terug  begin  verderprepost
[p. 77]

Kasteelterreinen

Zelden is papier zo nuttig gebruikt als door Roelant Roghman in 1646 en 1647. Op ongeveer tweehonderd vellen bracht hij 150 kastelen in Holland en Utrecht in beeld: meestal met zwart krijt, een enkele keer met pen of potlood, en vervolgens met penseel gewassen voor mooiere grijsnuances.

Roghman, die op zijn negentiende aan het project begon, was zeker niet de enige die kastelen tekende, maar alleen hij pakte de zaak systematisch aan, en zijn tekentalent was vrijwel ongeëvenaard. In de tweedelige editie van Roghmans kasteeltekeningen die in 1989 bij uitgeverij Canaletto verscheen, rept bezorger dr. H.W.M. van der Wyck van ‘een ongekende virtuositeit in de architecturale en landschappelijke weergave’ en ‘een sfeer van deftige eenvoud en stilten.’ Het is een wonderbaarlijk mooie uitgave, met een schrille dissonant aan het eind. Uit een overzichtje op pagina 262 blijkt dat 109 van de afgebeelde kastelen alleen nog op papier te zien zijn.

Lege kasteelterreinen behoren tot Nederlands meest voorkomende aarden monumenten, zeker als bijvoorbeeld ook verdwenen versterkte hoeven en omgrachte huizen worden meegeteld. Sommige zijn allang niet leeg meer, want bedolven onder nieuwbouw. De rest lijdt onder een merkwaardige paradox: hoe minder terreinwelvingen aan het kasteel van weleer herinneren, hoe geringer doorgaans de bescherming is. Het omgekeerde zou in zekere zin logischer zijn.

Een reeks Al-kasteelterreinen, met duidelijke grachten en liefst nog wat richels en bobbels op het binnenterrein, is goed beschermd bij de Monumentenwet. Maar allerlei diffuse gevallen zijn overgeleverd aan gemeentelijke autoriteiten. Gebrek aan wettelijke middelen is niet het probleem. Er bestaan ook gemeentelijke monumentenlijsten, en door middel van een consequent volgehouden monumentvriendelijke bestemming kunnen bestemmingsplannen ook heel goed bescherming bieden aan veldarcheologische monumenten. Schaarsere hulpmiddelen bij de kasteelterreinbescherming zijn politieke wil, en domweg weten waar ze liggen.

Historisch geograaf Hans Renes besteedt een groot deel van zijn tijd aan het inventariseren van oudheden in het Nederlandse land-

[p. 78]



illustratie
Restanten van het slot Abcoude nu. Het slot werd in 1288 voor het eerst vermeld. In 1820 was de staat van onderhoud zodanig dat ontruiming onvermijdelijk was. Sloop volgde omstreeks 1860.

schap. ‘Er is veel waarvan men geen weet heeft,’ zegt hij. De categorie ‘kasteelterreinen’ wordt verder vertroebeld door allerlei mystificaties. ‘Er bestaat een kastelenboek van de provincie Utrecht uit het begin van de jaren zestig, maar je zou de opgegeven terreinen stuk voor stuk moeten nalopen om te kijken of er wel echt een kasteel heeft gestaan.’ Overigens is de Stichting Kastelen Lexicon Nederland sinds 1992 bezig aan de samenstelling wat haar naam belooft: een lexicon en/of een databank van alle Nederlandse kastelen en kasteelterreinen - en dat blijkt verschrikkelijk lastig te zijn.

Renes: ‘Bureaus die bestemmingsplannen ontwerpen, zijn vaak totaal onkundig op bepaalde deelterreinen, zoals archeologie. De goede gebruiken de bestaande inventarisaties, de slechte kijken er totaal niet naar. En de gemeentelijke monumentencommissies worden vaak gedomineerd door architecten. Die hebben oog voor bouwkundige aspecten, maar veel minder voor zoiets als een leeg kasteelterrein.’

Hij wil er geen geheim van maken dat er landschappelijke oudheden zijn die zich planologisch makkelijker laten inkaderen dan kasteelterreinen. ‘Midden in Schiedam heb je er een met stenen; dat is

[p. 79]



illustratie
Slot Abcoude zoals Roelant Roghman het zag, in 1646 of 1647.

een ruïne. Maar zo'n terrein met alleen hobbels en bobbels ligt educatief moeilijker: veel mensen zien er niet zoveel aan.’

Duidelijke borden met uitleg en plattegronden kunnen al veel helpen en ook een wandelpad is nuttig, betoogt Renes. ‘In een nieuwbouwwijk moet je altijd een paar oude elementen laten liggen. Het is een raadsel waarom er nieuwbouwwijken worden ontworpen op wit ruitjespapier. Oude wegenpatronen met boerderijen erlangs geven karakter, je krijgt logische kernvorming en logische wandelroutes.’

Veel kasteelterreinen liggen gelukkig goed beschermd in open gebieden, waar ook ruimte is voor conservering van eventuele omliggende bijzonderheden. Een uniek geval is te vinden in de bossen aan de bovenloop van de Heelsumse Beek (zie p. 134). Daar zijn de sporen van een complete nederzetting terug te vinden, een fenomeen dat in bijvoorbeeld Engeland en Duitsland goed bekend is. In Nederland is dit het enige voorbeeld van belang, inclusief een verhoogde kerkplaats, wegen, resten van houtwallen en een hof met gracht. Een afwijkende flora verraadt hier en daar dat onder het maaiveld stenen fundamenten schuilgaan. Het verhaal gaat dat het dorp werd vernietigd in de Tachtigjarige Oorlog, maar Renes vindt dat geen afdoende verklaring. ‘Het zegt niet genoeg. Want waarom kwamen de bewoners later niet terug? Daling van de grondwaterstand kan de reden geweest zijn, en dan was de verwoesting de aanleiding, niet de oorzaak.’ (Bij het ter perse gaan van dit boek werd juist een aanvang gemaakt met

[p. 80]

een nieuw onderzoek naar het verdwenen dorp bij Wolfheze, in opdracht van de gemeente Renkum.)

Ook uniek is wat ons rest van het verdwenen kasteel Oud-Haerlem, anderhalve kilometer ten zuidoosten van Heemskerk. Rond de gracht (goed herkenbaar, want deels in gebruik voor de ontwatering) liggen allerlei kleine weilandwelvingen die vermoedelijk herinneren aan een belegering in 1358 en het jaar daarop. Toen Roelant Roghman een jaar of 290 later met zijn schetsboek langskwam, stonden er nog een paar stevige stompen in het grassland - en nu is er helemaal niets meer te zien. Alleen onder de grond is nog steen te vinden. Dat geldt overigens lang niet voor alle kasteelterreinen, want ruïnes waren eeuwenlang in trek als bron van baksteen.

Roghman moet zich ervan bewust zijn geweest dat hij met een uitstervend fenomeen van doen had. Aan de oorspronkelijk militaire functie van de kastelen was in Nederland en omstreken in de vijftiende eeuw een eind gekomen; daarna stond de stad een eeuw of twee centraal in het defensiebeleid, in de zeventiende eeuw opgevolgd door (water-)linies. Voor zover ze niet verbouwd zijn tot comfortabele residenties, gingen de oude, tochtige kastelen tegen de vlakte. Renes: ‘Het huidige kasteelonderzoek richt zich heel sterk op de militaire functie en de adel die er woonde. Maar elk kasteel had ook een eigen economische basis; je moest het ergens van kunnen betalen. Soms waren dat tolinkomsten, veel vaker waren het boerderijen. Het bijbehorende landbouwbedrijf en grondbezit vind ik veel interessanter dan die genealogie. Kastelen waren vaak de kernen van nederzettingen.’ Ergo: menig kasteelterrein is de bakermat van de complexe bebouwing van nu. Voor planologen toch iets om rekening mee te houden, ook als er niets meer te zien is.

‘De geheel geëgaliseerde terreinen zijn meestal niet beschermd,’ aldus Renes, die verder moet vaststellen dat de neiging reliëf uit te wissen de proporties van een volksziekte begint aan te nemen. ‘Hoogteverschillen hoor je kennelijk te egaliseren. Voor het injecteren van mest in landbouwgrond willen boeren het terrein helemaal vlak hebben. Boeren in Holland verhuren hun grond tegenwoordig vaak voor een korte periode aan een bloembollenbedrijf: krijgen ze het weer terug als een biljartlaken. En het opvullen met puin van grachten rond onbekende kasteelterreinen en andere versterkingen - dat zie je ook nog steeds gebeuren.’

[p. 81]

Borgterreinen

MAAK DIT KARWEI EENS AF staat er op een bord bij Zandeweer, precies op de plaats waar de min of meer doorgaande weg van Groningen naar Uithuizen abrupt ophoudt. Maar veel valt er niet af te maken, want een kilometer of tien noordelijker houdt Nederland zelf op. Na het bord voeren kleine weggetjes door twee of drie plattelandskernen vol Ot-en-Sien-architectuur, totdat een paar rijen frisse doorzonwoningen, samen Uithuizen geheten, het einde van de beschaving markeren. Nog noordelijker wachten zuigende slikken en mistige wadden.

Om uitgerekend hier een imposant, elegant landhuis aan te treffen, omgeven door een binnengracht, een sierlijke tuin die aan Het Loo herinnert, een buitengracht, en een singel vol ruisende eeuwendoude beuken, is zonder meer verrassend - maar zeg dat niet tegen kunsthistoricus Freerk Veldman. Hij is als conservator verbonden aan de Groninger Borgen Stichting, die waakt over het voortbestaan van de Menkemaborg en de vier andere borgen die ons nu nog resten. Ooit waren het er meer dan honderd, stelt hij met klem. De Menkemaborg blijkt niet meer - maar ook niet minder - dan een fraaie exponent van de vervlogen ‘jonkercultuur’ die tot voor een paar eeuwen de Noordoostnederlandse toon zette. Jaarlijks komen er nu zo'n 50.000 bezoekers op af.

Er zijn zo veel borgen verloren gegaan, verduidelijkt Veldman op de bovenverdieping van de Menkema, omdat ze in gedemonteerde toestand meer opleverden dan geassembleerd. ‘In negentiende-eeuwse kranten zie je regelmatig advertenties van de borgheren voor hout van hun singels. Daar begon het mee. Uiteindelijk moest de borg zelf worden verkocht: dan werden de ramen en balken eruit gehaald en werden de bakstenen schoongebikt.’ Op tientallen plaatsen in het landschap zijn nog patronen van grachten en tuinen te zien.

De resterende borgen zijn goed beschermd, maar het behoud van lege borgterreinen is minder vanzelfsprekend. De vraag of er de laatste jaren borgterreinen integraal zijn opgeruimd, kan Veldman ontkennend beantwoorden: ‘Dan zou meteen heel Groningen in rep en roer zijn. Maar er wordt wel aan geknabbeld, bijvoorbeeld door het verleggen van sloten die het borgterrein afbakenen. In het verleden zijn sommige borgterreinen helemaal weggeploegd, grachten zijn dichtgegooid, de terreinen zelf zijn vergraven.’

[p. 82]

Tegenover die vrij hopeloze gevallen staan de borgterreinen waar eigenlijk alleen het gebouw ontbreekt. Gracht en oprijlaan zijn nog overduidelijk aanwezig, terreinwelvingen markeren de plaats van verdwenen opstallen. Hier en daar zijn zelfs al borggrachten ontdempt en markeren jonge bomen oude singels.

 

Route 1 voert langs vier borgterreinen en een bestaande borg. Van de andere borgterreinen zijn dit volgens Veldman een paar aanraders: - Piloersma in Den Ham. Route 1 komt hier dicht langs. Bij de Sietse Veldstraweg gaat u niet linksaf, maar rechtdoor. Piloersma ligt dan na 500 meter rechts. Van de oorspronkelijke borg, in 1521 voor het eerst genoemd, resteert alleen de voorgevel en een deel van het voorhuis; het pand dat u nu ziet, wordt daarom niet tot de vijf resterende borgen gerekend. Maar de singels en grachten zijn authentiek.

- Ewsum in Middelstum. U vindt het borgterrein 200 meter ten noorden van de weg Middelstum-Oosterburen, net ten oosten van het Boterdiep. Hier resteert nog een mooie, lage ronde toren op de hoek van het borgterrein, aan een brede gracht. De toren is een toevoeging van Onno van Ewsum, overleden in 1489, die in zijn jonge jaren in het Heilige Land tot ridder was geslagen.

- Dijksterhuis ten noordwesten van Pieterburen, tussen de Oude Dijk en het begin van de Wiebenerweg, naar Eenrum. Het Dijksterhuis dateert van het einde van de veertiende-eeuw, als steenhuis of mottekasteel. De borg die daarop volgde werd in 1903 gesloopt, na vergeefse pogingen de f 1500,- in te verzamelen waarmee het pand gered had kunnen worden.

- Asinga in Ulrum, net ten zuidoosten van de dorpskern. De borg werd in 1426 voor het eerst genoemd, en in 1809 afgebroken. De gracht is een paar jaar geleden weer uitgegraven, de oprijlaan is opnieuw met bomen beplant en de plaats van de borg zelf is gemarkeerd.

- Borgweer, ook wel Starkenborgh in Wehe, ligt een paar honderd meter ten noorden van de weg naar Leens, en is bereikbaar via een lange, rechte oprijlaan. Deze borg begon ook als borg, en niet als steenhuis, halverwege de zeventiende eeuw. Ook hier zijn de grachten opnieuw gegraven, terwijl lage beplanting aangeeft waar tot 1832 de borg stond.

prepostterug  begin  verder