Prins Peter


auteur: Ida Heijermans


bron: Ida Heijermans, Prins Peter. C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1909  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 119]



illustratie

Constance en Adelaïde zijn niet zoo netjes als anders.

‘Kom, kinderen, aan tafel,’ zei de gravin.

Verlegen stonden ze bij elkander: zes kinderen van den dominee, Thomas en Annemietje van den molenaar, Harmen en zijn broertje, twee kinderen van Karel den lakei, twee van den tuinman, Tommy, Sofietje en nog een stuk of zes uit de kolonie. Het was een heel gezelschap, want eindelijk was het plannetje om een feestje te geven werkelijkheid geworden.

En een beetje van de andere kinderen vandaan stonden Constance en Adelaïde van Meeteren de la Lesia tot Brakkelenberg heel rechtop en heel netjes in hun witte kanten jurkjes en keuriger dan ooit hingen hun vlechtjes op hun ruggetjes. De gouvernante was nog niet terug, zoodat zij nog altijd logeerden op het kasteel.

[p. 120]

‘Ga jij maar hier zitten en jij daar,’ regelde de gravin.

Nu waren ze allen geplaatst; Fantasio zat tusschen Tommy en het prinsje. En over de freuletjes: Thomas en Annemietje met hun roode kopjes en het jongetje kon zijn oogen maar niet afhouden van de keurige meisjes over hem. En de zes kinderen van den dominee waren ook bij elkaar gebleven, want de jongste, een dikke broekeman, was gaan huilen, toen hij even zijn zusje niet zag. Sofietje in haar jurkje met biesjes had een plaatsje vlak naast de gravin gekregen en zij zat met een glanzend gezichtje te kijken, net als de andere stadskinderen, als Harmen, en de kinderen van Karel den lakei.

Het eten werd nu opgedragen. Heel stil zaten de kinderen. Harmen, wiens gezicht glom, omdat hij het zoo stevig met groene zeep gewasschen had, en en wiens kuif rechtop stond, zei ook al geen woord.

En Thomas van den molenaar bleef een heel poosje zitten met zijn lepel in de hand, dien hij vergat naar zijn mond te brengen, omdat hij maar keek naar de freuletjes over hem, die met hun kleine, fijne vingertjes zoo keurig aten.

[p. t.o. 121]



illustratie

Blz. 121


[p. 121]

Maar langzamerhand kwamen de tongen los. Sofietje vertelde aan de gravin van het groote wonder, dat haar ouders en Grootje een week bij haar geweest waren. Zij waren juist den vorigen dag vertrokken. En al de kinderen hadden wat bizonders te vertellen, want zij begonnen zich thuis te voelen. De gravin lachte ook zoo vriendelijk tegen de kleine gasten, prins Peter keek zoo vroolijk en Fantasio maakte telkens grapjes.

Toen echter riep opeens freule Adelaïde: ‘O, kijk eens’ en haar vingertje wees vol afschuw naar Harmen's broertje Kees.

Alle oogen werden toen op Kees Vis gericht, die iets deed, wat de freuletjes nog nooit hadden gedaan: Kees had de gestoofde vruchten zoo lekker gevonden, dat hij zijn bord had afgelikt!

Nu schrikte de jongen van zijn misdaad, want zoo vreeselijk verbaasd keken de freuletjes en zoo hard begonnen de andere kinderen te lachen. Daar kon Kees niet tegen; hij zocht troost bij Harmen en begon te huilen. ‘Kijk naar jezelf,’ riep Harmen boos tegen de twee meisjes. ‘Hij heeft jouw bord toch niet afgelikt.’

[p. 122]

‘Vreeselijk,’ zei Constance met een spits mondje.

‘Die saus was ook zoo heel erg lekker, hè, Kees,’ zei Fantasio. ‘We zullen vragen of er nog wat voor je is,’ en de dichter gaf een knipoogje aan den lakei, die Kees nog eens goed bediende. Er viel nog wel een enkele warme traan in den lepel, waarmee de jongen nu at, maar lekker was het toch!

En al meer en meer raakten de tongen los. Annemietje moest op een stoel gaan staan om een versje op te zeggen, dat zij op school zoo heel goed geleerd had; en de kinderen uit de kolonie zongen ook iets, en Tommy zei maar zoo in eens een versje op, dat hij zoo maar in eens gemaakt had, zoodat allen heel verbaasd naar hem keken.

Maar buiten begon het donker te worden. Langzamerhand waren er dikke wolken komen opzetten, zoodat de gravin en Fantasio al eens bezorgd naar den hemel gekeken hadden, want het plan was om den dag buiten te eindigen en nu was er een onweer in aantocht.

Daar begon het al te rommelen, juist toen de maaltijd afgeloopen was.

[p. 123]

‘Dan maar in de ridderzaal, totdat de bui voorbij is,’ regelde de gravin.

Nu trok de heele stoet naar de zaal, van waar men heel ver over den omtrek zien kon. Een felle lichtstraal trok zijn kronkelenden weg door de zwarte wolken, die laag op de zee hingen. Toen deed een windvlaag de boomen zwiepen en het zeewater hoog golven en schuimen. Weer een dreunende, ratelende donderslag.

‘O, o, wat ben ik bang,’ begon Adelaïde te huilen, ‘ik wou naar huis,’ en zij greep de hand van haar zusje, dat heel bleek in een hoek zat.

‘Wat een laffe flauwerd,’ zei Harmen. ‘Kijk ze nou grienen.’

Maar heel stil waren ook de andere kinderen bij elkaar gekropen. Ze lachten en ze zongen nu niet meer. Het ratelde en donderde ook met dreunend geweld: de storm loeide en de felle lichtstralen waren niet van den hemel af.

‘Bang, bang,’ zei Fantasio met zijn rustigste stem en zijn prettigste oogen. ‘Wie is er nu bang? Onze prins Peter? Nee, hè, Peter? Een prins is nooit bang!’

[p. 124]

‘Nee, nee,’ zei het prinsje, ‘ik ben niet bang,’ en hij hief zijn hoofd op en vertrok geen spier van zijn gezicht, toen een donderslag weerkaatst werd door de bergen en de storm de boomen zwiepen deed.

‘En Tommy is niet bang; een dichter is niet bang, hè, Tommy?’

‘Nee,’ zei Tommy, ‘bij u ben ik niet bang.’

‘En Harmen is niet bang. En Kees is niet bang. Daar zijn ze veel te flinke jongens voor!’

‘Menschen, die hun bord niet aflikken, die zijn bang,’ zei Harmen verachtelijk. ‘Ik niet.’

‘Ik ook niet,’ riepen Thomas en Annemietje, ofschoon ze elkaar stijf vasthielden.

‘Ik ook niet,’ riepen nog een paar stemmen.

‘Kijk,’ zei Fantasio met zijn rustigste stem, ‘kijk, hoe mooi die bliksemstraal kronkelt. Daar komt de donder weer. Hoor, hoe het ratelt. En wat stroomt de regen nu! En zie eens hoe wit en hoog de golven zijn. Wat kunnen we dat alles goed zien.’

‘Ja, ja,’ riepen de kinderen en zij drongen rond Fantasio heen.

[p. 125]

Maar in hun hoekje zaten de twee freuletjes nog altijd met bleeke gezichtjes.

‘Kom, meisjes,’ zei de prettige stem van Fantasio, ‘waarom kom je niet hier?’

En Fantasio stond op en haalde de freuletjes binnen den kring. ‘Kijk eens naar buiten, kijk eens hoe mooi.’

‘Ik ben heelemaal niet meer bang,’ troostte een der kinderen uit de kolonie.

‘Ik ook niet,’ zei Sofietje en zij streelde het blanke handje van Adelaïde.

Het geratel verminderde nu. De regen alleen plaste en stroomde nog.

‘Nu spelletjes doen,’ zei Fantasio.

‘Eerst een dansje, zei de gravin en zij ging aan de piano zitten en speelde een vroolijk deuntje.

‘Ik open het bal met Sofietje,’ zei Fantasio en deftig danste hij met de kleine meid, en toen volgde Peter met Annemietje en een zoontje van den dominee met Constance, en Adelaïde met een ander jongetje, en daarachter al de andere kinderen.

Toen begon het op te klaren, de zon brak weer

[p. 126]

door. Nu konden de kinderen toch naar buiten gaan en heerlijk speelden zij, tot het klokje van naar huis gaan sloeg.

Dien avond was er gebeurd wat nog nooit voorgevallen was. De mooie witte jurkjes van de freuletjes zaten met vlekken, want in de hitte van het spel waren zij gevallen; haar handen waren vuil, heusch vuil; heur haar had zorgvuldig geborsteld moeten worden, voor zij slapen gingen, want het had in de war gezeten en hoogroode kleuren hadden zij gehad.

En al de kinderen kwamen thuis, niet uitgepraat over den heerlijken dag.

‘Wat heb ik een pleizier gehad,’ zei Peter. ‘Wat waren ze allemaal aardig.’

‘Als je het maar niet vergeet, mijn kleine prins,’ zei Fantasio.