|
| |
| |
| |
| |
| |
V.
| |
| |
Honderd spreuken.
I.
Vroeg op, en vroeg naar bed te zijn,
Dat is de beste medicijn.
| |
| |
III.
Hoe langer of men slaapt,
Hoe korter dat men leeft;
Hoe minder dat men heeft.
| |
IV.
Dat er, over 't heele lijf,
Nergens vuil of smetje blijv'....
Zij, des ochtends, 't eerst bedrijf.
| |
| |
| |
V.
Ziel en ligchaam even blank.
| |
VI.
Een vuile hand, al draagt ze een gouden ring,
Blijft toch altijd een leelijk, morsig ding.
| |
VII.
Wees rein en keurig op uw kleêren:
De vogels kent men aan hun veeren!
| |
VIII.
Wie knap gekleed is, zal ik wèl ontvangen,
Wie knap kan praten, zal ik weêr verlangen,
Wie knap kan doen, daar zal 'k mijn hart aan hangen.
| |
IX.
Lustig zij de dag begonnen:
Goed begin is half gewonnen!
| |
X.
Wanneer gij 's morgens aan het werk zult gaan,
Denk eerst aan wat gij gistren hebt gedaan.
| |
XI.
Wie langzaam denkt en handig doet
Die maakt zijn zaakjes zeker goed.
| |
| |
| |
XII.
Wanneer gij handelt zonder overleg,
Zijt ge als een reiziger (geloof wat ik u zeg!)
Die zonder reisgeld trok op weg.
| |
XIII.
Al hadt ge, tot ontwikkling van Verstand,
De beste Meesters van het Land,
Uw geest moet willig zijn en vaardig in 't begrijpen:
Al woudt ge een kei ook honderd jaren slijpen,
Hij wordt toch nooit een diamant.
| |
XIV.
Zal de hazelnoot u smaken,
('t Geldt ook nog voor andre zaken)
Schuw dan niet, den bast te kraken.
| |
XV.
Elk menschenwerk is onvolmaakt,
Het hapert altijd hier of daar,
Doch 't best is, dat we ons best maar doen,
Alsòf het te volmaken waar'!
| |
XVI.
Te laat! dat is een leelijk woord:
Ik hoop, dat gij het nimmer hoort.
Dan is het beter nog, te vroeg!
Maar 't beste, dat is: tijds genoeg!
| |
| |
| |
XVII.
Wie ieder raad te geven weet:
Is voor zich zelv' soms 't minst gereed.
| |
XVIII.
Gistren, is geheugensplaag,
Morgen, maakt de handen traag;
Daarom, doe uw werk: van Daag!
| |
| |
XX.
In geest- en ligchaamskracht,
Die laat' niets onbedacht
| |
XXI.
Die besproeid is met ons zweet.
| |
| |
| |
XXII.
Begeer van kennis steeds het Beste;
Zijt gij tevreê met wat er restte,
Dan krijgt ge niets ten leste.
| |
XXIII.
Eens gezien, is niet gezien,
Tweemaal, is pas half gezien,
Driemaal eerst, is goed gezien.
| |
XXIV.
Wat ge graag gedaan mogt vinden,
Vraag het magen niet of vrinden;
Niemand doet uw zaken goed,
Kindlief! zoo gij 't zelf niet doet.
| |
XXV.
Een blij gelaat, een vroom gemoed,
Een rappe hand, een vlugge voet,
Is ieder kind een kostlijk goed.
| |
XXVI.
't Is niet genoeg den weg te weten,
Wanneer men ergens komen wil;
Ook 't loopen moet gij niet vergeten....
Sta dus in 't goede nimmer stil!
| |
| |
| |
XXVII.
Als men betalen moet of zorgen,
Is de allerslechtste van de slechte borgen:
| |
XXVIII.
Leer te kunnen, wat gij doet,
Leer te willen, wat gij moet....
Maar uw wil en daad zij goed!
| |
XXIX.
Laat gij iets na - of doet gij iet,
Wat gij begeert dat niemand weet of ziet....
Zoo laat het niet - of doe het niet.
| |
XXX.
Honderd handen, hoe ook in de weer,
Doen niet half soms dat, wat ik begeer;
Één verstandig hoofd doet meestal meer.
| |
XXXI.
Wie niet sterk is, kan wijs zijn,
Wie niet mooi is, kan lief zijn,
Wie niet rijk is, kan braaf zijn.
| |
| |
| |
| |
XXXIII.
Als ge in uw binnenkamer zijt
En, eenzaam, meester van uw tijd,
Zorg dat ge in goed gezelschap zijt.
| |
XXXIV.
('t Was dom van den bloed!):
Hoe komt het, dat ik u zoo zelden ontmoet?
| |
XXXV.
Och! geloof me, en zeg het voort:
Meestal is het nuttigst woord
Dàt, wat men ongaarne hoort.
| |
XXXVI.
Oortjes open, mondje toe,
Dat maakt kindren vroom en vroê.
| |
| |
| |
XXXVII.
Uw tong zij sleutel van 't gemoed! -
Maar daarom is het nog niet goed
Dat gij 't voor Ieder opendoet.
| |
XXXVIII.
Een woord te weinig heeft maar zelden nog berouwd;
Een woord te veel heeft altijd kwaad gebrouwd.
| |
XXXIX.
Een, die zijn tong niet houdt in band,
En toch wil door de wereld komen,
Is als een ruiter Onverstand,
Die denkt te rijden zonder toomen:
Geen twintig pas.... daar ligt de kwant!
| |
XL.
Is erger soms (schijn 't ook wat kras),
Dan dat men stom geboren was.
| |
XLI.
Een goede wil, een goede raad,
Maak daarop niet te zeker staat,
Maar houd u aan een goede daad.
| |
| |
| |
XLII.
Soms zegt wel Ja het mondje,
Maar 't hartje dat zegt Neen...
Ik bid je, lieve kindren!
| |
XLIII.
Dubble winst verkrijgen doet?
| |
XLIV.
Veel geven, als men niets te geven heeft,
En dan nog méér ontvangen, dan men geeft,
Gij kunt het, rijk of arm - wees slechts beleefd!
| |
XLV.
Wilt gij geholpen zijn, bedenkt het, jonge maats!
Een goed en vriendlijk woord vindt steeds een goede plaats.
| |
XLVI.
Wanneer een vreemdling u ontmoet,
Kijk dan ten eerste naar zijn hoed....
Men kent een man vaak.... aan zijn groet.
| |
| |
| |
XLVII.
De naarstigheid is grooter schat,
Dan dat gij goud of zilver hadt,
| |
| |
XLIX.
De Luiheid slentert zóó langs straat
Dat de Armoê, schoon ze op krukken gaat,
Haar inhaalt, eer ze er acht op slaat.
| |
L.
De vogels krijgen wel den kost om niet,
Ze ploegen, zaaijen, maaijen, oogsten niet,
Maar zonder vliegen krijgen zij toch niet.
| |
LI.
Een stuiver minder te verteren,
Dan men door arbeid daaglijks wint,
Doet kopergeld in goud verkeeren: -
Onthoud het wel mijn lieve kind!
| |
| |
| |
LII.
Spaarzaamheid heet zijn linkerhand.
| |
LIII.
Wie zich aan sparen heeft gewend,
Al was het daags een enkle cent, -
Hij wordt een guldens Heer op 't end.
| |
LIV.
Of ik een verkwister geev',
Och 't gaat allemaal te loor....
Gooit ge water in een zeef,
| |
LV.
De zuinigheid weet beter raad
Om goed te doen met middelmaat,
Dan rijkdom weet met overdaad.
| |
LVI.
Tien duizend druppels maken gaauw een plas;
Tien duizend centen.... reken eens, hoe ras
Of dat een som van Honderd Gulden was?
| |
| |
| |
LVII.
Wie meer begeert, dan hij verkrijgen kan,
Al was hij ook de rijkste man,
Is armer, dan die weltevreden leeft
| |
LVIII.
De beste rijkdom dien ik weet,
Is brood, dat men in eeren eet.
| |
LIX.
Niet hij is rijk, die meer dan andren heeft,
Maar die aan armer liên van 't zijne geeft.
| |
LX.
Tweemaal geeft, wie daadlijk geeft;
Half slechts weigert, wie beleefd
En met spoed geweigerd heeft.
| |
LXI.
Wie op zijn' rijken buurman ziet
Is arm, al heeft hij daaglijksch brood;
Wie op zijn armen buurman ziet
Is rijk, al zit hij in den nood.
| |
| |
| |
LXII.
Wees met een kleine bron tevreê! -
Zeg mij? al hadt ge een 'heele zee,
Verslaat ge uw' dorst er beter meê?
| |
LXIII.
Veel kleine vischjes zwommen des Morgens in een' stroom,
De Visscher zeî: 'k zal wachten tot er een grooter koom'...
't Werd Avond - en toen zwom er geen een meer in den stroom.
| |
LXIV.
Een kleine haas sprong uit het kruid,
Een grooter haas sprong hem vooruit,
De Jager kwam tot geen besluit,
Hij had ze beiden graag tot buit:
En.... platzak kwam hij 't veld weer uit.
| |
LXV.
Hoe velen gaan, och! bitter kruis!
Om wol - en komen, per abuis,
Zelf kaalgeschoren thuis.
| |
LXVI.
Een enkle vogel in de hand
Is meer, dan twintig op het land.
| |
| |
| |
LXVII.
Wij wenschen dikwijls staat en schat,
Maar denken niet: ‘waar wij iets winnen,
Verliest alligt een ander wat!’
Zeg! zoo het poesje vlerken had,
Wat zou de leeuwrik dan beginnen?
| |
LXVIII.
Schat in de beurs, is prachtig,
Schat in het hoofd, is krachtig,
Schat in het hart, waarachtig!
| |
LXIX.
't Is wèl, te wezen rijk van goed,
't Is beter, uit oud-eerlijk bloed;
Maar 't best is, edel van gemoed!
| |
LXX.
Dartle jeugd, geeft oud geklag;
Mistige ochtend, blijden dag!
| |
LXXI.
Wees niet te dartel, lieve kleenen!
Te hevig lagchen maakt aan 't weenen.
| |
| |
| |
LXXII.
Het Venster uit - gij kwaad humeur!
Weg is het.... Och! éér ik 't bespeur,
Daar staat het alweêr in de Deur!
| |
LXXIII.
Gaat er iets niet naar uw zin,
Laat uw zin er dan naar gaan;
Wie dàt kunstje leert verstaan,
Maakt van elk verlies gewin.
| |
LXXIV.
Wie niet het kwaad als Vijand haat
Dien wordt het (eer hij 't weet of raadt)
Tot Kennis, Gast en Kameraad.
| |
LXXV.
Gij trekt een splinter uit uw Hand...
En laat er toch, onnoosle kwant!
Zoo velen in uw Hart nog en Verstand!
| |
LXXVI.
De mot doorknaagt het beste kleed,
De nijd het beste hart doorvreet: -
Wie dus zich graag voor schade hoed',
Sluit' hart en kas voor dat gebroed.
| |
| |
| |
LXXVII.
Wie met een kool of ander zwart
Zijn buurmans huis smet - of zijn hart!
Maakt ook zijn eigen handen zwart.
| |
LXXVIII.
Ontvangen vreugd, is groot geneugt;
Geschonken vreugd, is grooter vreugd;
Gedeelde vreugd, is vreugd en deugd.
| |
LXXIX.
Dien helpt geen hoorn of bril.
| |
LXXX.
Al te goed, is buurmans gek,
Al te mild, dat geeft gebrek,
Al te wijs, dat koldert ras;
't Beste, dat is: net van pas!
| |
LXXXI.
Wie altijd voor bedriegers vreest
Bedriegt zich zelven 't allermeest.
| |
LXXXII.
Berouw te hebben is een kostlijk ding;
Maar 'k zeg toch, zoo 't aan mijn gevoelen hing,
't Niet nóódig hebben, is nog beter ding!
| |
| |
| |
LXXXIII.
Waar iemand gaarne wezen woû
Daar trekje 'em aan een haartje heen;
Waar iemand heen moet ontevreên,
Daar krijgje 'em met geen kabeltouw.
| |
LXXXIV.
Plêzier, och! wilt het niet vergeten,
Plêzier, mijn kind! is specerij....
En 'k bidje, lievert! zeg het mij,
Wie enkel specerij kan eten?
| |
LXXXV.
Verboden kost, in d'aanvang zoet,
Smaakt op het laatst als enkel roet.
| |
LXXXVI.
Al hebt ge lang de school begeven
Neem dankbaar goede lessen aan:
Wie wijs is, zal graag héél zijn leven
Bij wijzer liên ter schole gaan.
| |
LXXXVII.
Bemin wie U ten goede leîen
Al grijpen ze wat straf uw hand;
Maar o, mistrouw hen, die u vleien....
't Is eigenbaat of onverstand!
| |
| |
| |
LXXXVIII.
Staal, is steviger dan hout,
Zilver, edeler dan staal,
Goud, het duurst van allemaal....
Deugd, is kostlijker dan Goud!
| |
LXXXIX.
Weet ge niet, dat ieder uur zijn plagen,
Ieder uur zijn vreugde heeft?
Daarom leer genieten en verdragen
Kindren! zoo als God het geeft!
| |
XC.
Denkt, Lieven! als zorg u het harte vervult, -
Geen beter remedie voor leed zonder schuld,
| |
XCI.
De wortel heet tevredenheid,
De takken heeten stevigheid,
De bloesems heeten lieflijkheid,
De vruchten heeten zaligheid:
De heele boom heet Matigheid
| |
XCII.
Maar bleef toch steeds een Diamant.
| |
| |
| |
XCIII.
Een windvlaag droeg een korrel zands omhoog
Maar 't bleef toch Zand, ook daar omhoog.
| |
XCIV.
Een leelijkert zag zich in spiegelglas
Gelooft ge, dat de vent toen mooijer was?
| |
XCV.
Wanneer gij rijdt op gladde baan
En iemand struikelt u ter ziĵ,
Die hartlijk graag weer op wou staan,
Rijd niet meêdoogenloos voorbij!
En... bindt meteen Uw schaats wat aan.
| |
XCVI.
Dat ons op aarde wàcht: -
Maar altijd ligt het in de hand van God!
| |
| |
| |
| |
XCVIII.
Och kon men aan het eind van 't leven
Opregt ons het getuignis geven:
‘'t Waar jammer, was hij weggebleven!’
| |
XCIX.
Onze kennis hier vermeêren
Voegt aan Jeugd zoowel als Grijsheid,
Maar uw vreeze, Heer der Heeren,
Is 't beginsel aller Wijsheid!
| |
C.
Knap werkvolk zal zijn Meester niet beschamen.....
Och, of we eens met dien lof voor 't oog des Heeren kwamen;

|
|