het hele binnenterrein doorgroef. Volgens hem was een zevende- of achtste-eeuwse Saksische stamvorst de bouwer. Heidinga: ‘We deden een opgraving van een opgraving, een controle of Holwerda zijn huiswerk goed had gedaan. Het klopte aardig.’ Toch dateerde en interpreteerde Heidinga de Hunnenschans anders dan Holwerda, en ook dan de kasteelkundige J.G.N. Renaud, die in 1966 een dwarssectie van de wal maakte; volgens hem was de eerste bouwfase twaalfde-eeuws.
De Hunnen waren al lang weer naar huis toen de schans werd opgeworpen, omstreeks 900. Die datum ontleent Heidinga aan het vroegste aardewerk in het binnenterrein, ‘want bij het dateren van het oudste deel van de wal hebben we nog geen poot om op te staan. Voor dendrochronologische en C14-dateringen ontbreekt het organisch materiaal. Dat vergaat in droge zandgrond vollledig.’ Door Holwerda en Renaud gevonden bodemverkleuringen bevestigden de defensieve functie: palissaden op de kruin en ander, zwaar houtwerk bij de waldoorgangen, maakten duidelijk dat hier ooit iets verdedigd werd. Maar wat, door wie en waarom?
Als bestaansreden voor de ringwalburchten zijn de invallen van de Vikingen wel genoemd. Ze deden lastig in Deventer en bereikten Keulen. ‘Maar als ik een Viking was, zou ik de Veluwe links laten liggen,’ redeneert Heidinga. ‘In elk geval wijzen de burchten op de aanwezig-

Van de ringwalburchten langs de kust is weinig meer over, maar het stratenpatroon spreekt vaak duidelijke taal, zoals hier in Burgh op Schouwen Duiveland. De middelste ring markeert de wal en de gracht, waarvan alleen nog fragmenten resteren.
heid van een centrale autoriteit. Dat in democratisch overleg besloten werd een ringwalburcht te bouwen, is uitgesloten.’ Verder verdedigt Heidinga al jaren de stelling dat de Hunnenschans heeft gediend als versterking op een kruispunt van twee routes voor ijzerhandel. De ijzerhoudende ‘klapperstenen’ die in de derde ijstijd massaal op de oostelijke Veluwe belandden, zorgden in de vroege middeleeuwen voor een aanzienlijke ijzerproduktie. Het overal aanwezige hout verdween in de smeltovens. Eén goed onderzochte klapperstenenslakkenhoop alleen al, bij Apeldoorn, herinnert aan de produktie van 165 ton ijzer. De zandverstuivingen, die uiteindelijk een kwart van de

De Heimenberg bij Rhenen. In de ondergelopen uiterwaarden van de Lek liggen achttiende-eeuwse bastions van de Grebbelinie. De kleine open ruimte op de heuvel is het binnenterrein van de ringwalburcht de Heimenberg, mogelijk Nederlandse enige ‘hillfort’ (zie foto p. 31).
Veluwe in hun greep zouden krijgen, begonnen in die periode: niet toevallig, volgens Heidinga.
Terug naar Rhenen, maar met een omweg via de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek in Amersfoort. Drs. Monique Krauwer fungeert daar als plaatsvervangend provinciaal archeoloog van Gelderland, en is onder meer belast met de monumentenzorg. Zij gaat over de Hunnenschans en de Duno, een ringwalburcht bij Doorwerth, net als de Heimenberg aan de stijlrand van de Rijn. Daarenboven studeerde Krauwer tien jaar geleden af op ringwalburchten. ‘Ik wilde meer over de Nederlandse ringwalburchten te weten te komen,
door ze te vergelijken met de exemplaren in het buitenland,’ zegt Krauwer, al hoefde ze niet verder dan Zandvoort om vast te stellen dat de vorm zich haast vanzelf aandient: ‘Op het strand maken we ze ook! En uit het hele onderzoek werd me duidelijk dat het niet altijd zinnig is ze op een rijtje te zetten. Je moet elke burcht zien in zijn regio, ze hebben allemaal hun eigen verhaal.’
Een andere conclusie was dat de burchten in de loop van de eeuwen kleiner worden. Nederland telt een stuk of tien ringwalburchten, al zijn sommige alleen nog herkenbaar in het stratenpatroon van de plaats die daar later ontstond: Den Burg op Texel en Middelburg zijn voorbeelden. De raadselachtige Heimenberg even buiten beschouwing latend, blijken de vijf ringwalburchten in Zeeland het oudst, uit de negende eeuw. Dat die tegen de Vikingen werden opgeworpen staat in een kroniek, en staat dus vast.
Als alle ringwalburchten werden ze gebouwd als vluchtburchten. Wanneer die functie een paar eeuwen later verloren was gegaan, werden er soms huizen binnen de wal gebouwd. In de dertiende eeuw gebeurde dat in de Hunnenschans, in de elfde eeuw in de onlangs geheel gerestaureerde ringwalburcht van Souburg, bij Vlissingen.
Aan de andere kant van het tijd/omvang-spectrum lokaliseert Krauwer de Huneborg bij Ootmarsum, en de Schulenborg op de oostoever van het Twents Kanaal, bij Bornerbroek. ‘Dat zijn twaalfde-eeuwse burchten van de bisschop van het Sticht, Utrecht. Hij was een van de eerste wereldlijke heren in ons land, en wilde in het Oversticht de buitenstedelijke gebieden controleren.’
In de late middeleeuwen leidde de trend naar verkleining tot het einde van de ringwalburcht. Opvolger werd het mottekasteel: een houten, en later een stenen versterking op een opgeworpen aarden heuvel (zie p. 71). Daarop volgde weer het waterkasteel, bekend van bouwplaten en sprookjesboeken.
De grote vraag is of, omgekeerd redenerend, de allergrootste aarden burcht van Nederland ook de alleroudste is. Krauwer houdt het daar voorlopig wel op, ‘te meer omdat de Heimenberg ook de enige is met twee wallen. Volgens mij zou hij heel goed uit de Romeinse ijzertijd kunnen dateren, van de eeuwen rond het begin van onze jaartelling, omdat hij zo mooi op de limes ligt. In Engeland werden in die periode op grote schaal hillforts gebouwd: altijd op een heuveltop en bijna altijd met meer dan één wal. En de Heimenberg heeft ook de vereiste grootte. Eventueel zou het ons enige hillfort zijn.
Het is in elk geval dé plek om er een te bouwen.’ Alleen rond 1830 is op de Heimenberg enig onderzoek gedaan, en de resultaten zijn verre van helder. ‘Er zouden toen ook Romeinse voorwerpen zijn gevonden,’ meldt Krauwer. ‘Maar het vervelende is: in die tijd werden vondsten even beschreven en dan weggegooid.’
Romeinse resten betekenen nog niet dat er toen al een burcht stond. Maar Heidinga houdt het goed voor mogelijk ‘dat ze werden achtergelaten door inheemse chiefs die hier, benoorden de limes, de zaak voor Rome in de gaten hielden.’
Maar er is meer. De omgeving heeft opvallend veel rijke vondsten opgeleverd uit de ijzertijd tot en met de duistere vroege middeleeuwen, waaronder een vijfde-eeuws votiefoffer van gouden halsringen. ‘Legenden en latere historische berichten lijken te bevestigen, dat dit gebied toen een belangrijk politiek machtscentrum in Centraal-Nederland geweest moet zijn,’ zegt Heidinga. ‘Het zou goed kunnen dat de Heimenberg daarin een rol heeft gespeeld.’
Onder het ongemaaide maaiveld van de Heimenberg liggen bijna zeker de sleutels tot een groot deel van onze geschiedenis. Heidinga maakt er geen geheim van dat hij een gedeeltelijke opgraving van de burcht uit wetenschappelijk oogpunt noodzakelijk vindt: ‘Een Lustgrabung dus, zoals dat vaak denigrerend wordt genoemd.’ Probleem is alleen dat in deze tijden van gierende bezuinigingen hooguit nog geld te vinden is voor haastige noodopgravingen: op plaatsen waar dragline en bulldozer al klaarstaan om het bodemarchief geschikt te maken als fundament voor betonnen plannen van ambitieuze wethouders.
‘De plannen voor een kleinschalige opgraving van de Heimenberg liggen al jaren klaar,’ aldus Heidinga. ‘En zo'n onderzoek zou goed samen kunnen gaan met plannen om de burcht toegankelijk te maken voor het publiek.’
Maar voor een grootschalig onderzoek is in het Nederlandse bestel geen plaats. De rob zou daar mordicus tegen zijn. Krauwer: ‘Om te beginnen kun je iets maar één keer opgraven, en is het zeker dat ze het over honderd jaar veel beter kunnen dan wij nu. Misschien zeggen ze over driehonderd jaar: de Heimenberg kan wel blijven bestaan, maar alleen als we weten wat het is. Het spreekt ook wel tot de verbeelding dat we er bijna niets vanaf weten. Als persoon ben je zó'n piepklein elementje in het leven van die ringwalburcht... Het belang van de Heimenberg is belangrijker dan mijn nieuwsgierigheid. Maar in mijn hart wil ik hem natuurlijk dolgraag helemaal opgraven.’