De plaats waar alle obsessies van het nieuwe Nederland samenkomen, is de supermarkt. Eerst was er de volkse opstand tegen de graaicultuur, klanten die te hoop liepen tegen Albert Heijn en dreigden uit te wijken naar de Aldi, wanneer de nieuwe Zweedse topman niet van ten minste een paar vette bonussen zou afzien. Dan was er het zinvolle geweld van getergde winkeliers, die na de zoveelste overval van bovenaf toestemming kregen hun honkbalknuppels vanachter de toonbank te halen. Aanleiding was de aanhouding en veroordeling van twee supermarktmedewerkers in Amsterdam, die een dief die er met een paar blikjes bier vandoor wilde gaan, een gebroken kaak schopten. Het werd meteen een nationale kwestie, de politiek bemoeide zich ermee, en het koningshuis ook.
Dat hadden ze beter niet kunnen doen, want kort daarna werd de eigenhandige strafmaat voor winkeldiefstal sterk verhoogd: de Duitse Anja Joos werd wegens vermeende diefstal van een paar blikjes bier en hondenbrokken door een aantal vakkenvullers doodgeschopt. Minister Remkes, die bij een eerdere uitbarsting van lukraak geweld voor de schuifdeuren van een supermarkt in Venlo, waarbij een 22-jarige jongen werd doodgeslagen, nog uitriep dat hij graag ter plekke een rotschop had uitgedeeld, verklaarde nu maar dat de hele Nederlandse samenleving uit hufters bestond;
een vorm van wanhopige zelfkritiek, neem ik aan. Ook prins Bernhard greep weer eens naar de telefoon; dit was ook weer niet de bedoeling geweest. De rvd piepte dat de ene zaak niets met de andere te maken had. (Ach ja, de rvd; als Nederland binnenkort een republiek wordt, dan is dat eerder aan dat orgaan te danken dan aan Pierre Vinken.) Binnen een paar dagen groeide de vermoorde Anja uit tot een symbool van - van wat eigenlijk?
Een symbool van algemene morele verwarring, van agressie die steeds weer wordt afgetroefd met agressie, in naam van het bestrijden van agressie? De gewetenloze arrogantie van de zakkenvullers aan de top van de maatschappij, de proletarische graaicultuur van winkeldieven, de wraak van allochtone vakkenvullers, opgehitst door Kamerlid Eerdmans en onze royalty; de Hollandse supermarkt is niet langer een plek van opgewekt consumentisme, van democratisch genivelleerde welvaart en tevreden burgerlijkheid, maar een symbool van nationale verloedering.
Er speelde nog een veelzeggende supermarktkwestie: de twee mannen die geprobeerd hadden het Ahold-concern af te persen, werden veroordeeld tot gevangenisstraffen. Het was een idiote zaak: een natuurkundeleraar en een vertegenwoordiger bij wie ineens de bliksem in hun hoofd sloeg. Ze dachten Ahold voor miljoenen te kunnen afpersen. Om hun eisen kracht bij te zetten, schoot de natuurkundeleraar met een pistool op een aantal willekeurige woningen in Deventer en Meppel en op een filiaal van Albert Heijn in Zwolle; één vrouw raakte gewond. De methode van de afpersers was lachwekkend amateuristisch. Beide mannen verklaarden geïnspireerd te zijn door De ontvoering van Alfred Heineken, die evergreen van de misdaadjournalistiek, geschreven door Peter R. de Vries. Dat boek is een bijbel voor talloze mensen die anders nooit een boek lezen voor voetballers, voor criminelen, en kennelijk ook voor natuurkundeleraren in de provincie.
Waarom is dat boek blijvend populair? Het wordt niet gelezen uit medelijden met de biermagnaat, het wordt gelezen vanwege de glamour van de Hollandse misdaad, de aantrekkingskracht van vrije jongens in een lange Hollandse anti-autoritaire traditie, die ook wezenlijk asociaal is. Ambitie in Nederland, dat is niet Heineken of Albert Heijn willen worden, het is Heineken en Albert Heijn willen afpersen.
Misdaadverslaggever Peter R. de Vries, de auteur van deze everseller, bevindt zich op het snijpunt van een traditionele moraal en die verleidelijke antimoraal; hij was niet bevriend met Heineken, maar met een van zijn ontvoerders, een rascrimineel die toen hij eindelijk zelf was neergeknald, door De Vries in de overlijdensadvertentie werd opgehemeld alsof Mandela was overleden. Het imago van De Vries is dat van een man die weliswaar aan de kant van de Wet staat, maar vaak meer respect kan opbrengen voor de eerlijkheid van zijn criminele tegenstanders dan voor de incompetente, huichelende gezagsdragers, die liever lui achteroverleunen en nog eens een formulier invullen dan het kwaad bestrijden. De politie is goedbedoelend, maar hopeloos kortzichtig, de magistraten zijn wereldvreemd, en de politiek - de politiek heeft er helemaal niets van begrepen. Nee, dan liever de bodyguard en huurmoordenaar Charlie da Silva, die, Peter zei het zelf op televisie, er tenminste eerlijk voor uitkomt dat hij ‘een boef’ is.
Een boef. Als je er eerlijk voor uitkomt dat je een boef bent, ben je al bijna een eerlijke boef. Cor van Hout had dat ook, dat criminele je ne sais quoi, en Klaas Bruinsma moet het ook gehad hebben, want uit de affaire-Mabel Wisse Smit blijkt dat de Dominee niet alleen een enorme aantrekkingskracht had op grootogige meisjes uit goede milieus, maar, gezien alle plotselinge getuigenissen, op een hele horde welvoorziene mannen en vrouwen, die zijn criminele uitstraling allesbehalve negeerden, maar juist bijzonder aantrekkelijk
vonden. Geen wonder dat zijn leven een nationale bioscoop-hit werd.
Laten we net zo eerlijk zijn als Peter R. de Vries. Criminelen zijn in Nederland helden, en niet alleen bij wat voor het volk doorgaat. Bij iedere protserige begrafenisstoet van weer zo'n halfdebiele sterke jongen die ondanks een leger lijfwachten van het kaliber Da Silva toch nog onverwachts in de loop van een huurmoordenaar heeft gekeken, barst de verontwaardiging los. Dat is hypocriet. Zulke platte verering van het kwaad staat in direct verband met het ‘respect’ dat Peter R. voor eerlijke criminelen heeft, maar ook met de rotschop waar minister Remkes van droomt, met de allure die Bruinsma voor de jonge Mabel Wisse Smit heeft gehad, met de droom van een natuurkundeleraar uit Zwolle om net zo'n grote jongen als Cor van Hout te worden, met de fantasie van prins Bernhard en Kamerlid Eermans over sterke mannen die hun eigen boontjes doppen - zo heel anders dan softe politiemannen of kruiperige junks.
De oorzaak van al die gespletenheid is geen werkelijke worsteling met moraal, maar juist het impulsieve verzet tegen een angstig makende leegte. Symbool van dat gebrek aan maatschappelijke cohesie, van boven naar beneden, is de buurtsuper - dat neonverlichte slagveld waar haat en hebzucht, hondsheid en fout heldendom elkaar treffen. Het is onze heart of darkness.