Aan weerszijden van de verharde weg langs de westzijde van het nationale park De Hoge Veluwe ligt sinds acht eeuwen een agrarische enclave van enkele akkers. Zowel in het park als aan de andere kant van de weg, op de Planken Wambuis van Natuurmonumenten, wordt het bouwland omgeven door heide en andere varianten van woeste grond. Daaraan is sinds 1200 natuurlijk wel iets veranderd, maar in essentie is de scheiding tussen het cultuurland van Oud-Reemst en de rest van de wereld ongewijzigd. Dit is een van de laatste plaatsen in Nederland waar de favoriete perceelmarkering van de laat-middeleeuwse agrariër op droge zandgrond, de ‘wildwal’ of ‘houtwal’, zichzelf nog verklaart. U en ik zouden ook een wal hebben opgeworpen als we hier aan het ontginnen waren geslagen: een stevig aarden zandlichaam met bovenop minstens zo stevige begroeiing, om te verhinderen dat wild of grazend vee de rogge en boekweit opvrat, om nieuwkomers geen ruimte te geven voor misverstanden over wat van wie was, om stuivend zand te weren, en misschien wel om te voorkomen dat hongerige wolven in diepgevroren winternachten de schapen verscheurden-of erger.
Wildwallen zijn overal te vinden waar Nederland droog en zanderig is, maar met de aantekening dat 70 procent van het bestand van het begin van deze eeuw níet meer te vinden is, want weggeploegd of gewoon geëgaliseerd.
Joep Dirkx, historisch-ecologisch onderzoeker bij het Staring Centrum in Wageningen, moet helaas melden dat het slechten van wildwallen ook nu nog niet is opgehouden. ‘Met name in Twente en de Friese Wouden verdwijnen ze nog steeds. Anderzijds is het niet meer zo erg als enkele tientallen jaren geleden. Bij herinrichting van een gebied, wat vroeger “ruilverkaveling” heette, wordt nu eerst onderzoek gedaan naar de historisch-geografische waarden, in de hoop dat er rekening mee wordt gehouden bij de planvorming.’
Dirkx en andere medewerkers van het Staring Centrum zijn vaak nauw betrokken bij die inventariseringen, in dat verband worden de wildwallen nu ook in bredere zin onderzocht. Een onopgelost probleem is onder meer hoe ze gedateerd kunnen worden. Vermelding in

Een goed geconserveerd houtwallenlandschap bij Nisse op Zuid-Beveland.
historische bronnen is niet uitzonderlijk, al zijn die vaak betrekkelijk recent. De situatie rond Oud-Reemst is bijvoorbeeld bekend van de kaart die landmeter Nicolaas van Geelkercken in 1629 maakte: het oudste harde bewijs voor het bestaan van wildwallen op De Hoge Veluwe. In het zuiden van het huidige park, waar toen net een ontginning was begonnen, tekent hij ook daadwerkelijk een zandwal op zijn kaart. Bij Oud-Reemst zien we alleen rijen bomen rond de enclave, maar het is goed mogelijk dat ze op een wal stonden.
Organisch materiaal is hier en daar nog wel in de wallen te vinden, en dus zijn C14-dateringen mogelijk. ‘Maar wat weet je dan?’ vraagt Dirkx retorisch. ‘Die wallen werden onderhouden, ze gooiden er nieuw materiaal op, en zo kunnen er eeuwen na de aanleg nieuwe stukken hout in het zandlichaam zijn beland.’ Het hout dat op de wal zelf groeide, verhoogt de onzekerheid omtrent de herkomst van een gevonden stronk. Ook stuifmeelonderzoek heeft tot nu toe weinig opgeleverd. ‘Het is duidelijk dat de wallen als windvangers dienst deden,’ aldus Dirkx, ‘want je vindt stuifmeel van heel veel soorten. Wat we nog kunnen doen is micromorfologisch onderzoek, naar de

Eekschillers aan het werk bij Nunspeet, 1921.
aarde van de wal. Hoe is die opgeworpen? Komt die aarde van akkers af? Van de hei? Van een greppel?’
Hoewel misschien niet van de hoogste urgentie, is dit onderzoek van belang voor herstel en onderhoud van wat we nog aan wildwallen overhebben. Dirkx meldt dat ze bij herinrichting nu vaak in gebruik blijven als perceelmarkeringen, of weer in die rol worden hersteld. ‘Ze zijn beter beschermd naarmate ze beter in de landschappelijke structuur passen. Zo'n losstaand restant wordt veel makkelijker om zeep gebracht dan een wal die over een eigendomsgrens loopt. En daarbij hoort ook dat ontbrekende delen worden opgeworpen.’
Een wildwal is geen wildwal als er geen begroeiing op staat, en daarbij hoort het cyclisch kappen van het eikehakhout. Eens per elf jaar kappen was gebruikelijk, een paar jaar langer of korter kwam ook voor. De stammen zelf werden gebruikt als geriefhout of om de winter buiten de deur te houden; de bast werd eraf geschild en heette dan eek. Dat werd vervolgens vermalen tot run, waarmee leer werd gelooid. Een goed gedijende houtwal was een mooi bezit, vooral wanneer de eekprijzen opliepen, zoals in de tweede helft van de negentiende eeuw.

Op de kaart de houtwallen in het nationale park De Hoge Veluwe.
Onderzoek van het Staring Centrum heeft duidelijk gemaakt dat de snoeicyclus van de wallen vaak parallel liep aan een meerslagstelsel op het land dat ze omsloten. Dirkx: ‘Een paar eeuwen geleden begon de bevolkingsdruk zo toe te nemen dat de wallen steeds vaker werden gebruikt om vee binnen te houden. In beekdalen zie je dat veel: de houtwal lag rond een weidegebied, waar het vee voor de bemesting zorgde. Zodra de wal gekapt was, ging men weer over op akkerbouw. Na een paar jaar was het land uitgeput, net wanneer de wal hoog genoeg was om het vee tegen te houden.’

Het diagram toont het verschil tussen een nieuw aangelegde houtwal, met opgestapelde plaggen aan de kanten, en een geërodeerd exemplaar (naar M.J. Nooren).
De vraag naar run verdween toen chemische looimiddelen hun intrede deden, zo rond de laatste eeuwwisseling. De ‘eekschiller’ verdween uit de economie en de wallen verloren een van hun functies. Terzelfder tijd maakte kunstmest het potstalsysteem overbodig; sindsdien kun je op zandgrond ook landbouw bedrijven zonder mestproducerende schaapskudden. Om schapen van de essen te houden waren de wallen ook veel minder nodig. Tot overmaat van ramp stortten de Heidemaatschappij en het Staatsboschbedrijf zich in de decennia rond 1900 op het beteugelen van de zandverstuivingen.
Om een lang verhaal kort te maken: het onderhoud van wat ons rest aan wildwallen is nu grotendeels vrijwilligerswerk. Elke provincie heeft een stichting voor coördinatie van landschapsonderhoud en -beheer, die werklozen de weg wijst naar slecht onderhouden wallen.
Voor de wallen rond de akkers van wijlen Aalt Ruiter aan de oostflank van De Hoge Veluwe, ter hoogte van de buurtschap Hoog-Baarlo, lijkt het te laat. Dr. Bram Haak, secretaris van de vereniging Vrienden van De Hoge Veluwe, gaat me voor over een klein heideveld en meldt terloops dat deze hei niet zo vergrast is, omdat hier zo veel langer dan elders in de omgeving schapen hebben gegraasd. Waar de hei ophoudt, loopt een 200 meter lange wal die Ruiter en de zijnen in of omstreeks 1848 menige blaar gekost zal hebben. Wind en regen hebben er niet veel van overgelaten. De wal zelf is nog maar een paar decimeter hoog, de belendende greppels zijn nauwelijks te zien.
Veel duidelijker is de begroeiing. Er staan eiken op de wal, en die zijn niet meer gesnoeid sinds Anton Kröller deze grond opkocht in de jaren 1910. De ondoordringbare heg van toen heeft plaats gemaakt voor hoge bomen zonder de minste kerende werking. Saillant is dat sommige stammen aan de voet breed uitdijend littekenweefsel vertonen: sporen van de laatste knotbeurt.
De wal vormt een van de zijden van een rechthoek. De andere walsegmenten blijken het iets beter te maken, en zijn hier en daar ook met beuken begroeid. Als aan deze wildwallen iets gedaan wordt, zal dat geen onderhoud zijn, maar restauratie.
Elders in het park zijn de Vrienden daar al druk mee geweest. De wallen rond Oud-Reemst zien er weer uit als eeuwen geleden, en ook in het midden-noorden van het park is hard gewerkt. Sinds ongeveer 1640 ligt daar boerderij De Pampel. Die is nu omgeven door bos, maar toen door heide en stuifzand. Dat men hier een boerenbedrijf kon beginnen, was te danken aan de luwte van de nabijgelegen Franse

Oude, ongerestaureerde houtwal bij boerderij De Pampel in De Hoge Veluwe.
Berg, een lange stuifzandrug die zo hoog was geworden dat hij zelf een kerende werking had. Niettemin waren wallen rond de akkers noodzaak. Haak wijst op een van de restanten. De gelijkenis met de wallen bij Hoog-Baarlo is groot, maar dat geldt niet voor een aangrenzend walsegment van enkele tientallen meters lang en bijna anderhalve meter hoog. In de zomer van 1993 werd het door Vrienden in de oorspronkelijke staat hersteld. ‘De oude greppel was in de loop der tijd helemaal volgestoven,’ verduidelijkt Haak, ‘dus dat zand lag voor het opscheppen.’ Opmerkelijk is dat de flanken van de wal vrijwel loodrecht zijn, een resultaat dat met los zand niet te bereiken valt. ‘Net als vroeger zijn de zijkanten gemaakt van opgestapelde plaggen,’ legt Haak uit, ‘en daartussen kan je dan zand gooien.’ Een jaar na aanleg is de wal al aardig begroeid, maar een eikehakhouthaag ontbreekt nog. Over een jaar of tien kan die er staan, en dan begint het eigenlijke onderhoud. De Vrienden zijn er nog niet klaar mee.