[p. 37]
origineel
Aen Daniel Heins
.
M
Et walging, jae op't hoochst heb ick veracht het geen
Dat de begaefde mensch berooft van alle reen,
De dulle dronckenschap. maer prach met trogglent gnocken
Nu om een schuyfjen, en van't geen zy gulsich slocken
Een weynichjen ter sluyck. van die (meen ick) die sijn
Oock dronckaerts, niet van Frans of schrale Rijnsche wijn,
Maer Pegasus fonteyn. O driemael drie Godinnen
VVtdeelsters van die dranck, laet my genade vinnen,
Op dat ick desen lof, die ick gans niet verdien,
Mach tegenspreecken, om daer door de Nijdt t'ontvlien,
Die altijdt schrolt op eer, en willens niet wilweten
Dat dit is het gebruyck van aertige Poëten.
VVant ghy Apollo prent niet eens in u gedacht
Dat ick vermetelick my 'tselve waardich acht.
A.R.V.