Intussen, in Nederland - nu de kaart van Irak al bijna weer is opgerold en de televisie-experts hun grote woorden weer hebben ingepakt, blijkt Nederland nog steeds heel erg Nederland te zijn. Het was al snel duidelijk dat ook in deze oorlog voor ons land geen heroïsche rol was weggelegd, noch als bestrijder van de Hitler van Irak, die met zijn ontzagwekkende arsenaal massavernietigingswapens het vrije Westen van de kaart dreigde te vegen, noch als luis in de pels van de verdwaasde supermacht Amerika, die in naam van de vrijheid geen enkele tegenspraak meer duldt. En nu de rook langzaam optrekt, staren we opnieuw in het wezenloze gezicht van onze demissionaire premier, die nog maar een jaar geleden gold als onze hoop in bange dagen. De advocaat van Margarita elleboogt zich alweer naar voren, de nagedachtenis aan Pim wordt weer eens gereanimeerd met pathetische vlaggen en standbeelden. En kijk eens aan, alweer een bergbeklimmer ontmaskerd.
Dat laatste schandaaltje mag gelden als wrange metafoor voor Nederland zelf: iedereen heeft de laatste tien jaar gedacht dat de top met gemak gehaald was, maar waar zijn nu eigenlijk de tastbare bewijzen? Het blijkt een kleinzielige leugen te zijn, van een land dat zichzelf voortdurend groter en heroïscher wil maken dan het is.
In zijn befaamde essay over de Nederlandse volksaard uit
1934, ‘Nederland's geestesmerk’, roemt Johan Huizinga juist de antiheroïsche instelling van de Nederlander. De beroemde historicus zag in de Hollandse nuchterheid - de typische Nederlander was ongevoelig voor extremisme en de verleidelijke illusies van de politieke retoriek - een uitstekend weermiddel tegen de waan van het opkomende fascisme. Hij waarschuwt tegen het valse heroïsme, het nadrukkelijk gezochte heldendom dat het bestaan zin en betekenis moet verschaffen. Een echte held is zich van zijn heldendom niet bewust, hij krijgt zijn eretitel van de nabestaanden. Huizinga:
‘Toewijding en plichtsvervulling moet als lof voor onze daden genoeg zijn. Bij het hedendaagse heroïsme evenwel, zoals politieke machten het aanprijzen, ligt de prikkel in hoogmoed en barbarie. Het is de intoxicatie der gedresseerde scharen.’
Huizinga schreef zijn essay tijdens de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, in een Nederland dat geen idee had van globalisering en de multiculturele samenleving. Hij kon ook geen vermoeden hebben van een nieuw soort valse heroïek, dat zijn rechtvaardiging juist vindt in het bestrijden van de ‘intoxicatie der gedresseerde scharen’; een methode van persoonlijke zelfvergroting die in alles verwijst naar de strijd tegen het fascisme. Dat gaat zo: wie zich heroïsch wil voelen, zoekt een tegenstander in wie hij het zuivere kwaad belichaamd ziet. Bij het bestrijden van dat kwaad is bijna alles toegestaan, allerlei normen en waarden kunnen tijdelijk worden opgeschort, want het gaat nu eenmaal om een zaak van leven en dood.
Die moderne variant van Huizinga's valse heroïek is diep doorgedrongen in de Nederlandse samenleving. Kijk maar naar André Hazes. De Vinkeveense volkszanger werd in 2003 veroordeeld tot duizend euro boete, omdat hij een man had geslagen. Hazes' zoontje had in een vliegtuig zitten klieren in de stoel achter de man, een Noor, en na een paar opmerkingen had deze onmachtig naar het kind uitgehaald met een
krant. Hazes was meteen opgestaan, had de man een dreun in zijn gezicht verkocht, uitroepend: ‘You are Adolf Hitler!’
Ik mag jou op je bek slaan, want jij bent Adolf Hitler. Als je de ander tot het zuivere kwaad verklaart, hoef je aan jezelf geen morele verantwoording meer af te leggen: je bent immers in een heroïsche strijd verwikkeld. Degenen die daar bezwaar tegen aantekenen, die stellen dat het zogenaamde kwaad bij anderen jou zelf niet ontslaat van het koesteren van moreel besef, dat zijn de softies, de besluitelozen, die te verwaten zijn om hun eigen verworvenheden te verdedigen. Aangezien je slachtoffer dreigt te worden, mag je gerust dader zijn.
De Hazes-doctrine geeft zo veel Nederlanders de kans om zich heroïsch te voelen. In de ogen van minister Remkes zie je het vuur van de hoogmoed opvlammen wanneer hij verklaart dat hij de moordenaar van René Steegmans zonder pardon een rotschop had verkocht (niemand die hem gelooft, het is de potsierlijke heroïek van een burgerman die nog geen deuk in een pakje boter kan slaan). Van schrijver Leon de Winter mogen de Israëliërs gerust beulen worden, het is het kwaad van hun vijanden dat dat nu eenmaal noodzakelijk maakt. Liever jouw bloed aan mijn handen dan mijn bloed aan de jouwe.
Wie wil weten hoeveel doden er nu eigenlijk gevallen zijn tijdens Amerika's eigenmachtige invasie in Irak, wordt door columnist Afshin Ellian ogenblikkelijk voor lafaard uitgemaakt, Adolf Hitler werd immers ook niet zonder bloedvergieten verslagen. Ayaan Hirsi Ali pleit samen met Geert Wilders onbekommerd voor het opschorten van bepaalde grondrechten (‘een liberale jihad’) om de vermeende dreiging van een heilige oorlog op Nederlandse bodem de kop in te drukken - is het toeval dat juist nieuwe Nederlanders, die de oude Nederlanders voortdurend beschuldigen van een lakse houding jegens fundamentalisme waaraan ze zelf ter-
nauwernood ontsnapt zijn, de eersten zijn die onze democratische verworvenheden in de uitverkoop doen in hun heldhaftige strijd tegen het kwaad?
De nieuwe valse heroïek staat geen zelfkritiek toe, geen nadere afweging en al helemaal geen nuance. Dat is immers weer die Hollandse lafheid, waarmee de Hitlers die ons van alle kanten omringen alleen maar hun voordeel doen. Onze aarzeling is hun gelegenheid, onze naïviteit hun buitenkansje. Als we om hen te bestrijden onze discussies moeten opschorten, ons zelfonderzoek moeten staken, ons humanisme de nek moeten omdraaien, onze grondwet moeten aanpassen, en in laatste instantie net zo moeten worden als zij, dan moet dat maar.
Zij zijn immers Adolf Hitler.
Huizinga's essay over de Nederlandse volksaard was bedoeld als een bezwering: tegenover de valse logica en de zelfvergrotende retoriek van het communisme en fascisme plaatste hij de Hollandse afkeer van grote woorden, de nuchtere neiging tot het plaatsen van kanttekeningen, het onvermogen zich te laten meeslepen door nationalistische zelfverheerlijking. Juist die eigenschappen worden nu verdacht gemaakt door de aanhangers van de Hazes-doctrine, die er niets anders dan zwakheid en lafheid in zien.
Een liberale jihad!
Arme Huizinga. Arm Nederland.