terug  begin  verderprepost
[p. 88]

Schansen

Rivieren voorbehouden is Nederland tegenwoordig bijna overal in bijna alle richtingen vrij doorschrijdbaar, zeker voor een leger, maar een paar eeuwen geleden was dat anders. Legereenheden die in de Tachtigjarige Oorlog of daarvoor langs de kortste weg van A naar B wilden, riskeerden volledige ondergang. Letterlijk, want het overwegend hoge en droge binnenland van bijvoorbeeld Drenthe, werd omgeven door drassige venen en zuigende moerassen. ‘Wat lopen die mensen raar,’ constateerde dr. Gerrit Overdiep toen hij voor het eerst militaire verplaatsingen op de kaart volgde. Na een dissertatie over de positie van het buitenechtelijke kind in Drenthe tussen 1909 en 1940 - ‘Dat nooit weer’ - begon hij paar decennia geleden aan een ingrijpende studie over de krijgsgeschiedenis van Noord-Nederland. Bij hemzelf is die aanvankelijke verbazing nu geheel verdwenen, maar nog vaak heeft hij moeite om anderen duidelijk te maken waarom betrekkelijk kleine, aarden versterkingen zo'n grote rol konden spelen bij de beheersing van het terrein. Tussen de venen lagen ‘passen’: smalle zandruggen waarin wagens niet wegzakten, en waar je met een of enkele ‘schansen’ de loop van legers en dus van de geschiedenis kon bepalen.

Overdiep: ‘Nu kun je er aan alle kanten langs. Zeg je: wat is dat nou voor flauwiteit? Het is heel moeilijk om mensen van het bestaan van die moerassen te overtuigen. Maar als ik in Hoogeveen zeg dat ze er niet waren, word ik de zaal uit gegooid.’ Schansen zijn niet alleen in het noorden te vinden. Zeeuws-Vlaanderen heeft er nú nog zeker dertig; op de Mookerhei liggen een paar fraaie exemplaren; op Texel wordt er een gerestaureerd. Elders zijn er nog tientallen, en zijn er honderden geweest. Een subcategorie waaraan we hier voorbij zullen gaan, vormen de aarden versterkingen voor eenmalig gebruik: vaak niet meer dan lage aarden borstweringen die tijdelijk bescherming moesten bieden aan een eenheid op doortocht in vijandelijk terrein.

De oudste muur van de versterking waarin Overdiep zelf woont, een monumentale boerderij in Noord-Drenthe, werd opgetrokken in de dertiende eeuw en is daarmee ongeveer even oud als de oudste aar-

[p. 89]



illustratie
De Zwartendijkster Schans.

den versterking die nu nog in Overdieps studieterrein valt aan te wijzen. In 1227 werden bij Noordlaren twee concentrische wallen opgeworpen, de buitenste twintig meter in doorsnee. Samen met de twee bijbehorende greppels completeerden ze de verdediging van een houten verdedigingstoren: een château à motte in modern jargon, de middeleeuwse voorloper van de veel grotere schansen uit de Tachtigjarige Oorlog en daarna (zie p. 71). (Langs andere lijnen ontwikkelde het château à motte zich ook tot het traditionele laat-middeleeuwse stenen kasteel met watergracht.) Helaas moet Overdiep melden dat Nutspete of Mitspete in 1918 vrijwel geheel werd geëgaliseerd door de boer die het terreintje toen pachtte; dat ploegde makkelijker. Alleen bij strijklicht genomen luchtfoto's tonen vage terreinwelvingen. Nog steeds vallen ze niet onder de Monumentenwet, ‘juist omdat er zo weinig van over is,’ wil de ironie van het beschermingsbeleid. Overdiep is daarmee niet gelukkig, mede omdat de constructie van plaatselijke inventiviteit getuigt: ‘Dat de Drenthen zelf wat bedenken, dat komt zelden voor.’

In allerlei gedaanten moeten dergelijke mini-vestingen ooit talrijk

[p. 90]

zijn geweest. ‘Iedereen die zich iets voelde, had er een,’ weet Overdiep. ‘Er was hier toen geen graaf en geen heer; je was op jezelf aangewezen, of op je familie. Als iemand jou de nek wou afsnijden, kon je niet in je boerderij gaan schuilen. Die stond zo in brand. In zo'n houten toren kon je het een dag of vier uithouden. Als je familie je niet kwam bevrijden, ging je eraan. Vanaf de veertiende eeuw maakten ze de torens van steen, daarin kon je ook je gezin bergen. In Niebert is nog een “stins”, een steenhuis. Het is nu deel van een boerderij, maar is nog goed herkenbaar.’

De overgang van motte naar schans is in Noord-Nederland slechts beperkt traceerbaar. ‘In het terrein is er niets meer van over,’ verzucht Overdiep. ‘Bij Aduarderzijl heeft de Saksische hertog omstreeks 1500 een schans gebouwd. Die is helemaal vernietigd bij de aanleg van een nieuwe sluisuitgang. Bij Haren was er ook een: Weerdenbras, bij de rivierovergang. Tussen Peize en de stad Groningen lag de Gelkinge Schans. In de Narratio, een kroniek uit ongeveer 1230, wordt de “Knerdawinkel” als locatie opgegeven, en ik heb een terrein ontdekt waarvan de omgeving “Knersens” wordt genoemd. Ik dacht: dat is 'm! Ik heb het Biologisch Archeologisch Instituut van de Universiteit van Groningen gevraagd even een gaatje te graven om te zien of het juist was, maar ze hebben er geen zin in. Niemand wil erop reageren. Maar het moet wel beschermd worden, anders komt er straks nieuwbouw.’

Uit de bronnen en opgravingen van het bai bij Weerdenbras, werd min of meer duidelijk dat de schansen van voor 1500 strikt genomen ‘redoutes’ waren: vier wallen, haaks op elkaar met een greppel aan de buitenkant. De echte schansen waren verfijnder van opzet. Een van de mooist geconserveerde exemplaren in het noorden is de Zwartendijkster Schans, aan de weg Een-Bakkeveen. Samen met de niet meer bestaande schansen De Friese Palen en de Breeberg werd hij in mei 1593 opgeworpen door soldaten van de Friese graaf Willem Lodewijk van Nassau, op passen tussen het Smilder Veen en de Venen van Nienoord. De Spanjaarden, toen nog in bezit van Groningen en Drenthe, waren begin mei 1593 Friesland binnengevallen en hadden de boerderijen van Bergum, Suameer en Hardegarijp in brand gestoken. Vandaar dus die drie schansen, om herhaling te voorkomen.

Het idee was dat de verdedigers, ongeveer 400 per schans, altijd binnen de wallen bleven. Een numerieke overmacht kon, met verliezen, tussen schans en moeras passeren, te meer daar Willem Lodewijk uitvallen verboden had. Overdiep deelt dat standpunt: ‘Je weet wel

[p. 91]



illustratie
Schansen aan de Gein bij Abcoude, omstreeks 1806 tegen de Pruisische dreiging aangelegd onder supervisie van generaal Krayenhoff, directeur Hollandse fortificaties van de Bataafse Republiek.

hoe je begint, maar niet hoe je eindigt. Wie erlangs was gekomen, had toch altijd het probleem van de terugtocht, en dat eventuele hulptroepen ook langs een schans moesten. Lodewijk zelf zat in 1593 ooit in de Wolveschans bij De Leek, en heeft zich toen niet tot een slag buiten de schans laten uitdagen. Hij was in gezelschap van ridder Vere, een Engelsman van de versterkingen die koningin Elisabeth had gestuurd. Die man vond dat schandelijk, hij wilde vechten.’

Anders dan bijgaande illustraties tonen, hadden de bastions van de Zwartendijkster Schans aanvankelijk een hals van negentig graden. Sinds de invoering van het ‘Nieuw Nederlandse Stelsel’ in de zeventiende eeuw, wijzen de flanken van de bastions onder een schuine hoek naar de courtines, de wallen rond het binnenterrein. ‘Geen dramatische verbetering,’ vindt Overdiep. ‘Bij haakse punten op een bastion heb je vanaf datzelfde bastion een grote dode hoek, maar ondertussen is de indringer vanaf een ander bastion nog steeds goed te raken.’ Een andere verandering was ingrijpender: bij het ‘Oud Neder-

[p. 92]



illustratie
“De Schans”, 1 kilometer ten zuiden van Oudeschild op Texel, dateert van omstreeks 1574. De ontbrekende helft werd in de jaren dertig gebruikt om de zeedijk te verzwaren. Nu vindt restauratie plaats onder auspiciën van de Vereniging Oud Texel (zie ook p. 138).

landse Stelsel’ bevond zich voor de hoofdwal nog een kleinere onderwal, waar vooral de vijand profijt van had. Wie de schans naderde, kon daar dekking vinden. Het tweede bezwaar was dat verdedigers aan de binnenzijde van de onderwal door oprukkende tegenstanders konden worden afgesneden.

Een wezenlijk kenmerk van het Oud Nederlandse Stelsel - dat eind zestiende eeuw naar Italiaanse ideeën was ontwikkeld door Simon Stevin en Andriaan Antoniuszoon - was dat de afstand tussen de bastions gelijk was aan de reikwijdte van een musketschot, ofwel een meter of 180. Hoe groter de schans, hoe meer bastions. Coevorden had er zeven, de in 1876 gesloopte schans rond Groningen zeventien. ‘Drie kwam ook wel voor,’ aldus Overdiep, ‘maar dat was een beetje onhandig. Je stootte aan alle kanten je ellebogen. Niezijl had er drie, en ook Oterdum, op de zeedijk van de Eems. Oterdum is vernietigd, van Niezijl is nog wel wat te zien.’

[p. 93]

Merkwaardig genoeg bleef die afstand van 180 meter tussen de bastions gehandhaafd terwijl de vuurkracht toenam. ‘In de boekjes stond: zo moet het wezen,’ aldus Overdiep. Maar rond 1800 werd het geschut zo krachtig dat de schansen hun kracht verloren. Veenontginningen maakten onderwijl een einde aan de passen als zodanig. Maar het bleven relatief stevige zandlichamen, en dus mooie tracés voor verkeerswegen. Veel schansen, steevast op de plaatsen waar de zandruggen het smalst waren, moesten eraan geloven.

Gereconstrueerde schansen meegerekend, is Bourtange, op de grens van Groningen en Duitsland, de mooiste en grootste van alemaal. In 1851 was Bourtange als vesting opgeheven en verkocht, waarna de nieuwe eigenaren rap de wallen naar de grachten overhevelden, tot er helemaal niets meer van te zien was. In 1971 besefte

illustratie
Bourtange

[p. 94]



illustratie
De Katshaar, een van acht schansen die ooit ten oosten van de weg Coevoerden-Emmen lagen, was een soort douanepost op de weg Vlieghuis-Dalerveen. De vierkante redoute op de voorgrond werd in 1681 al ingetekend op een kaart. Het getenailleerd retranchement op de achtergrond is een toevoeging uit het eind van de achttiende eeuw.

burgemeester mr. G. Loopstra van Vlagtwedde dat onder het gemeentelijk maaiveld een grote potentiële trekpleister schuilging, en dat was goed gezien. Nu komen er 200.000 bezoekers per jaar op af.

In 1976 begon de reconstructie en Overdiep was daar steeds nauw bij betrokken. ‘Als het iets van steen was geweest, had ik het er moeilijk mee gehad. Maar graaf Willem Lodewijk heeft de wallen uit de grond gehaald, in de vorige eeuw zijn ze er weer in gegooid, daarna hebben wij ze er weer uitgehaald - en een volgende generatie kan de grond er weer in gooien.’

[p. 95]

Boerenschansen

Stel: je bent boer, het is een eeuw of vier geleden, en er komt een stelletje ongeregeld op je dorp af. Rovers, losgeslagen soldaten, tuig uit een naburlg dorp. Als je op dat moment moet beginnen aan een verdediging, is het waarschijnlijk te laat. Beter is het als je al een afspraak gemaakt hebt met de heer van een nabijgelegen kasteel, zoals de dorpelingen van het Noordlimburgse Blitterswijck in 1602 deden. Boeren in de omgeving van Neer mochten vanaf 1669 bij onraad een heenkomen zoeken binnen de gracht rond het terrein van het klooster Keyserbosch.

Er waren ook dorpen waar men zonder hulp van hogerhand een wijkplaats had: alleen al in Noord-Limburg en de Peel lagen ooit 36 ‘boerenschansen’, ook wel ‘vluchtschansen’ genoemd. Naar eigen inzicht bouwden de boeren uit een dorp een stervormige omwalling: met een gracht, zoals de meeste verdedigingswerken, maar verder vrij onorthodox van opzet. De locatie moest liefst bijdragen aan de effectiviteit van de schans, op voorwaarde dat hij niet te ver van het dorp lag natuurlijk. In zware tijden trok de hele bevolking, vermoedelijk inclusief vee, zich terug in de schans. De vijand hoefde er niet op te rekenen de schans ongehinderd te naderen, want achter de kruin van de wal lag de dorpsschutterij.

Helaas resten ons slechts weinig van deze boerenschansen. Twee mooie exemplaren liggen in de uiterste noordpunt van Limburg, op de Mookerhei. Veertig meter boven de omringende rivierdalen hadden de bewoners van Mook en Heumen hier respectievelijk een vierpuntige en een vijfpuntige wijkplaats. De Heumenaren mochten hun schans op Mooks terrein bouwen, omdat de boeren van Mook hun vee in betere tijden mochten weiden op de grazige velden van Heumen. De Mooker Schans is een paar jaar geleden gerestaureerd. Ook de Heumense Schans ligt er nog heel goed bij, zoals de omslag van het boek laat zien.

prepostterug  begin  verder