[p. 70]
origineel
3.
Dum colo foeminam, hoc fio
.
Mijn wijsheyt, mijn verstandt, is minder als twee oogen,
Daer werd' ick van geleyt: mijn hert, mijn groot gemoet,
Mijn mannelick gewelt, en kan sich niet vertoogen,
Als ghy my, o Ionckvrou, de swaeren strijdt aendoet.
Ick worde als ghy sijt. ick geef u lijf en sinnen,
Ick volge naer u doen. Godin, daer ick op bou,
Ick kom u soo na by, dat ick begin te spinnen,
En daer ick was een man, daer ben ick nu een vrou.