
De tuinwallen van Texel ontstonden in de zeventiende eeuw toen veranderingen in het beweidingsrecht perceelsmarkeringen nodig maakten. In de lagere delen groeven de boeren sloten, in de hogere delen werden zoden opgeworpen tot 1 meter hoge wallen. Anders dan bijvoorbeeld houtwallen zijn deze wallen alleen met gras begroeid, ook aan de zijkanten. Tuinwallen, of tuunwallen, of tuunwoaltjes gaan daarom heel mooi op in het weidelandschap. Bij zwaar weer hebben de Texelse schapen er veel plezier van, zo veel zelfs dat ze het hele jaar buiten kunnen blijven. (Daarbij helpt ook het typische Texelse schapen-onderkomen dat op de foto te zien is, de ‘boet’.) Op de tuinwallen gedijt de flora, want doorsijpelend regenwater ontneemt de wallen hun voedingsstoffen, en een voedselarm milieu is goed voor een gevarieerde plantegroei. In de loop der tijd zijn al veel tuinwallen verdwenen omdat ze agrarische schaalvergroting in de weg staan. Maar in het landschapsreservaat tussen Den Burg en Oudeschild worden boeren met beheersovereenkomsten aangemoedigd de wallen te onderhouden of zelfs nieuw op te werpen.

Anders dan de tuunwallen van Texel, werden de perceelsgrenzen achter de duinen van Zuidwest-Nederland in de middeleeuwen al direct bij in gebruikneming opgeworpen. Behalve ter markering van wat van wie was, dienden de schurvelingen ook als veekering, en mogelijk ook om stuivend zand tegen te houden. De schurvelingen bestaan uit plaatselijk gewonnen materiaal, dus greppels flankeren deze wallen. In veel gevallen zijn ze overigens niet meer te zien. De oorzaak is dat veel percelen binnen de schurvelingen vanaf 1880 werden verlaagd om maaiveld en grondwater nader tot elkaar te brengen en volledige akkerbouw mogelijk te maken. Het afgegraven materiaal werd op de oude schurvelingen en greppels geworpen. De verhoogde wallen worden op Goeree hoagten genoemd. In totaal zijn nu nog ongeveer 500 van deze wallen bekend, waarvan slechts twaalf echte schurvelingen.
Op de foto plaatselijk wel en plaatselijk niet tot hoagten verhoogde schurvelingen bij Ouddorp op Goeree.

In gebieden waar nabijheid van de zee het grondwater zout of brak maakt, heeft het vee een probleem. De oplossing is om de aanvoer van zoutvrij water van boven te gebruiken. Een gegraven diepte wordt daartoe met een ondoorlatende kleilaag bekleed, zodat het zoete regenwater zich daar kan verzamelen en het vee kan drinken. Vooral in buitendijks kwedergebied zijn dergelijke dobben te vinden. Een mooie reeks ligt bij Ferwerd-Marrum in Noord-Friesland, buiten de zeedijk maar binnen de zomerkaden.
Ook Zeeland had ooit veel van dit soort drinkwatervoorzieningen voor het vee, door de zeeuwen hollestellen genoemd. Bijkomend kenmerk is dat ze helemaal buitendijks liggen, op de schorren. Om waterbederf bij springvloed te voorkomen, was dus een verhoging rondom nodig, en soms zelfs een kunstmatige heuvel met een inzinking op de top. Daar konden de schapen drinken en er desnoods met hun herders wachten op eb. Volgens sommigen was de hollestelle de voorloper van de vliedberg (zie p. 72).
In Zeeland resteren nog vier hollestellen, waarvan nog maar één buitendijks, zoals het hoort. Het is de Bruinisser stelberg, hier op de foto, net aan de noordpunt van Sint Philipsland. De ouderdom is onduidelijk, maar hij staat al op een kaart uit 1645.
Archeologisch is aangetoond dat veel hollestellen die aanvankelijk in onbewoond weidegebied lagen, zo vanaf het jaar duizend kernen werden voor nieuwe dorpen.

Op sommige plaatsen is het Nederlandse landschap zo steil, dat al lang geleden maatregelen nodig waren om bodemerosie tegen te gaan. Een voorbeeld is het gebied tussen Rhenen en Achterberg, maar verder zijn alle graften te vinden in Zuid-Limburg. Vanaf de weg Gulpen-Vaals zijn zeer mooie exemplaren te zien, vooral tussen Wahlwiller en Eys.
De graften werden niet kunstmatig opgeworpen: de menselijke ingreep beperkte zich tot het planten van rijen dicht hakhout, dwars op de hellingsrichting. Een deel van het wegspoelend bodemmateriaal bleef tussen de vegetatie liggen, en anders wei in een van de volgende rijen. Gevolg was dat de percelen daartussen in de loop der eeuwen steeds vlakker werden, en de graften steeds hoger. Sommige zijn nu een meter of vijf hoog.

Nederland is zo rijk aan aarden verdedigingswerken dat er makkelijk een heel boek aan valt te wijden. Het hoofdstuk Schansen behandelt een belangrijke categorie, maar onbesproken blijft onder meer het verschijnsel linie: een keten van versterkingen die binnen elkaars schootsveld zijn gesitueerd, en soms met versterkende wallen daartussen.
Deze foto biedt vanaf Fort Nigtevecht een blik langs de keerkade, die de versterking verbindt met (in de verte) twee schansen aan de Gein (zie p. 91). De schansen dateren van omsteeeks 1806 en werden tussen 1882 en 1914 geïncorporeerd in de Stelling van Amsterdam, een 135 kilometer lange gordel van 42 verdedigingswerken rond de hoofdstad. Fort Nigtevecht uit 1888 moest in kwade tijden zorgen voor de vergrendeling van het net verbrede Merwedekanaal, dat nu Amsterdam-Rijnkanaal heet. De keerkade, omstreeks 1892 opgeleverd, diende om het land aan de zuidkant (links) onder water te zetten en de weilanden aan de noordzijde droog te houden. Verder deed de keerkade dienst als droge verbindingsweg tussen het Fort en de schansen.

Ook dit is een onderdeel van een linie. In 1799 leverden troepen van de Bataafse Republiek bij Beverwijk zwaar slag met Engelse en Russische strijdkrachten. Om herhaling te voorkomen werd het jaar daarop een boogvormige linie van 26 aarden lunetten gemaakt tussen Wijk aan Zee en de Wijkermeer, een gebied dat te hoog lag om bij gevaar onder water te zetten. In 1811 zijn de lunetten nog geïnspecteerd door Napoleon persoonlijk, maar de eersten die er daadwerkelijk gebruik van maakten waren de Duitse bezetters.
Nu resteren bij Beverwijk nog vijf lunetten, rond het kruispunt van de Plesmanweg en de Creutzberglaan. Op de foto de oorspronkelijke nummer elf, die relatief het best geconserveerd is. Na bijna twee eeuwen van verval bestaan nu plannen om de lunetten op te knappenals historische monumenten en ook om hun waarde voor de natuur.

Voordat de bewoners van de lage landen dijken begonnen op te werpen, waren wierden (gronings) en terpen (fries) het logische antwoord op wateroverlast. Het idee was even simpel als effectief: verhoog een plek alvorens er een huis of dorp te bouwen. De dorpswierde van Ezinge (zie ook p. 123) is een van de oudste. De aanleg begon omstreeks 600 v.C., mogelijk met een paar huiswierden die later tot een groter geheel uitgroeiden. Bij de opgravingen door A.E. van Giffen in het begin van de jaren dertig konden ten minste zes opeenvolgende ontwikkelingsfasen worden onderscheiden. Archeologen in het Middellandse-Zeegebied waren al lang vertrouwd met nederzettingen met opgestapelde bewoningslagen. Ezinge was daarvan het eerste voorbeeld in Noord-Europa.
De opgravingen van Van Giffen werden bespoedigd doordat het afgegraven materiaal, 25.000 ton, na onderzoek verkocht kon worden. Naar de zeer vruchtbare terpaarde bestond sinds 1840 een levendige vraag, vooral in de veenkoloniën. Ter vereenvoudiging van het transport werden tal van vaarten gegraven. Massa's terpen, delen van terpen vooral, verdwenen zo uit het landschap. Soms bleef alleen het stuk onder de kerk staan. Van de oorspronkelijke zestien hectare van Ezinge, op de foto, resteert nu ongeveer een kwart. Pas na de Tweede Wereldoorlog brak het besef door dat de winst bij de verkoop niet opwoog tegen het verlies aan cultuur-historische landschapswaarden. Ongeschonden dorpsterpen zijn nu erg zeldzaam.

huisterpen zijn bijna overal te vinden waar Nederland voor de bedijking af en toen onder liep. De huisterpen in de Kop van Noord-Holland, waar de bedijking in de dertiende eeuw begon, dateren overwegend van rond 1100. De huisterpen ten zuiden van Schagen (zie kaart p. 60) zijn nog wat ouder.
Een mooi voorbeeld in het rivierengebied is Brakel (zie kaart p. 53), een heel dorp op huisterpen. Aan de oude Zuiderzeekust is onder meer bij Oosterwolde een grote groep (96, waarvan 32 hoger dan een meter) te vinden uit de periode 1100-1400. De huisterpen van het Kampereiland (foto) liggen daar sinds ruwweg 1300-1700, en zijn doorgaans twee tot drie meter hoog. De aanleg van een snelweg tussen Oss en Joure, de A50, bedreigt nu een groot deel van dit historische landschap.
