Wie een spade in de grond steekt en het bodemmateriaal direct daarnaast weer neerwerpt, bouwt twee defensiesystemen tegelijk. De aanleg van een gracht én een belendende wal is slechts een kwestie van doorgraven: bij elke schep grond wordt de gracht dieper en de wal hoger. Met betrekkelijk eenvoudige middelen als stenen, speren en kokende pek kan de vijand vervolgens op enige afstand worden gehouden - mits je aan de juiste kant bent gaan zitten.
De vorm van het systeem is geheel naar keuze van de bouwer, maar een aanrader is de cirkel. Ronde verdedigingswerken met een doorsnee van een meter of honderd, nu ‘ringwalburchten’ genoemd, werden in deze streken vanaf de negende eeuw opgeworpen (zie p. 63). Bezwaar is dat het op de kruin van de wal een beetje behelpen

Het Mottekasteel van Oostvoorne zoals Roelant Roghman het zag in 1646 of 1647, (zie p. 77).
blijft, zeker bij slecht weer en/of een sterke vijand. Handiger is het om gracht en wal wat kleiner te houden, het binnenterrein tot walhoogte op te vullen, en op die heuvel een verdedigingstoren te bouwen. Castellologen spreken dan van een ‘mottekasteel’: een vinding die in Nederland ruwweg van de elfde tot de veertiende eeuw populair is geweest. De houten en (later) stenen torens zijn bijna allemaal verdwenen, maar van de aarden ‘mottes’ zijn er nog 83 over, terwijl restanten van 240 verrmoedelijke exemplaren sluimeren in het Nederlandse landschap.
Die cijfers zijn het resultaat van een landelijke inventarisatie, eind jaren zeventig uitgevoerd door studenten van het Instituut voor Preen Protohistorie van de Universiteit van Amsterdam. De leider van het onderwijsproject, drs. Jan Besteman, benadrukt dat de identificatie van de Nederlandse mottes vaak verre van eenvoudig was: ‘Een ander onderzoek, met andere criteria, zou zeker andere aantallen opleveren. Archeologisch is het heel moeilijk. De ontwikkelingsgang van een kasteel eindigt vaak met een mooi bakstenen waterkasteel. Het kan begonnen zijn met een heel eenvoudige motte, waarvan de resten nu met geen mogelijkheid meer zijn aan te wijzen.’
Om de oorspronkelijke verspreiding van alle Nederlandse mottes vast te stellen, maakten Besteman en zijn studenten onder meer gebruik van oude kaarten. Daarbij bleek hoe dramatisch hun aantal in de moderne tijd is teruggelopen. Op zijn Uitbeelding der Heerlijkheit Friesland toont de kartograaf Schotanus in 1718 ongeveer 120 ‘hege wieren’, Fries voor ‘hoge terpen’. Sommige hadden aantoonbaar een kasteelfunctie, en voorlopig wordt aangenomen dat het allemaal mottes waren. In Eekhoffs Nieuwe Atlas van de Provincie Friesland (1849-'59) staan ze nog bijna allemaal weergegeven. En nu nog vijf! De rest werd geëgaliseerd of afgegraven en doet dienst als dijkoprit of ijskelder. Aan de andere kant van het land is de situatie niet veel beter. Begin deze eeuw telde Zeeland nog 158 ‘vliedbergen’, nu veertig: een verlies dat onder meer op rekening komt van ruilverkavelaars en diepploegende boeren.
Alle resterende vliedbergen en hege wieren, en ook veel andere prominente mottes, zijn nu beschermd krachtens de Monumentenwet, terwijl veel onduidelijke gevallen zijn overgeleverd aan de genade van de grondeigenaar. De Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek meldt dat een boer in Delwijnen, bij Zaltbommel, in 1993 nog een vermoedelijke motte heeft weggeploegd - hangende het

Een van de oudste vliedbergen is de ‘Burcht van Troje’ bij Borssele.
onderzoek of het er echt een was, want hij vreesde bescherming.
Een proefsleuf kan vaak duidelijk maken of een terreinverhoging wel of geen motte is, soms ook niet. De gravende archeoloog kan gewoon pech hebben, zegt Besteman: het bewijsmateriaal zit wel in de grond, maar buiten de sleuf. Om het moeilijker te maken, resteert van de grachten vaak nog minder dan van de mottes zelf. Soms overleven ze alleen als perceelsgrenzen op vergeelde kadasterkaarten. Toch zijn ze belangrijk, want de grachten zaten in veel gevallen niet direct tegen de motte aan. Behalve de verdedigingsheuvel plus -toren, omsloten ze een kasteelterrein, waar in goede tijden het dagelijks leven geleefd werd. Idealiter beschermt de Monumentenwet de hele gracht en alles wat daarbinnen ligt, en aldus bezien valt er in Nederland nog veel te beschermen.
Vliedbergen en hege wieren behoren tot onze jongste mottes. De oudere verrezen in streken met een sterk feodale ontwikkeling, zoals het rivierengebied en Limburg, en hadden in de eerste plaats een defensieve functie. In de eeuwen daarop werd het geschut zwaarder en daalde de verdedigingswaarde.

De ‘Abschittsmotte’ de Burggraaf bij Gulpen.
‘Op twee na dateren de vliedbergen uit de dertiende en veertiende eeuw. Defensief gezien was zo'n heuvel met een toren erop en een gracht eromheen toen weinig meer waard,’ stelt Besteman. ‘Nou ja, misschien tegen een buurman met drie kwaaie zoons, of een paar vagebonden.’ Maar als statussymbool ging de motte het juist steeds beter doen, zeker in gebieden zonder krachtige adelstand, zoals Friesland en Zeeland: statusverhoging door een hogere woning. ‘Vergelijk het met een villa met een garage eronder,’ suggereert Besteman. Niettemin werd bij de ipp-inventarisatie steeds een militair criterium aangehouden voor de oorspronkelijke minimumhoogte: drie meter, dus hoger dan een gewapende man te paard.
De hoogste opgeworpen Nederlandse mottes verheffen zich nu, na minstens zes eeuwen erosie, een meter of twaalf boven het maaiveld. Een basisdiameter van dertig meter komt vaak voor, de hoogten lopen uiteen. Veel hoger zijn de mottes die grotendeels door de natuur gevormd werden, in meer geaccidenteerde streken dan Zeeland of Friesland. De Duivelsberg bij Nijmegen en de ‘Motte Montferland’ (nu met restaurant) zijn enorme voorbeelden. Maar Besteman c.s. telden alleen de versterkingen waar ingrijpende veranderingen waren

Veel mottekastelen gingen verloren doordat ze werden omgebouwd tot modernere kasteelvormen. Benoorden Guttecoven in Zuid-Limburg zijn twee kasteelvormen naast elkaar blijven bestaan. Het zestiende-eeuwse kasteel Graetbroek (a) staat nog steeds overeind, nog geen 100 meter van de terreinwelvingen die herinneren aan een in 1542 verwoeste ‘burcht’ (b). Een halve kilometer zuidelijker, aan de bovenloop van de Honsbeek, ligt een ‘Abschnittsmotte’ (c) waar mogelijk de laat negende-eeuwse koning Zwentibolt zijn mottekasteel had.
aangebracht in de natuurlijke situatie. Net aan de goede kant van de grens zit de ‘Burggraaf’ bij Gulpen, in het Duits een Abschittsmotte. De makers waren betrekkelijk snel klaar, want ze groeven alleen maar een forse inkeping in een doodlopende heuvelrug. Later werd hij vervangen door een kasteel in het beekdal, waar ook water was voor een gracht.
In een boek over aarden monumenten kunnen houten en stenen torens onbesproken blijven, behalve natuurlijk als ze de vorm van het aarden lichaam beïnvloedden. De houten verdedigingstorens deden dat niet, al is hun rol in Nederland vrijwel onbekend. Besteman veronderstelt dat alle late mottes direct van een onbrandbare stenen toren werden voorzien. Dat was veiliger en steviger. ‘Een net opgeworpen motte zou kunnen gaan verzakken als er iets zwaars op kwam te staan,’ betoogt hij, ‘dus misschien wachtten ze wel een jaar na het opwerpen van de heuvel. En zeker is dat in sommige gevallen de toren eerst werd gebouwd. Vervolgens werd de motte tegen de onderkant van de toren opgeworpen. Een bijkomend voordeel was dat je dan geen gat hoefde te graven voor fundamenten.’
De torens zelf verloren binnen een paar eeuwen hun militaire en statusverhogende functie. Maar de bakstenen bleven tot lang daarna
nuttig: ze werden losgebikt en gerecycled. In het Friese Veenwouden gebeurde het omgekeerde: daar is de motte verdwenen, en staat de toren uit 1375 er nog. Mottes met alleen restanten van de toren zijn onder meer te vinden in het Zuidhollandse Oostvoorne en het Limburgse Kessel.
Al het bovenstaande ten spijt: de vraag of iets een motte was of niet zal de bouwers indertijd nauwelijks bezig hebben gehouden. Ze hadden wel andere dingen aan hun hoofd dan zorgen voor de gemoedsrust van de kasteeldeskundigen van nu. Besteman deelt die overtuiging. Het elfde-eeuwse tapisserie de Bayeux, een zestig meter lang geborduurd beeldverhaal over Willem de Veroveraar, staat nog vol authentieke standaardmottes, inclusief spittende mannen en brandende houten torens; zo hoorde het. Maar in Nederland deed de motte pas vrij laat zijn intrede, als importartikel dat leed aan vormen functievervaging.
Daarom was uitzondering hier de regel. De grote motte in het hart van Leiden heeft bijvoorbeeld geen toren, maar wel een tuf- en bakstenen schildmuur rondom, inclusief weergang. Ook afwijkend is de wording van de kasteelberg aan de westflank van het ministadje Bronkhorst, net onder Zutphen. Het begon ooit als motte. Later werd een extra muur rond de voet van de heuvel gebouwd. Vervolgens werden mottetop en -toren tot de binnenrand van de buitenmuur geëgaliseerd. Daarop verscheen een wat moderner kasteel. En vervolgens werden kasteel en buitenmuur als baksteenbron aangeboord, tot er geen baksteen meer te vinden was. Wie niet beter weet, zegt nu: kijk, een motte!