terug  begin  verder
[p. 144]

Reuze-banket

Gister, 10 December, was het òngemeen druk.

Als je te werken heb met het koortsig vooruitzicht, dat je om half acht in den schouwburg moet zijn, daarenboven een banket van negenhonderd personen mee gaat eten, dan vlot de materie literatuur minder.

Een gepreoccupeerd man, bezig met schoone scheppingen voor dat deel van de menschheid, dat heusch en waarachtig langere vergissingen dan 'n dagbladfeuilleton leest - hoe dikker 'n boek, hoe geringer de kans - is niet geheel en al los van wereldsche besluipingen, voelt zekere, niet thuis te brengen ontrusting in de stilte der ‘studeerkamer’, als het tikken der klok naar de avondschemering jaagt...

'n Auteur diende ascetisch gelijk een monnik te leven - alleen met zijn gedachten, alleen met zijn fantasieën, alleen met de zotte kinderen van z'n verbeelding, alleen met zijn ‘documents humains’, alleen met z'n pen, papier, sigaren, alleen met z'n worstelingen, bescheidenheid, persuitknipsels.

'n Monnik lijkt de droom voor ons allen, het terugge-

[p. 145]

trokken leven in een cel, zonder bezoek, zonder opstaan voor het middagmaal, zonder 't betalen van rekeningen.

En het eenige dat ons met dit onbereikbare verzoenen kan, is de troostende gedachte dat zùlk een geweldige hoeveelheid monniken de boeken- en romanmarkt nòg vinniger vernielen zou.

Gister, 10 December, was het ongemeen-druk.

Onze oude vriend Brahm, van het ‘Lessing Theater’, had voor de première van Bahr's ‘Die gelbe Nachtigall’ een allerhoffelijkste invitatie gezonden - onze nieuwe vriend Professor Siegfried Ochs, zijn zilveren jubileum met het ‘Philharmonisches Chor’ vierend, verraste met een kaart voor het groote banket in de concertzaal van de ‘Philharmonie’.

Als Miss Maud Allen dienzelfden dag 's middags in het ‘Kammerspielhaus’ van Reinhardt gedanst zou hebben, zooals ze het Donderdag deed, waren we van het tikken der klok in onze kamer, die maar niet voor de aardigheid werkkamer heet, totaal gespeend gebleven.

‘Vriend,’ vroeg 'k per telefoon aan een Berlijnsch auteur, wien 'k vraag als 'k in verlegenheid zit - deze wéét inderdaad: ‘zou ik voor “Die gelbe Nachtigall” òf voor het banket bedanken?... Twee dingen op één avond schijnt te veel’.

‘Verehrtester,’ antwoordde hij met ironisch meelijden in de stem: ‘wij Berlijners vertoonen ons op drie, vier plaatsen tegelijk - je kunt het gemakkelijk beide waarnemen... Ik ga vanavond óók naar 'n theater en dàn naar 'n souper... En jij kunt 't beslist, omdat ter eere

[p. 146]

van Siegfried Ochs een Festspiel “Euphonia” van Alexander Moszkowski opgevoerd wordt en het banket honderd tegen een na het Festspiel komt’...

‘Natuurlijk,’ zei 'k met de stelligheid van 'n jeugdig Berlijner, die niet den schijn van ònwereldschheid aannemen wil.

Het klopte als een bus. Dàdelijk na de voorstelling in het ‘Lessingtheater’, een bakje - half elf bij het banket present - het liep gesmeerd en je bewoog in het leven of je er in geboren was...

Alles vlotte behalve de arbeid. Om een uur waren nauwelijks 'n paar slaperige, lodderig-lyrische, aan alles klevende zinnen uit de pen gekropen - 't behangsel hinderde - de stoelen gaapten in verveling - 't schrijf-bureau deed hopeloos weerbarstig.

Toen, met 'n prikkelbaar humeur, gebruikte je spurtend 't middageten, vastbesloten de schade in te halen. Van twee tot zes kon je 'n màssa wrochten.

‘Wat haast je je?’, verweet mèn.

‘Ik heb nog nièts gewerkt,’ zei 'k ontstemd: ‘en dàn: we krijgen vanavond 'n groot banket - 'k zal bij dat banket iets meer gebruiken - dan komt 't op 't zelfde neer...’

Vijf minuten later zat 'k grimmig te schrijven, pogend de gedachten bij 't werk te houden - om half zes slikte 'k koffie met koek, blij dat de wilskracht 'n weinig bereikt had.

Want, uit de mouwen schudden we geen literatuur...

[p. 147]

Prachtig op tijd waren we bij de voorstelling van ‘Die gelbe Nachtigall’ - volgden met aandacht... doch onthouden we ons van onbenullige, der daagsche pers beter toevertrouwde opmerkingen.

Dit alleen mag vermeld worden, dat we in de pauze honger hadden. Wanneer je om een uur holderdebolder gemiddagmaald heb - om half zes 'n kop koffie gedronken, dan voel je in het midden van den avond 'n bepaald lichaamscentrum, dat tyranniek pleegt te doen.

Meer dan eens heb 'k gelezen, dat arme kunstenaars met 'n léége maag ontroerende gedichten schiepen.

Zola moet met enkel sardine-olie in voornoemd lichaamsdeel voortreffelijk proza geschreven hebben.

Laten we aannemen, dat het mogelijk is - hoezeer je met 'n evenwichtige maag dikwerf met je proza overhoop ligt...

Wat hiervan zij - op mij als ‘jeugdig Berlijner’ heeft het herhaaldelijk een vreemden indruk gemaakt, dat de kunstzoekenden van die wereldstad in de ergste spanning van een tragedie, met vochtige wimpers en trillende lippen, broodjes met leverworst en zalm snoepen.

Een dichter die de menschen hier zóó ontroert dat ze in de pauze géén eetlust hebben schijnt geboren te moeten worden. Zelfs ‘Oedipus’ bereikt het niet.

‘Daar iedereen in de pauze eet,’ meende 'k: ‘kan het ook voor ons geen bezwaar zijn...’

‘Dat zul je vanavond laten,’ meende mijn lotgenoote: ‘... over 'n uur zitten we aan dat reusachtig

[p. 148]

banket van negenhonderd personen, 'n banket zooals we 't nooit in Holland bijgewoond hebben - zóóveel geduld kun je nog hebben...’

De opmerking was niet alleen redelijk, doch volkomen beargumenteerd.

Men verlegt zijn eetlust niet. Men bedwingt de hatelijke geweldenarij van een der meest dierlijke organen. Men went zich aan geestelijk voedsel. Men kent zelfbeperking.

Kalm, glimlachend - immers besloten - en met een horizon van velerlei spijzen - hernamen we de stoelen in de loge, vergaten bij de vertooning op het tooneel de kleine, laffe, onwaardige roerselen der maag.

Doch in de kilte van het rijtuig, huiverig door den overgang uit den schouwburg, zei 'k nerveus-geeuwend: ‘ik heb hònger’.

En de stem naast me klonk als een echo: ‘ik ook.’

Ik geloof dat Herman Bahr in analoge omstandigheden iets dergelijks beweerd zou hebben.

En wij zwegen.

Man en vrouw hebben in zulk een geval matig discours. Vóór een diner zakt de barometer des gemoeds - nà aangename verzadiging breekt de zon in je binnenste stralender door...

Precies half elf waren we in de ‘Philharmonie’, prettig-feestelijk verlicht.

Er liep geen sterveling in de gangen - er klonk geen verwijderde muziek - het geheele gebouw ware mogelijk

[p. 149]

verlaten geweest, als de vestiaires zwart van hoeden, mantels, jassen, niet gedecideerd het tegenovergestelde hadden betoogd.

‘Hoe zonderling-stil is het hier,’ dacht 'k met 'n beklemmend voorgevoel en vroeg de juffrouw van een propvolle vestiaire of het Festspiel ‘Euphonia’ nog aan den gang was.

Zij keek me met een glimlach aan - met een glimlach.

‘U komt te vroeg,’ zeide ze beleefd, en steeds met dien glimlach: ‘ze zijn aan de kip toe...’

‘Aan de kip?’, herhaalde 'k - ook glimlachend.

En met een pijnlijke lichtschuwheid begaven we ons in de groote zaal, de feesthal met 'r oneindigheid van tafels, sierlijk gedekte tafels, tafels met bloemstukken en gezellige wanorde van menschen die al 'n heele poos bezig zijn.

We zaten over vrienden, die zich er over verwonderden dat we eerst nù kwamen, en na de voorstellingen aan de omgeving, meer op ons gemak, bespiedden we voorzichtiglijk het fraai geïllustreerd menu met bazuin-blazende engeltjes, slangen, struisvogels, wolven en vogels.

De ‘Potage Ottomane’ was geweest. De ‘Rinderfilet à la Béarnaise, mit Gemüse’ hadden de fuivers genoten. De ‘Filet von Steinbutte à l'Admiral, mit neuen Kartoffeln’ had de tafelronde gedaan De ‘Böhmische Fasanen’ waren op komst - dan ijs - dan kaas...

Het verleden der spijskaart hadden we gemist, het eenig verleden, waarover fatsoenlijke lieden met eerbied spreken, als het gesmaakt heeft.

Eenigszins bleek en ùit den toon van het feest, zaten

[p. 150]

we voor onze borden, toen de kellners met de fasanten achter onze ruggen bewogen.

Ik ben geen ziekelijk minnaar van ‘lekker eten’, geen aanbidder van ‘òngewone gerechten,’ houd niet van langgerekte diners met 'n half dozijn entrees - maar wanneer je om een uur 's namiddags gehaast 'n paar brokken gehapt heb, daarna behoorlijk gewerkt en 'n avond in den schouwburg gerust, dan wordt 'n keuriggeserveerde fasant met smakelijk-bruine saus en compote - een verfijnde bezoeking, 'n middeleeuwsche kwelling, als je niet meer dan één wetenschappelijk gehakt schijfje van de lengte van een kinderpink durft nemen, om je buren en overburen van de tafel geen verkeerd begrip van je opvoeding te geven.

Men laadt geen kwart of halve fasant met 't excuus van 'n ‘gelbe Nachtigall’ op 't bord van zichzelf en z'n vrouw...

Het smaakte uitstekend, doch begon juist door z'n gedistingeerde kleinheid, z'n twéé pruil-mondjes bijzondere prikkeling, de maag in nauwelijks te bedwingen opstand te brengen.

Het is wijzer niet te eten, dan met 'n hongerige maag van iets te próéven.

‘Als het ijs geweest is, en de kaas,’ zeide 'k: ‘zullen we probeeren den jubilaris de hand te drukken, en ergens in 'n hoekje wat na te eten...’

Tegelijk werd door den voorzitter getikt - het gepraat bedaarde - de burgemeester van Berlijn nam daarop het woord - sprak làng en opgewekt, den

[p. 151]

grijzen Professor Siegfried Ochs in de hoogte stekend.

Toen werden de vuile borden van de fasanten weggeruimd - stak Professor Grünfeld 'n speech af, naar aanleiding van het menu - toen kregen we schoone borden - toen besteeg een afgevaardigde uit Frankfurt het spreekgestoelte, een vòl half uur onverstaanbare loftuiting betoogend, terwijl de kellners met de ijs-schotels geduldig wachtten tot ze de zaal in mochten - toen kregen we teeder-smeltend, eenigszins-lauw ijs - toen droeg een dame een gedicht van meerdere coupletten voor - toen kregen we schoone borden voor de kaas - toen zongen we gezamenlijk een ‘Tischlied’ van vijf coupletten - en toen stond iedereen op, de kaas, de niet-verwerpelijke kaas, die juist binnengedragen zou worden, in den steek latend, om 'n goed plaatsje voor de uitvoering van Alexander Moszkowski's gelegenheidsstuk in de andere zaal uit te kiezen...

Omdat niemand bleef zitten, stonden ook wij op.

Het zou voor de kellners tè bevreemdend geweest zijn, als twee van de negenhonderd gulzig voor de kaas waren gebleven.

Het was bij half een. We hadden twèè uur getafeld. De anderen vier uur.

Als onze vriend ons niet onjuist door de telefoon ingelicht had, zouen we ook de ‘Potage Ottomane’, de ‘Rinderfilet’, de ‘Filet van Steinbutte’ genoten hebben.

'n Leege, opstandige, door 'n centimeter-groot snufje fasant en 'n fiksche portie lauw ijs verschrikte maag is niet op twee uur redevoering aangewezen...

[p. 152]

Na den jubilaris geluk gewenscht te hebben - niemand kon 't helpen! - we hadden te mondain gehandeld - zijn we naar huis gegaan. 'r Moest brood en ham zijn.

Maar de dienstmeisjes, wetend dat de ‘Herrschaften’ 'n banket meemaakten, hadden alles zorgvuldig opgegeten.

'r Lag nog enkel 'n homp roggebrood.

Dien hebben we toen éérlijk samen gedeeld - 's nachts bij tweeën - en in bed mopperde de niet te temmen maag nog...

terug  begin  verder