WY quamen met het vallen van den avond tot Parys, alwaar ik dien selfden nagt in de herberg bleef, daar de Post in keerde; dewyl ik voorgenomen had by den Graaf van Aspremont niet aan te gaan, uit vreese dat myn wederkomst hem de waarheid van de oorsaak mogt doen gedenken en te kennen geven. Ik bragt dien nagt met een onuitsprekelyk verlangen over, om myn waarde Clarice te sien, die ik dien selfden avond nog sou hebben gaan besoeken, indien ik sulx uit eerbiedigheid niet gelaten had, behalven dat ik geen ander kleed had, als dat ik aan had' also myn andere in het valies waren, dat my by Arras met myn paard weg gevoerd was, en dat ik my geschaamd sou hebben in so een slegt gewaad voor haar te verschynen. Hoe groot dan myn begeerte was van haar te sien, besloot ik nogtans, niet eerder by haar te gaan, voor ik my van ander klederen versien had. So ras het dan dag geworden was, ontbood ik een kleer-maker, en na ik alles gekogt had, dat tot het maken van een schoon kleed vereist wierd, beloofde hy my het selve tegens
des anderen daags veerdig te maken, en hield, tegens de gewoonheid van die van syn order, syn woord. So ras ik dan seer wel gekleed was begaf ik my na het huis van Clarice, daar ik te gelyk met vreugd' en ontsteltenis aan klopte, waar van de eerste in een dodelyke wanhoop en droefheid veranderde, wanneer ik een van de na-buren, die my aan haar huis sag kloppen, verstond, dat haar Moeder, hebbende haar processen tot een gelukkig einde gebragt, en het achterstallige geld van haar Mans besolding ontfangen, omtrent voor een maand, met haar Dogter en haar huishouding naar Lion na haar Man gekeerd was. Het was niet anders als of ik op dese droeve en noodschikkelyke tyding in de aarde sinken sou. Ik sag my op een tyd, wanneer ik, voor het geen ik geleden had, en met duisend kussen van myn waarde Clarice meende ontfangen te worden, by de honderd mylen van haar ontvreemd, hoewel de afgelegendheid van de plaats my niet so seer als de tyd smerte, die ik tot de reis sou van doen hebben, eer ik by haar komen kost. Ik bedagt my dan niet lang op het geen my te doen stond, en besloot aanstonds te vertrekken, na ik my eerst nog een paar schone klederen sou hebben maken laten, om dies te meer aansien by de Vader van Clarice te hebben. So ras deselve dan vervaardigd waren versag ik my (dewyl het niet met myn kleding sou over een gekomen syn, so alleen te komen) van een goed knegt, die myn Weerd my toewees, en twee goede paarden, om also myn staat meerder aansien te geven. Ik had gaarn met den Messager of de Post-bode ryden willen; maar dewyl deselve nog in drie dagen niet vertrekken wilde, getrooste ik my liever een onbekende weg te ryden, als nog langer van myn schone Clarice te blyven.
Ik vertrok dan met myn knegt op een morgen gants vroeg van Parys, en deden onse paarden so wel voort draven, dat wy dien nagt in een klein Dorp, zynde elf goede mylen van Parys gelegen, sliepen. De vermoeidheid die ik had, was oorsaak dat ik den Weerd van de herberg, daar wy ingekeerd waren, eerder van slapen, als van eten sprak, waar van hem het een so seer als het ander belemmerde, dewyl hy my met geen van beide niet alleen qualyk bedienen kost, om dat, syn huis van weinig Reisigers, 't en waar van boeren ofte handwerks-borsten besogt zynde, die het des nagts gaarn met een bos stroo voor lief namen, hy sig van geen spysen versien had, om luiden van myn aansien te konnen onthalen. So ras wy dan een seer nugtere maaltyd geeindigd hadden, bragt hy my op een kamer, daar een bed-stede op stond, en daar hy sei dat ik die nagt in slapen kost, indien ik de goedheid wilde hebben, van seker man, die met ons gegeten, en de mynen van een Quaksalver had, schoon hy sulx niet was, by my te laten slapen. Het schraal gewaad van dese gast sou syn versoek noit tot een gewenst einde gebragt hebben, uit vreese dat hy al te stark vergeselschap in het bed mogt komen, indien hy op deselve tyd niet in de kamer getreden, en my so een diepe en eerbiedige groetenis gemaakt had, dat ik de ondankbaarste van alle menschen most geweest zyn indien ik sulx niet erkend, en hem niet gewillig voor myn bed-genoot aangenomen had. De Weerd, die van vreugde wel haast sou gehuild hebben, dat hy syn gasten in so een goed verdrag sag, wilde uit de kamer gaan, en ons een goede nagt wenschen, wanneer hem den ander bad, dat hy hem eerst pen en inkten een stuk papier sou boven brengen, dewyl hy sulx dien avond, eer hy slapen ging, nog gebruiken most: maar dewyl hem
de Weerd swoer, dat hy nog geen van syn gantsche huisgesind' anders als met kryt boeren-cysers schryven kost en dat hy derhalven nog van syn leven geen duit voor papier uitgegeven had, moest hy sig ten laatste gerust stellen. So ras de Weerd vertrokken was, begost ik my t'ontkleden, en begaf my in het bed, daar ik de achterste plaats innam, terwyl den ander, sonder een woort te spreken, gestadig de kamer met een groote geswintheid op en neer ging, makende de belachelykste mynen van de wereld met syn gesigten handen, als iemand die in diepe gedagten was. Ondertusschen wierd ik, door syn gestadig wandelen over de kamer, van myn rust gehouden, waar door ik hem ten laatsten genoodsaakt was te bidden, dat hy in het bed geliefde te komen, dewyl het my onmogelyk was, so lang hy daar ging een oog toe te doen. Hy bad my, so rashy myn versoek verstaan had, om vergeving, seggende dat eenige gewigtige gedagten, die hy in het hoofd had, daar oorsaak van waren, en begost sig hier op t'ontkleden. Hy had, schoon hy al in het hemt stond, nog syn hoed en paruik op, daar hy sig, na hy de kaars uitgedaan had, mede in 't bed begaf; waar op ik so vreselyk begost te lachen, dat men sulx de gantsche herberg door horen kost, en daar hy my nogtans de oorsaak niet van vroeg, dewyl hy, hoewel hy eerst in 't bed gekomen was, al so vast sliep, dat men hem met trommels, ik laat staan met lachen, niet sou opgewekt hebben. Na ik nog een geruime tyd over desen sotskap gelachen had, overviel my de slaap so geweldig, dat men sou geswooren hebben, dat wy beide in de wed snorkten.
Het was omtrent de midder nagt, wanneer hy my, by een arm trekkende, en so lang met de kop schuddende, tot ik op waakte, vroeg, of ik niet een vuur-
slag by my had, daar hy de kaars mede ontsteken kost dewyl hem in zyn slaap iets in den sin gekomen was daar hy een gantsche maand mede doorgebragt had sonder het nogtans eerder, als nu, uitgevonden te hebben. So ras ik hem dan gesegd, geen vuur-slag by my te voeren, dewyl ik myn Professie maakte van gantsche nagten door te slapen en eerlyke luiden sulx ook te laten doen, begaf hy sig uit het bed en na de deur van de kamertoe, daar hy met een vreselyk geweld riep, dat men hem licht brengen sou, maar dewyl het een stonde was dat ieder in het huis sliep, wierd hy van niemand als alleen van een groote hond gehoord en geandwoord, die op den hof van de herberg aan een keten lag, en die hem in syn hondenspraak te kennen gaf dat hy hem syn bek so ontydelyk wel sou doen houden, indien hy by hem was. Ondertusschen voer den ander gestadig voort met roepen, en siende dat hy geen andwoord kreeg, nam hy de moeite van de trappen selver af te klimmen; maar dewyl deselve niet Compleet, en daar by redelyk bouwvallig waren, had hy het ongeluk, also syn voet een trap, die uitgebroken was, miste: van over hals en kop deselve af te vallen, het welk so een vreselyk geraas veroorsaakte, dat de Weerd daar wakker van wierd, en die, door het blaffen van den hond, geensins twyffelende dat het niet een dief was, sprong, als een man die seer gaarn syn goed bescherm wilde, met een oude verroeste zabel in de hand, ten beddeuit, lopende regt na de trap, daar hy het geraas van daan hoorde komen, daar hy so ras niet by gekomen was, of hy had de onvoorsigtigheid van een sware val over den anderen te doen, die nog voor de trap en op de aarde lag. Ondertusschen geloofde de Weerd nog sekerlyk, dat die geen, die hem so swaarlyk had doen vallen, geen ander als een dief was.
Derhalven wende hy syn uitterste vermogen aan, om van de aarde op te staan, en om hem met den zabel, die hy in de hand had, den kop tot de tanden te kloven; het welk hy ook sekerlyk sou gedaan hebben, indien den ander, syn bloeddorstig voornemen uit eenige voor afgesondene vloeken verstaan hebbende, de voorsigtigheid niet gehad had, om hem den gewapenden arm vast te houden, en hem te seggen, dat hy die geen was, die boven by dien anderen gast sliep, en dat hy alleenlyk de trappen afgekomen was, om hem te seggen dat hy licht begeerde, dewyl hy hem de heerlykste uitvinding des werelds wilde sien laten, die hem in den slaap in den sin gekomen was. De Weerd, die in het vallen met het gesigt tegens de trap geslagen, en dervalven twee van syn beste tanden verloren, en een bebloede en platte neus gewonnen had, meende schier rasend te worden, wanneer hy hoorde dat al dit leven alleenlyk voortquam, om dat hy licht begeerde, en sou hem het verlies van syn tanden door duisend slagen betaald geset hebben, indien hem den ander niet een goede vereering beloofd had, het welk so een kragtige werking op het gemoed van den vergramden Weerd deede, dat hy hem niet alleen het verlies van syn tanden ongestrast vergaf, maar hem daar-en-boven nog een kaars ging ontsteken, daar den ander weinig daar na in myn kamer mede quam, zynde van den Weerd gevolgd, wiens misnoegdheid, niet tegenstaande de geslote vrede, die hy weinig te voren met den andere gemaakt had, men evenwel seer levendig op syn tronie bespeuren kost. Hy sou nogtans eer na de pomp gelopen, om syn bebloede waffel te suiveren als den ander gevolgd hebben, indien hy hem daar toe niet gedwongen had, seggende, dat de uitvinding, die hy em tonen wilde, al te heerlyk was, om maar van twee oogen gesien te zyn, en in-
dien de Weerd niet meer liefde voor de rust van syn Vrouw, die, na het licht onsteken was, wederom te bed was gegaan, en het overige van het huis gesind, als hy gehad had, sou hy, op syn versoek, alles dat in huis was opgewekt, en in onse kamer doen komen hebben.
Ik meende van lachen te bersten, wanneer ik myn by-slaap in het hemd, dat van de Weerd syn bek niet weinig bebloed was, en nog met de paruik en de hoed op het hoofd, waar van de eerste het achterste voor gekeerd was, en een brandende kaars in de hand, eenige malen onse kamer sag op en neer gaan, sonder een woord te spreken, terwyl de Weerd en ik hem met open mont aansagen, verwagtende wat hy ten laatste voortbrengen sou. Na hy nog eenige malen de kamer op en neder gegaan en een stuk houtskool uit de Schoor-steen gekregen had, naderde hy myn bed, en sprak my aldus aan: Het gebrek van pen en papier, myn Heer, het geen my de Weerd op syn verdoemenis geswooren heeft niet in huis te hebben, is oorsaak dat ik my van een stuk houts kool dienen moet, om u een ontwerp of een rouwe schets van een Kasteel te doen sien, dat ik voor een groote somme gelds, die my de Koning, voor het ontdekken van een geheimenis, daar syn gantsche Ryk en des selfs wel varen aan gelegen is, geven sal, op de kant van de Loire, in het Land van Toureine, van waar ik geboortig ben, en nu van daan kom, in 't kort meen te doen bouwen. Ik heb langen tyd groote stryd in myn zelfs gehad, hoe ik de Fâchade of het voorste deel van het Kasteel bouwen sou, op dat het met regt voor een van de grootste wonderen des werelds mogt gehouden werden. Eindelyk is my dese nagt in den sin gekomen, als of het my een Engel ingegeven heeft, dat ik het gebouw vierkant, op ieder hoek een

toren, en boven plat, als op syn Italiaans, maken wil: maar het geen het wonderlykste en het heerlykste van allen zyn sal, dat ik de Loire door eenige pypen boven over myn Kasteel wil doen lopen, voor dewelke ik ysere roosters wil doen maken, waar door ik al de vissen van dese Rivier met de hand sal konnen vangen, die ik naderhand aan al de omleggende Steden wil doen verkopen, het welk my des jaars eenige duisenden sal inbrengen. Ik laat den vernuftigen Leser oordelen, of ik oorsaak had, over dese heerlyke uitvinding te lachen, het welk hy siende, voer hy aldus wyder voort: Geloof niet, myn Heer, gelyk ik aan uw lachen bespeur, dat ik u dingen voor sla die onmogelyk zyn, daar ik u so aanstonds het tegendeel van wil sien laten. Hier op begost hy de wonderlykste Architecture op de muur van de kamer met het voornoemde stuk houts-kool te maken, die oit in de wereld gesien is. Het vermakelykste van allen was de aftekeninge van de pypen, door dewelke hy de Loire over syn huis wilde doen lopen, en dewyl ik bang was, dat ik hem door myn lachen verstoren mogt, hieldt ik my so stemming als het mogelyk was, prysenden syn heerlyke uit vinding met duisend lof-redenen: maar dewyl ik gaarn het secreet begeerde te weten, dat hy den Koning openbaren wilde, en daar hy het geld meende voor te krygen, om dit Kasteel te bouwen, bad ik hem, dat hy my sulx seggen wilde. Dat sal ik so ras doen, als ik wederom by u in het bed zyn sal, antwoorde hy, dewyl diergelyke saken niet als tusschen vier oogen willen geseid zyn, het welk ik evenwel niet doen sou, indien ik niet wist dat gy van Parys en naar Lion gingt, en dat ik derhalven niet te vresen heb dat gy voor my sulx den Koning gaat ontdekken. De begeerte, die ik had, om sulx te weten, deed' my den Weerd win-
ken, dat hy weg sou gaan; het welk hy al vloekende deed', seggende, dat hy niet gedagt had, dat hy op syn oude dagen nog met gekken sou gebruid geweest zyn.
So ras de Weerd vertrokken was, bad ik hem, dat hy in het bed wilde komen, het welk hy, sonder wederom syn hoed of paruyk af te setten, gedaan hebbende, bad ik hem, dat hy my die geheimenis, daar hy van gesegd had, verhalen wilde, het welk hy op dese navolgende wys deed': My is onlangs, myn Heer, sei hy, van geloofwaardige luiden berigt, dat syn Alderchristelykste Majesteit besloten heeft, een groote krygs magt in Holland te senden, om de trotse inwoonders aldaar die sig weigeren het hoofd voor den aldermagtigsten Potentaat des werelds te buigen, tot eerbiedigheid en gehoorsaamheid te brengen: maar dewyl ik in myn jeugd dit Land genoegsaam door-reisd heb, om desselfs gelegendheid beter als een van dit gantsche Koningryk te weten, en dat my wel bewust is datse hun meeste land binnen vier-en-twintig uren onder water setten, en alles verdrinken konnen dat daar op is, vrees ik, dat syn volk in 't midden van hun zegen-pralen zou moeten onverrigter sake wederkeren, het welk een onafwasselyke schande voordesen zegen-ryken Monarch zyn sou. Derhalven hebik, door lange studie, en gestadig nadenken, een middel versonnen, om sig tegens hun sluisen en water-vallen te wapenen, en droogsvoets in hun Land en Steden te gaan. Dese middel is, tegens u, myn Heer in vertrouw wen gesproken, dat de Koning aan ieder van syn soldaten een paar schoenen van kurk hout, dat, als gy weet, de eigenschap heeft van op het water, meer als ander hout, te dryven, die rondom bepekt zyn, om dat het water daar niet in trekt, doet geven, waar mede sy, wanneer de Hol-
landers hun sluisen openen, over het water, als over het land, gaan sullen, sonder eens tot hun enkel nat te worden, en door dese uitvinding sal de Koning sig niet alleen meester van Holland en Nederland, maar ook van Engeland maaken konnen, dewyl syn volk door het selfde middel ook droogsvoets over de zee, als de kinderen Israëls, sullen gaan konnen. En dewyl onse Koning, vervolgde hy, de vrigevigste en dankbaarste van alle Koning en is, ben ik versekerd, dat hy my voor dese uitvinding, door dewelke syn naam tot aan de wolken steigeren sal, ten minste honderd duisend Pistoletten sal vereeren, die ik alle tot het bouwen van het voornoemde Kasteel, daar ik u so aanstonds d'aftekenig van getoond heb, wil besteden, sonder een duit over te houden, dewyl my de vis-vangst in een jaar al het geld, dat ik verbouwd heb, weder geven kan. En dat is de oorsaak, vervolgde hy, waarom ik hier gekomen ben, dewyl ik morgen na Parys meen te reisen, om den Koning aldaar selver myn geheimenis te openbaren. Ik kost my hoe gaarn ik ook gewild had, so niet bedwingen dat ik niet in een vreselyk gelag uitberste, wanneer hy opgehouden had van spreken, het welk hem so verstoord maakte, dat hy my al vloekende den rug toe keerde, en het hoofd in het kussen drukte, seggende, dat ik syn goedheid met spotten en lachen beloonde, daar hy nogtans so goed geweest was, van myn ontfanger over syn vis-vangst te hebben willen maken, daar hy nu een ander mede benificeren ofte begenadigen wilde, en begost weinig daar na met so een geweld te ronken, dat ik daar niet van slapen kost, en nog by twee uuren wakker bleef. Eindelyk overviel my de slaap tegens het aanbreken van den dag: maar dewyl ik myn knegt bevolen had my vroeg op te wekken, had ik nog geen uur geslapen, wanneer hy my
seggen quam, dat het tyd was om te vertrekken. Hoe groote lust dat ik dan tot slapen had, sprong ik nogtans aanstonds uit het bed, en in myn kleeren; en na ik den Waard betaald, en de sotheid van myn by-slaap tegens hem vervloekt had, vertrok ik, nemende met myn knegt de weg na Casiblon en Briare, en so voorts na Nevers, alwaar ik op de middag aanquam.
Eens op een avont, dat ik seer van het ryden vermoeid was bleef ik in een Dorp slapen, dat omtrent ses mylen van Molins gelegen was. So ras ik afgeseten was, ontfing my de Weerd seer vriendelyk, seggende, dat ik so lang in een kamer, die hy my wees, gaansou, alwaar hy sei dat ik goed geselschap aan een Juffer vinden sou, die dien avond ook gekomen was, en des anderen daags wederom vertrekken wilde, en dat hy ondertusschen het avond-maal bereiden sou. Ik vond haar met de hand onder het hoofd aan de tafel, die in de kamer stond, sitten, als een die seer droevig is, hebbende haar Lakey achter sig staan. Sy scheen seer over myn komst verbaasd, staande, so ras ik in de kamer gekomen was, van de stoel, daar sy op geseten was, op, en groete my met een groote zedigheid, en op een manier, die my genoegsaam te kennen gaf, dat sy van geen geringe afkomst was. Ik bad haar, dat sy sig om mynent wil geen moeite geven, en haar plaats behouden sou; het welk sy nogtans niet doen wilde, voor ik de myn te gelyk met haar genomen had. So ras ik geseten was, vroeg ik haar waar sy van daan quam en waar sy des anderen daags heen wilde? Sy antwoorde my, dat sy dien avond van een land goed gekomen was, dat vier mylen van daar lag, en dat sy met het aanbreken van den dag na Molins wilde. De droevige wys daar sy my mede antwoorde, verwekte een groot medelyden in my; en dewyl ik sag dat sy tot verscheide malen sug-
te, en eenige tranen afveegde, die haar uit de oogen borsten, kost ik my niet onthouden, haar de oorsaak van haar treurmoedigheid te vragen, en haar met een myn geringe dienst aan te bieden, indien haar deselve helpen kost. Sy bedankte my met seer groote beleefdheid over myn aanbieding; en na sy haar Lakey, die tot nu toe achter stond, gewenkt had te vertrekken, sprak sy my aldus verder aan:
De zedigheid en edelmoedigheid die ik op uw wesen bespeur, en het medelyden dat gy voor een rampsalige Vrouw schynt te hebben, versekeren my, dat men u saken van meerder gevolg, als die gy van my begeerd te weten, vertrouwen mag, sonder in het geringste aan uw' verswygendheid te twyfelen. Derhalven sal ik geen swarigheid maken myn hert voor u uit te schudden, en u het ongeval verhalen, daar my het nood-lot in gestort heeft: maar eer ik so wyd kom, vervolgde sy, sult gy eerst gelieven te weten, dat ik van het beroemde Huis van Tonerre gesprooten, en uit de Stad Grenoble in Dauphine geboortig ben. Ik was de oudtste van twee Dogters, die myn Vader had; en dewyl hy my meer als myn andere Suster beminde, spaarde hy geen onkosten, om my alles te laten leeren, het geen een Juffer van aansien behoorde te weten. Myn Moeder hield seer goede vriendschap met een voorname Vrouw, wiens Man onlangs gestorven was, en die geen beter troost voor haar verlies, als in de ommegang van myn Moeder vinden kost. Sy had verscheide kinderen, waar van de oudste een Soon, en Saint Clou genaamd was, zynde omtrend van myne jaren. De tederheid van onse jeugd verhinderde niet, dat hy niet iets in my, en ik weet niet wat in hem bespeurde, dat ons wat meerder genegentheid en liefde voor malkander inblies, als die van onse jaren gewoon zyn te gevoelen.
Dit veroorsaakte, dat syn Moeder nimmer by de myne quam, dat hy haar niet bad te mogen vergeselschappen, om met my te spelen, komende noit by my, dat hy my geen schoone vrugten of andere soetigheden medebragt; daar ik hem dan, invergelding, iets anders voor gaf, het geen ik van myn ouders gekregen, of heimelyk door een van ons volk had doen kopen. Ik sou, indien ik niet wat gewigtiger te verhalen had, u duisend kindsche, hoewel sulke sterke en vaste liefdens-tekenen seggen konnen, dat gy met my soud moeten bekennen, dat den Hemel ons voor malkander scheen geschapen en opgequeekt te hebben. Dese liefde, zynde van een veel ryper oordeel en kennis ondersteund, met dewelke wy malkanders verdiensten nu veel beter onderscheiden kosten, nam so geweldig met onse jaren toe, dat onse grootste vergenoeging in malkanders tegenwoordigheid bestond, en den dag, op dewelke wy verhinderd waren malkander te sien, ons sonder glans en licht scheen. Hoewel myn Ouders het dagelyx toewassen van onse liefde genoegsaam bemerkten, en dat Saint Clou ver na so veel middelen, als ik, niet te verwagten had, dewyl syn vader vroeg was komen te overlyden, wildense nogtans onse liefdens loop, door een wreed gebod van malkanders ommegang te myden, niet stuiten, dewyl de seldsame verdiensten en deugden van Saint Clou het gebrek van groote rykdom vergoede. Ach! dat den Hemel gewild had sprak sy al sugtende uit, dat myn Ouders altyd dit edelmoedig gevoelen behouden hadden, en sig door de geld-zugt niet hadden vervoeren en verblinden laten, sou ik de armsaligste en ellendigste van alle vrouwen, als ik nu ben, niet geweest zyn.
Saint Clou had tot nu toe een Onderwyser gehad, die hem de Latynse taal, en de eerste grond-regels
van de studie geleerd had, daar hy, een uitstekend groote lust toe hebbende, grooter volmaaktheid van begeerde, als een van syn geboorte van noden had: maar dewyl syn Onder wyser sig aan het einde van syn wetenschap vond, wanneer de leer-sugt van syn leerling eerst een anvang nam, en dat hy hem alles geleerd had 't geen hy selver wist, wilden syn Voogden, als ook syn Moeder, dat hy een paar jaren op een Academie blyven en sig ophouden sou. Hoe groot nu syn leer-gierigheid was; sou hy nogtans niet van my gescheiden zyn, indien hy niet onder den dwang van syn Voogden gestaan had, oordelende door het verlies van myn tegenwoordigheid meer te verachteren, als hem al de wetenschappen van de wereld voordeel en nut souden konnen by brengen: maar dewyl hy nog jong was most hy die het gesag over hem hadde ten laatste gehoorsamen, en na de Hoge-Schole van Arles in Provence, die doenmaals seer bloeide, en daar syn Vaders Broeder woonde, te trekken. De uitsteekende liefde, die wy beider zyds voor malkanderen hadden, sal u wel doen geloven dat onse afscheid niet sonder de grootste droefheid des werelds toeging, die ons sonder twyfel van het leven sou beroofd hebben, indien de hoop van malkander haast weder te sien, ons niet een weinig vertroost had. Onse liefde, zynde van het voetsel van onse oogen beroofd, wierd door dat van onse Minne-briefjens, die wy dagelyx over en wedersonden, gespysd en onder-houden. Ses maanden waren nu al verscheenen, dat Saint Clou van my gescheiden was, wanneer een jong Edelman, Montlyon genaamd, en van Valence, aan de andere zyde van de Rhône, geboortig, tot Grenoble quam, om sekere erfenis voor syn Vader af te halen. Dit was de beestachtigste van alle menschen, doende niet als spelen, suipen, en dagelyks met de
oneerlykste Vrouwen van de Stad omgaan. De goede vriendschap, die myn Vader met de syne altyd gehouden had, was oorsaak dat hy seer vriendelyk en wel van myn Vader, doen hy hem besoeken quam, ontfangen wierd. Hy had my so ras niet gesien, of hy kreeg meerder liefde en genegentheid voor my, als my aangenaam was, die hy my niet schroomde aanstonds te openbaren, hoewel hy nog geen tweemaal met my gesproken had. Dit weinig ontsag en eerbiedigheid veroorsaakte een dodelyke haat voor hem in my, die ik hem in verscheide voor vallen tonen liet, en daar hy sig weinig aan scheen te keren, dewyl hy wel merkte dat myn Ouders, door de grootheid van syn geld aangelokt zynde, op syn zyde waren, en syn liefde begunstigden, my, op straf van hun ongenade, bevelende hem wel t'ontfangen.
Eens op een tyd, dat hy my wederom quam besoeken, sei hy my, dat hy sig de gelukkigste van alle menschen agten sou, indien hy my voor een Vrouw had. Ik antwoorde hem, dat indien syn geluk daar, als hy sei, in bestond, hy voor seker seer ongelukkig was, dewyl sulx in der eeuwigheid niet geschieden sou. Evenwel, berigte hy, sal sulx binnen weinig dagen geschieden moeten, dewyl uw' Vader my de hand daar op gegeven heeft. Ik antwoorde hem, dat al de gehoorsaamheid, en eerbiedigheid, die ik myn Vader schuldig was, my noit souden brengen konnen om iets te doen, daar ik liever den dood voor lyden wilde, die ik my, indien ik het geweld van myn Vader anders niet ontgaan kost, wel sou weten te geven, so lang als 'er nog gift en staal in de wereld was Hebt gy dan so een dodelyke haat voor my? vroeg hy hier op. Ik weet niet wat ik voor u heb, antwoorde ik op een koele wys; maar ik weet wel, dat ik geen liefde genoeg voor u heb, nog nimmer krygen sal,
om u voor myn Man te nemen; en seg nogmaals, dat...... Gy zyt een sottin, en een onverstandig kleuter, viel hy my in myn woorden; wordende so rood als bloed om het hoofd. Ik wil u, vervolgde hy, geen goed woord daar om geven, dewyl ik behalven dat wel middel vinden sal, om u daar toe te brengen. Dit gesegd hebbende, ging hy, sonder my eens te groeten, ter kamer uit, daar van hy de deur met een groot geweld agter sig toe sloeg. Dese smaad ging my so seer ter herten, dat ik met de tranen in de oogen na myn Vader liep, die ik het selfde verhaalde, hopende hem hier door te bewegen, dat hy my myn vryheid liet: maar Montlyon was al eerst by hem geweest, en had sodanig over myn onbeleefdheid geklaagd, dat myn Vader, van gramschap schier rasend zynde, my de huid vol schold, seggende, dat ik dese antwoord door myn onbeleefdheid en trotsheid verdiend had, daar by voegende, dat ik so stout niet zyn sou, van my langer tegen zyn wil te stellen, en dat hy begeerde, dat ik hem goedwillig binnen vyf of zes weken voor een Man aannemen sou. Ik wierp my dan voor syn voeten, soekende hem door duisenden van tranen en gebeden tot medelyden te bewegen: maar te vergeefs, want hy ging ter kamer uit, seggende, dat ik my bereiden sou hem te gehoorsamen, of dat hy my niet als een Vader, maar als een beul handelen sou. Wat sou ik ongelukkige aanvangen? Ik nam toevlugt tot myn tranen: maar dese waren veel te swak, om my eenige hulp in de nood, daar ik in was by te brengen. De beste middel scheen my, de saak aan Saint Clou te schryven, het welk ik nog dien selfden dag deed'. Hy quam, so ras hy myn brief gekregen had, tot Grenoble, en in ons huis. Celie, sei hy my (want also is myn naam) vallende my met de tranen in de oogen om den hals, is dat de trouw
en de liefde, die gy my so menigmaal gesworen hebt? Meer kost hy voor ditmaal niet voortbrengen, dewyl hy door het snikken belet wierd. Wanneer ik hem het ongelyk, dat hy my, door het twyfelen van myn getrouwigheid, aandeed, voor oogen wilde stellen, quam myn Vader met Montlyon aan de hand binnen. Saint Clou wilde hem gaan groeten: maar hy antwoorde hem, dat hy hem seer verpligten sou, indien hy na desen uit syn huis, en van syn Dogter blyven wilde, dewyl hy haar die geen, die hy voor sig sag, wysende op Montlyon, beloofd, en al gegeven had. Het is niet te beschryven, hoe seer Saint Clou sig over de woorden van myn Vader, en het gesigt van syn Mede-vryer, die hy te voren noit gesien had, ontstelde. Het ontsag, dat hy voor myn Vader en my had, deed hem nogtans dese reden niet beantwoorden, en, kerende sig alleenlyk, met een gesigt, daar de wanhoop en raserny haar beeltenis op het verschrikkelykst' op gedrukt hadden, naar Montlyon, gy sult, sei hy hem, veeleer de dood, als myn waarde Celie omarmen. Dese woorden gesegd hebbende, daar hem den ander niet, als met een smadelyken grim-lag, op antwoorde, ging hy, tot stervens toe bedroefd, ten huise uit, verbergende sig so lang in een huis van onse na-buren, tot hy den beestachtigen Montlyon ook sag uit komen. So ras hy op de straat gekomen was, viel hem Saint Clou, met het rapier in de hand, aan, seggende, dat hy een man van syn woord was, en dat hy nu doen wilde, dat hy hem beloofd had. Gelyk geen aanval heviger kan zyn, als die met wanhoop vermengd is, sogt Montlyon, na hy van syn geweer ontbloot was, te vergeefs de verschrikkelyke stooten van syn verwoede bespringer met deinsen te ontwyken, daar hem eindelyk een van, die hem door het lighaam ging, ter aarde deed' vallen.
Ik sag desen gantschen handel uit myn venster aan; en beken, dat ik niet weinig verheugt sou geweest zyn, wanneer ik die geen voor dood ter aarde had sien vallen, die my in syn leven so menigen traan gekost had, indien het gevaar, daar ik myn waarde Saint Clou in sag, van door het Geregt aangehouden en gevat te worden, my niet in een uitstekende sorg en angst gebragt had: maar de voorsigtigheid van Saint Clou verloste my wel haast van dese bekommernis, dewyl hy sig, so ras hy syn vyand sag vallen, op de vlugt en uit de Stad begaf, gelyk hy my aanstonds door een brief deed' weten, als ook de plaats daar hy sig ophield, het welk op het Land-huis van een van syn goede bekenden was, zynde omtrent twee mylen van Grenoble gelegen.
Ondertusschen was de Vader van Montlyon, hebbende het ongeval van syn Soon verstaan, overgekomen, doende alle mogelykheid tot syn genesing aanwenden. Om kort te gaan, na het verloop van ses weken bragten hem de Wond-artsen en Doctoren so ver dat hy al over syn kamer wandelen, en veertien dagen daar na wederom op de straat, als te voren, gaan kost. So ras hy genesen was, wilde myn Vader, en de syne, dat ons houwelyk, terwyl Saint Clou weg was, en om het Geregt nog in de Stad niet komen dorst, zyn voortgang nam, en dat wy so aanstonds in ons huis door een Priester te samen gegeven wierden. Wat uitvlugt ofte raad, om het t'ontkomen, sou ik ellendige nemen, wanneer ik de Priester sag intreden, en dat myn al te wreede en onbarmhertige Vader my beval, of Montlyon gewillig voor een Man te nemen, of het overige van myn leven in een Tugt-huis te verslyten. Ik wierp my nogmaals voor de voeten van myn Vader, en die van Montlyon, hem biddende, dat hy syn Soon aan geen Vrouw geven
wilde die hem dodelyk hate, en daar hy syn leven geen vrolyk uur mede hebben sou, maar al myn huilen en gebeden waren vergeefs, en vonden de geringste plaats niet op het versteend gemoed van myn ontaarde Vader, die den Priester beval syn Cermonien ofte plegtigheden te beginnen.
So wyd was de bedroefde Juffrouw in haar geschiedenis voortgevaren, wanneer het eeten opgedragen wierd, en de Weerd ons quam bidden, dat wy onse plaatsen nemen wilden; en dewyl hy de goedheid had van sig selven ook aan de tafel met ons te setten, was sy genoodsaakt het vervolg van haar verhaal tot na het avond-maal uit te stellen: Sy wilde in 't eerst aan de tafel niet komen, seggende, dat de droefheid haar het eeten smakeloos gemaakt had, maar ten laatsten liet sy sig door myn gebeden en die van den Weerd, die'er anders syn facit niet by sou gevonden hebben, so seer bewegen, dat sy sig nevens my plaatste, krygende door de graagheid en smakelykheid van my en de Weerd, die by sig selven gesworen had, synmaag franco te versorgen, so een appetyt, dat sy een weinig met ons begost te peuselen, waar door een redelyk corpulent hoen, dat goedlykjes drie pond woeg, in een omsien eclipseerde, en sig in het geraamte op haar tafel-bord sien liet, tot groote hert-seer van den Weerd, die het wel duisendmaal berouwde dat hy haar tot eeten genodigd had. De maaltyd geeindigd, en de Weerd wederom na de keuken gegaan zynde, vervolgde de Juffer haar geschiedenis aldus:
Siende dan, myn Heer, dat myn tranen en gebeden vrugteloos waren, en dat de Priester sig bereide, om ons te samen tegeven besloot ik, hem te nemen, en hem, so ras wy getrouwt waren, met gift, of op een andere wys, aan kant te helpen. Ik beken dat dit besluit noit in de gedagten van een eerlyke Vrouw
behoord te komen, die vrywillig en een Man na haar sin genomen heeft: maar sulx was my wel te vergeven, die door dit gedwongen houwelyk, trouweloos, en meinedig, door het breeken van myn belofte aan Saint Clou, gemaakt wierd; of indien dese reden niet kragtig genoeg zyn, sal my de liefde, die ik voor den laatst gemelden had, en die sig aan geen andere wetten of regels bind, als die sy selver gemaakt heeft, van dese voorgenomen misdaad verder ontschuldigen konnen. Ik wierd dan met Montlyon getrouwd, die my van de eerste oogenblik tekens gaf van het geen hy naderhand worden sou, dat is te seggen, de grootste Tyran en Vrouwen-beul die oit geleefd heeft. Ondertusschen was Saint Clou wederom in de Stad gekomen, en, door toedoen van syn vrienden, met het Geregt versoend; en dewyl myn Man sig in een plaats, daar hy so een gevaarlyken vyand had, niet seker voor syn leven oordeelde, het geen hy van eenige van syn vrienden gehoord had, dat Saint Clou hem op het nieuw wederom gedreigd had te willen nemen, vertrok hy van Grenoble, en ging met my na Valence in syn Vaders huis wonen. Ik meende rasend te worden, wanneer ik dit syn voornemen van hem verstond; en dewyl ik wel wist, dat het my onmogelyk was, my door eenige middel hier tegens te konnen stellen, schreef ik den avond voor myn vertrek een brief aan Saint Clou, die ik hem door de selve maagd, die ons altyd in onse liefde gediend had, toe sond, en waar van de woorden, na ik onthouden heb, dese of diergelyke waren:
I Ndien u bekend is, wat kragt de dwang van een wreede Vader op het gemoed van een swakke en rampsalige Dogter heeft, sultgy my niet van trouwloosheid beschuldigen, dat ik een Man genomen heb, die ik als u selver bekend is,
meer als de dood haat. Evenwel sou ik door myn dood gewisselyk sulx te voor gekomen zyn, indien my niet in den sin gekomen was, dat ik u hier door den eed ende belofte nog niet gehouden had, die ik u van myn besitting gedaan heb, daar my de sekerste en beste middel toe scheen uw' Mede-vryer te nemen, om door syn dood, die ik hem wel haast sal doen indrinken, myn belofte te konnen nakomen, sonder dat de afgelegentgeid (want morgen gaan wy na Valence wonen) het geringste vonkje van die liefdensgloed uitdoven sal, die u toedragende is.
Uw' totter dood toe getrouwe
CELIE.
Lucrece (want so was myn Maagd genaamd) vond gelegentheid om Saint Clou myn brief selver te behandigen, en keerde weinig daar na weder met een brief, die hy haar gegeven had, en die van desen inhoud was:
H Oewel men u, schone Celie, niet sonder het verstand en reden te quetsen, nog trouweloos nog meinedig noemen kan, en dat den Hemel selver een gedwongen misdaad verschoond, laat deselve nogtans niet een dodelyke wanhoop in myn ziel te verwekken, die my wel haast op het geen gy uw' Man dreigd sou doen denken, indien ik niet wist dat hy over myn dood zegenpralen, en door deselve gerustelyk uw' besitting genieten sou, van dewelke, indien gy myn voornemen begunstigen wild, ik hem wel haast beroven sal. Hoe seer my uw' vertrek ter herten gaat, sullen dese ingeslote tranen voor my getuigen: maar dewyl myn levensvoedsel in het aanschouwen van uw' goddelyke oogen bestaat, sult gy het niet qualyk nemen, dat ik myn afgematte ziel somtyds tot Valence, door een
verquikkende zonne-straal van uw aanschyn, kom laven, sonder dese kleine troost te benyden aan
Uw' rampsalige, dog altyd getrouwe
SAINT CLOU.
So ras wy tot Valence gekomen waren, gaf sig myn Man aan het ongebondenste en ongeregelste leven des werelds, brengende een groot gedeelte van syn goed met een oneerlyke Vrouw door, die Jacinte genaamd was, en die hy heimelyk gekamerd had, waar door hy my so weinig als een hond achte, en dikmaals, wanneer hy dronken t'huis quam, deerlyk af sloeg. Ondertusschen was ik seer verwonderd, dat Saint Clou, als hy my beloofd had, niet over quam, nog my syn toestand door een brief weten liet, wanneer my eenige dagen daar na een brief van hem door een Vrouw gegeven wierd, aan dewelke ik hem belast had syn brieven te senden. So ras ik deselve opgebroken had, sag ik, tot myn leedwesen, dat de oorsaak van syn verblyf uit een sware stekte sproot, die hem eenige dagen het bed had doen houden, en daar hy so ras niet van sou genesen zyn, of hy sou my heimelyk komen besoeken, om ons over de middel te beraden, op dewelke wy ons voornemen; van myn godlose Man aan kant te helpen, in't werk stellen wilden. Weinig dagen hier na kreeg myn Man de tyding dat zyn Oom, zynde een oud Vryer, die doenmaals, vier mylen van hier, op een kostelyk Land-huis, en niet wyd van Ville-neuve woonde, gesturven, en syn Vader erfgenaam van al syn goederen gemaakt had. So ras myn Man dese tyding verstaan had, besloot hy, met my op dit Land-huis te gaan wonen, sonder dat hy sig in het geringste
door myn gebeden, van my so ver niet van myn Ouders af te voeren, wilde bewegen laten.
Het geen my het meeste verdroot, was, dat hy syn by-zit Jacinte, onder de naam van huishouderin, met sig voeren wilde, daar ik my, als in het overige, troosten, en geduld in geven most. Wy vertrokken dan met onse gantsche huishouding na dit Land-huis, en quamen hier in het Bourbonnoische gebied wonen, daar wy nog geen maand geweest waren, of Jacinte, siende hoe weinig ik van myn Man geagt wierd, deed' my alderleismaad en verdriet aan, en most voor myn ogen sien, dat sy alle nagten by myn Man sliep, het welk ik haar nogtans liever als myn selven sou gegund hebben, dewyl ik noit als met een schrik en tegenheid by hem te bebbe ging, indien sy hier door ten laatste so trots en stout niet geworden was, dat sy my als haar maagd dorst bevelen, en daar myn Man my dwong haar te moeten in gehoorsamen.
Al die geen, daar ik troost van had, en daar ik myn ongeval aan klagen kost, was Lucrece, onse oude maagd, die van myn kinds-heid af in myn Vaders huis gewoond, en een sonderlinge zugt en liefde voor my had. Wy waren al vier maanden in dit Land geweest, sonder dat ik nogtans de geringste tyding van myn waarde Saint Clou gehad had, wanneer eenmaal op een dag een bedel-jongen voor ons Slot om een stuk brood quam bidden. Myn geluk wilde, dat ik juist voor quam, en wanneer ik hem een aalmoes geven wilde, vroeg hy my, of ik de Vrouw van het huis was? so ras ik hem van ja geantwoord had, overreikte hy my heimelyk een brief, die ik so ras niet besien had: of ik bemerkte aan het opschrift, dat die van Saint Clou quam. Wanneer ik in myn kamer gaan wilde, om deselve te lesen, sei my de jongen, dat hem van die geen, die hem den brief gegeven had,
belast was, antwoord te brengen. Na ik hem dan bevolen had een weinig te wagten, ging ik in myn kamer, alwaar ik de brief opende, en verstond, dat hem syn krankheid tot nu toe belet had by my te komen, en dat hy tot Valence voor eenige dagen gekomen zynde, aldaar verstaan had (want ik had de tyd niet gehad hem myn vertrek te schryven) dat ik met myn Man hier te Lande was gaan wonen, en dat hy aanstonds de post genomen had om my te volgen, en dien dag eerst tot Ville-neuve gekomen was, alwaar hy my bad, dat ik hem in zyn herberg, die hy my beschreef, sou besoeken. So ras ik syn brief gelesen had, schreef ik hem wederom, seer verheugd over syn komst, en seer bedroefd te zyn, dat ik syn versoek niet eerder als des anderen daags, wanneer het Sondag zyn sou, nakomen kost, en dat ik als dan, in plaats van in de Stad de Mis te gaan horen, als ik gewoon was, in syn herberg komen wilde. So ras ik den brief toegezegeld had, gaf ik die aan den jongen, met bevel van die in eigen handen van Saint Clou te geven. Ondertusschen had de lose Jacinte, die al myn gangen en doen verspiede, gesien, dat de jongen, wanneer hy gekomen was, my een briefgegeven had, die sy geensins twyfelde, also Montlyon (want Man wil ik hem niet meer noemen) haar de liefde, die Saint Clou voor my, en ik voor hem had, al verhaald had, dat van hem quam. Wanneer de jongen derhalven met de brief, die ik hem gegeven had, te rug wilde keren, sond hy hem een van onse knegts na, die hem sei, dat de Vrouw, die hem de brief gegeven had, deselve weder begeerde, also sy iets vergeten had daar in te setten, dat haar naderhand in den sin gekomen was, en dat hy so lang wagten, sou, tot hy hem den brief weder bragt. De jongen, die van sig selven eenvoudig scheen, had de geringste
argwaan niet van het bedrog dat hem gespeeld wierd, en maak te de geringste swarigheid niet, om den brief aan de knegt over te geven, die deselve aanstonds aan Jacinte, en die wederom aan Montlyon bragt; die deselve aanstonds op brak. Na hy en Jacinte die verscheide malen overlesen hadden, segelde hy deselve wederom toe, deed' se door de vorige knegt wederom aan den jongen brengen, die hier op vertrok, en wederom na de Stad keerde.
Ondertusschen beried sig Montlyon met Jacinte, wat hy hier in doen, en hoe hy sig best van my wreken sou, daar sy hem den selfden raad toe gaf, die hy naderhand in het werk gesteld heeft. Des anderen daags kleede ik my aan, om, naar myn gewoonheid, de Mis te gaan hooren, en met myn koets alleen na de Stad te ryden, dewyl Montlyon, zedert hem eenmaal een beurs met vyftig Pistoletten in een Kerk ontstolen was, gesworen had, van syn leven geen voet wederom in een Kerk te setten, en sulx ook, als een man van syn woord, nagekomen was, en Jacinte, om syn hert te stelen, was also weinig Kerks als hy. Ik begaf my dan alleenlyk met Lucrece, en die knegt, die gy so aanstonds gesien hebt, en die ook by myn Vader gewoond heeft, na de Stad en de Kerk, daar ik nauwelyx in gekomen was, of ik veinsende my een weinig onpasselyk te worden, ging, van Lucrece en myn knegt gevolgd, na de herberg daar Saint Clou in was, gebiedende myn koetsier so lang voor de deur van de Kerk te wagten, dat ik weder sou gekeerd zyn. Het is niet te seggen met wat vreugde hy my ontfing; blyvende meer als een half uur met de tranen op de wangen, en sonder een woord te konnen voortbrengen, aan myn hals hangen, daar ik hem voor de moeite van syn reis, duisenden van kussen gaf. In dese staat waren wy, wanneer Montlyon, met nog twee van syn
vrienden, ieder met het blote rapier en pistolen in de hand, in de kamer sprongen, daar hy aanstonds een van op Saint Clou loste, sonder hem nogtans te beschadigen. Syn geluk wilde, dat syn beide pistolen op de tafel lagen, daar hy aanstonds een van vatte, en op Montlyon met so een goede uit werking los brande, dat hy ter aarde viel: maar dit wierd hem wel haast door een makker van Montlyon betaald geset, die hem, juist wanneer ik my voor hem wilde stellen, so een sware scheut bragt, dat hy al duiselende tegens de muur viel, daar hy sig evenwel (also syn ander pistool door syn bespieders weg genomen was) langen tyd met het rapier in de hand te weer stelde. Hoe groot nu de liefde was, die ik voor myn waarde Saint Clou had, gedagt ik nogtans meer op myn behoudenis, als om langer by hem te blyven. Derhalven begaf ik my met myn knegt na den hof, alwaar het paard van Montlyon en die van syn gesellen stonden, daar wy elk een van namen, en ons uit de Stad begaven; en dewyl ieder-een van de Stad in de Mis was, wierden wy byna van niemand gesien nog gevolgd, rydende gestadig, so seer onse paarden lopen kosten, voort, en begaven ons een groot stuk weegs van de land-weg af, alwaar wy ons drie dagen verborgen hielden. Eindelyk besloot ik wederom na Grenoble en na myn Ouders te keeren, en sprongen dese middag te paard, en ben desen avond, tot myn geluk, hier gekomen, dewyl ik veel van uw' goedheid verhoop, dat gy my, indien ik door de vrienden van Montlyon gevolgd wierd, niet verlaten, en my, rampsalige Vrouw, so veel u doenlyk zyn sal, beschermen sult.
Hier eindigde de bedrukte Vrouw haar geschiedenis, die van duisenden van haar tranen gevolgd wierd; en na ik haar nog een tyd lang had soeken te vertroo-
sten, en van myn dienst versekerd had, oordeelde ik het tyd te zyn om te gaan slapen, en wenste haar een geruste nagt. Indien ik van die borsten geweest was, die somtyds so een Fortuintje soeken, sou ik mogelyk hier niet qualyk aangekomen zyn; maar dewyl ik vreesde Clarice hier door te verongelyken, en dat ik myn Liefste getrouwer was, als eenig Held daar men in de Romans van leest, quamen my dese oneerlyke gedagten niet eens in den sin. Ik sliep die nagt als een man die van de reis vermoeid was, en myn knegt als een die gesworen had niet in vier-en-twintig uren t'ontwaken: so dat ik genoodsaakt was, na my de Weerd met het aanbreken van den dag opgewekt had, hem door eenige vuist-slagen, en lang trekken by syn ooren, te kennen te geven, dat hy my seer verpligten sou indien hy de moeite nemen wilde van op te staan, en onse Paarden te zadelen. Ik vond de Juffer, wanneer ik in haar Kamer gekomen was, ook al in order, die ik het gewoonlyke morgen compliment maakte, dat is te zeggen, dat ik haar vroeg, ofsy wel geslapen had? dat sy my sei, van droefheid en bekommering voor haar waarde Saint Clou niet te hebben doen konnen. Na wy een weinig te saam ontbeten, en den Weerd, die ons rekende als een man die het quid pro quo wel verstond, en wel wist dat het Kryt niet duur in Vrankryk was, betaald hadden, sprongen wy gesamentlyk te paard, en namen den weg naar Molins. Ik had dien dag de moeite niet van doen om na den weg te vragen, dewyl de Knegt van de Juffer deselve verscheide malen gereden, en de gelegendheid van dat Land so wel wist, dat hy ons de Landweg deed' verlaten, en langs een smal voet-pad deed' ryden, dat hy sei de kortste weg na de voornoemde Stad te zyn: maar dewyl syn Vrouw, door de ongewoonheid van te paard ryden, daags te vooren een blik-aars gekre-
gen had, mosten wy so sagt ryden, dat het al donker begost te worden, sonder dat wy by Molins, dat maar ses mylen van de herberg was, daar wy dien morgen uit gereden waren, nog sien kosten. Eindelyk quamen wy in een bosch; en dewyl het selve smal, en digt met bomen beset was, reed ik voor uit, om te verhoeden dat haar de takken en struiken niet in het gesigt sloegen: maar men kan gedenken hoe groot myn verbaasdheid zyn most, wanneer ik, een pistool achter my hoorde lossen, my van die gewaande Dame, die ik by my had, in de rugge gequetst vond, terwyl haar knegt de myne ook van het paard door eeh pistool-scheut ter aarde deed' vallen, siende my op de selfde tyd van een menigte ruiters, die achter de bomen van daan quamen, omcingeld, waar van eenige my met hun degens aanvielen, en andere hun pistolen op my losten, waar door ik, seer swaar gewond zynde, gantsch verdooft ter aarde viel. Ik weet niet hoe dese schelmen wyder met my vervoeren; maar wanneer ik eindelyk wederom by myn verstand gekomen, en myn sinnen een weinig herhaald had, bevond ik my onder een menigte struiken en afgevallen bladeren leggen, zynde gants naakt tot op myn hemd, dat rood van bloed was, uitgekleed. Ik kroop, so seer myn swakheid en elendige toestand toeliet, op handen en voeten van dese struiken van daan, siende rondom my, waar myn paarden en myn knegt gebleven waren, en waar van ik de laatste wel haast, door de klaarheid van de Maan, nevens my onder eenige ander struiken leggen sag, zynde so wel als ik tot het hemd toe uitgekleed. So ras ik, hem niet sonder groote pyn, genaderd was, sag ik, tot myn leedwesen, dat hy dood en al verstyfd was. Ik laat den bescheiden Leser oordelen, hoe my ongelukkige in dese erbarmlyke toestand most te moede zyn, siende
my van wonden bedekt; van klederen en geld ontbloot, en in een naar en eensaam bosch in de nagt moederlyk alleen. De liefde die wy gemeenlyk voor ons leven hebben, deed' my, hoeelendig ik ook gesteld was, nog op de behoudenis van het myne denken, en dewyl myn wonden gestadig voort bloeden, stopte ik deselve so goed my mogelyk was, met eenige stukken linnen, die ik van myn hemd scheurde. Na ik sulx so goed als my doenlyk was, verrigt had, stond ik van de aarde op, gaande, door hulp van een stok, die ik van een boom gebroken, had, so goed als myn swakheid toeliet, gestadig voort, vervolgende den selfden weg daar ik te voren langsgekomen was. De koude van de nagt en de onbekendheid van de weg, maar voor al myn swakheid, en de smerte van myn wonden, deden my t'eenemaal aan myn behoudenisse wanhopen, wanneer ik my aan het einde van het bosch bevond, van waar ik het blaffen van eenige honden, als ook eenig licht, dat ik oordeelde niet boven een quartier-uurs van my te zyn, gewaar wierd. De inbeelding en de hope die ik had, dat het een Dorp ofte eenige boeren huisen zyn mosten, daar zig dese troostelyke ster vertoonde, verdubbelde myn moed, en by gevolg myn kragten, so dat ik, na ik nog een geruime tyd somtyds gegaan, en dan wederom op handen en voeten voort gekropen was, ten laatste in dit Dorp quam. Ik klopte aanstonds voor het huis daar ik het licht gesien had, 't welk het eerste van det Dorp was, en in het welk ik een groot gekarm en gesteen hoorde. Ik klopte verscheide malen, sonder dat myn geopend wierd. Eindelyk quam een oude Vrouw voor den dag, die, my de deur geopend, en in so een erbarmlyke toestand gesien hebbende, zynde van het hoofd tot de voeten met bloed bedekt, een verschrikkelyk geschreeuw gaf, en de deur wederom
toe wilde slaan, het welk ik merkende, en konnende niet langer op de straat blyven, stak de stok daar ik my op leunde, daar tusschen, waar door sy nog vervaarlyker als te voren schreeuwde.
Ik begaf my dan in huis, volgende de oude Vrouw in een kamer na, daar ik haar sag ingaan, en daar ik nauwelyx in gekomen was, of ik sag een jonge Vrouw op een leun stoel sitten, hebbende achter het hoofd en de rugge eenige kussens leggen, en twee of drie Vrouwen voor sig staan; makende een erbarmlyk gekarm, waar uit ik merkte, dat het een Vrouw was, die in de geboorte sat. So ras ik in de kamer gekomen was; maakte de Kraam-vrouw, en de andere Vrouwen, die om haar stonden, nog een veel groter getier en geschreeuw als de oude Vrouw gedaan had, daar ik haar geen onregt in geven kost, dewyl myn gestalte en gedaante so afgryselyk was, dat een veel onversaagder daar voor sou geschrikt hebben. De schrik die myn tegenwoordigheid aan de Kraamvrouw veroorsaakt had, was so groot, dat sy, die (als ik naderhand verstond) nu al boven de drie dagen in barens nood en in een onuitsprekelyke angst geseten had, aanstonds van een jonge Soon verloste. Dese so voorspoedige en gelukkige uitkomst veranderde al haar angstig geschreeuw in een groote vreugden-galm, noemende my verlosser en ontbinder der barende. Ik beantwoorde dese lof redenen als een man, die doenmaals nergens minder luit als tot complimenten had, haar alleenlyk biddende, datse my huisvesten en herbergen wilde. De oude Vrouw, die my eerst aan de deur ontmoet, en dat de Moeder van de verloste was, antwoorde my, met bekragting van eenige aansienlyke vloeken, dat'er niet meer als twee bedden in het gantsche huis waren, van dewelke de Kraam-vrouw op het eene, en sy met nog een Vrouw
op het andere leggen, en dat de Man van de verloste ten dien einde selver dien nagt in de kroeg van het Dorp slapen most, daar sy my sei ook heen te willen voeren, met versekering, dat ik aldaar seer wel gepleegd en onthaald zyn zou, also de Weerd haar Soon was, dog met beding, dat ik haar, eer sy my daar henen bragt, eerst verhalen sou, hoe ik in dese ellendige toestand gekomen was, het welk d'andere ook begeerde te weten: maar ik bad haar, dat sy my eerst te bedde wilde helpen, en ter plaatse voeren daar sy my beloofd had te brengen, en dat ik als dan haar begeerte gaarn voldoen wilde. De nieuwsgierigheid, die sy te samen hadden om dese toeval te horen, deed' haar alle van de Kraam-vrouw lopen, en my navolgen, terwyl my de oude onder den arm nam, en na de kroeg van het Dorp leide, daar myn gedaante geen minder verwondering veroorsaakte, als deselve in het eerste huis gedaan had. Een menigte dronke boeren quamen my, so ras ik daar gekomen was, aanstonds omcingelen, en schenen groot medelyden met my te hebben, gelyk ook de Weert, maar voor al de Man van de verloste Vrouw, voornamentlyk, wanneer hy van de oude verstaan had, dat ik de oorsaak was dat hy Vader (so syn Wyf niet loog) van een jonge Soon geworden was, op welke tyding hy aanstonds naar het huis liep. Ondertusschen had de Weerd de voorsigtigheid van my te vragen, so ras hy van my verstaan had dat ik van struik-rovers so mishandeld was, of ik geen geld behouden had? En hebbende neen daar op geantwoord, gaf hy my in seer duidelyke termen te verstaan, dat hy dan ook geen herberg voor my had: maar dewyl de boeren de barmhertigheid, tegens hun gewoonheid, hadden van voor my te bidden, en dat de Vrouwen, die my uit het eerste huis: om myn Avantuur te horen, na
gevolgd waren, haar gebeden daar onder mengden, quam hy ten laatste so ver, dat hy my toestond in de stal te mogen leggen, sonder dat myn voor-sprekers en plenipotentiarissen hem daar toe brengen kosten, dat hy my een bed vergunnen wilde; het welk den Pastoor van het Dorp siende, die tot myn geluk daar ook was, hoewel het Saterdag avond was, en dat hy des anderen daags preken most, bood my, door een edelmoedigheid die men by die van syn Order ongewoon is syn huis en bed aan, het welk ik sans facon aannam, en met hem na huis ging. Daar gekomen zynde, deed' de goede Ziel-sorger aanstonds door syn meit een goed vuur aanleggen, daar hy my op een groote leun-stoel met kussens, byna op de wys als de voorgemelde Kraam-vrouw, voor deed' setten, het welk ik voorwaar wel van doen had, dewyl ik meer door de kouw van de nagt, (hoewel het al diep in de Somer was) als door myn wonden en het verlies van myn bloed, buiten myn selven was. Hy selver liep ondertusschen na de Barbier van het Dorp, terwyl de boeren en de vrouwen, die my uit de kroeg nagevolgd waren, my so lang aan de ooren schreeuwden, tot ik ten laatste, indien ik anders vrede wilde hebben, genoodsaakt was hen myn ongeval te verhalen. Weinig daar na keerde de Pastoor met den Barbier weder, die, schoon hy de mynen had al of hy sig beter op het schrapen van een boeren-baard, als op het genesen van eenige schade ofte wonde verstond, evenwel niet na liet sig te bemoeyen om my door een menigte quaad Latyn, en termen van syn Konst, die ik even so weinig als het Arabisch verstond, te doen begrypen, dat hy een seer handig en ervaren man was. Myn Heer, sei hy my, so ras hy myn wonden besien, en het bloed daar afgewasschen had, de slimste en gevaarlykste van uw' wonden oordeel ik die in het
hoofd hebt, dewyl de Nervus opticus en de durum Mater, so my dunkt, geleert zyn, waar door het nodig zyn sal, dat ik door het crocum Martis eerst het bloed stil, en den houw met een emplastrum Opodeltoch te samen houde, daar na sullen wy geen groote moeite hebben deselve te mundificeren en incarneren. Ook dunkt my, vervolgde hy, dat gy eenige schade aan den Nuchus hebt, waar door ik judiceer, dat gy een sware val van uw paard gedaan hebt, en op den Nuchus gevallen zyt, het welk my de contusie en de collisie, die ik op de gemelde plaats bespeur, genoegsaam notificeert, waar door vele schadelyke accidenten souden konnen gecauseert worden, die wy nogtans door een emplastrum defensivus & praeservativus sullen soeken te praevenieren. Wat de schoot aangaat, voer hy voort, die gy in de Lumbus hebt, deselve heeft geen gevaar, dewylder alleenlyk carneuse, en geen dangereuse partyen, nog arterienofte venae majores geoffendeert zyn, en sulk sal ligtelyk door het unguentum AEgyptiacum gecicatriseert en gesloten worden.
Duisend diergelyke barbarische termen spoog hy met gantsche melk-mouwen vol uit den hals, van dewelke ik een ieder, also ik die niet verstond, een onwederroepelyke sententie van myn dood oordeelde. De boeren verheften ondertusschen met het verbum admirationis van Morbleu! de vernuftige en schrandere raisonnementen van onsen hand-langer ofte Coadjuteur der Nature, (want dit heerlyke epitheton geven sig de snot-schrabbers) en oordeelden hem eenpariglyk waardig en bequaam te zyn; om t'eeniger tyd het Geestelyk ampt, indien het quam vacant te worden, van Koster, of wat meer is, School-meester van het Dorp te worden.
So ras ik myn natuurlyke warmte wederom bekomen had, bad ik den Gods-Cavallier, dat hy my een
bedde wilde doen bereiden, dewyl ik het rusten doenmaals seer van noden had. So ras het zelve geschied, en ik daar ingedragen was, stelde de goede Pastoor twee boeren voor myn bed, die my bewaken, en op my passen souden, schoonse dien nagt so vast sliepen, dat mense met geen trommels sou ontwaakt hebben. So ras het dag was, quamen de Schout en de eerwaardige Burgemeesters van het Dorp voor myn bedt, om de saak t'ondersoeken, en die selver uit myn mond te horen. Ik had hen so ras niet berigt dat myn knegt vermoord, en de plaats genoemd daar het lighaam te vinden was, of se sonden aanstonds eenige boeren uit om het selve te halen, die weinig daar na met het selve wederkeerden, en op hun Kerkhof begroeven.
Na het verloop van omtrent veertien dagen nam myn genesing sodanig toe, dat myn Barbier my buiten allegevaaroordeelde, en op een seer elegante wys van de dood vry sprak. Derhalven bad ik den Pastoor, also ik selver de magt nog niet had, van een brief aan Belindor, en den Koopman, die myn geld tot Gent onder handen had, te willen schryven, en aan de eerste myn toestand te laten weten, en van de laatste een goede sommegeld t'ontbieden, op dat ik na myn genesing myn reis wederom sou konnen bevorderen. Om kort te gaan, en den geduldigen Leser niet met de verdriegtste omstandigheden van myn genesing op te houden, so gelieft te weten, dat myn wonden na het verloop van ses weken t'eenemaal, hoewel meer door de begunstiging des Hemels, als door de wetenschap van myn Barbier, genesen en gesloten waren, en ik ook op deselve tyd antwoord van Belindor en van myn Koopman kreeg, waar van de eerste myn ongeval met duisenden van tranen, daar syn brief mede besaaid was, betuigde, my versekerende, dat nog de liefde van syn Vrouw, nog de sorg die een
huishouder gemeenlyk vergeselschapt, bequaam zyn souden om hem in dese toeval van my te houden, indien een sware krankheid, die hem zedert eenigen tyd het bed had doen bewaren, hem niet belette hier in syn schuldigheid af te leggen. Het troostelykste dat ik in syn brief las, was dat hy my, tot voldoening van myn schade, honderd Pistoletten vereerde, waar van de wissel brief in die van myn Koopman ingesloten was, en aan seker Bankier tot Molins hield. Des anderen daags na ik dese brieven ontfangen had, begafsig de goede Pastoor, op myn versoek, na de voornoemde Stad, die maar drie mylen van daar gelegen was, (want de gewaande verraderesse, die my onder de moorderen gebragd had, had my van de Stad afgeleid) en ontsing de voornoemde somme voor my. So ras ik dan wederom so veel kragten bekomen had, dat ik het bed verlaten, en in de tuin, die achter het huis van den Pastoor was, op en neder gaan kost, versag ik my wederom van eenige klederen, en van andere noodsakelykheden, die tot myn reis dienstig waren; en na ik den Pastoor een goede vergelding voor syn huisvesting en moeite gegeven, en myn Barbier behoorlyk geloond had, die een getuigenis van myn hand, aangaande syn heerlyke cuur, begeerde, om sig in voorvallende gelegendheid daar van te konnen dienen, vertrok ik naar Molins, van waar ik my des anderen daags met de Messager van Parys, die daar door moet, naar Lion begaf.
Daar gekomen zynde, ging ik in de Vlaamsche straat in de Jager t'huis leggen, alwaar ik van den Weerd verstond, dat Clarice sig met haar Ouders, eenige dagen te voren, na een Land goed, het geen hen toebehoorde, en twee mylen van de Stad, en aan de kant van de Rhone gelegen was, begeven had. Het is niet te beschryven hoe seer my dese tyding ter herten ging;
maar hoe groote begeerte ik ook had, om by haarte zyn, dorst ik nogtans, uit vrese van haar Vader, die ik nog noit gesien had, en dien ik verstond dat een wonderlyke Griek was, haar niet volgen, en op het land besoeken gaan: maar dewyl het aangenaam saisoen van het jaar en het schone weder my voor een lang afwesen deden dugten, besloot ik, na haar woning te gaan, en van haar maagd, die mede tot Parys geweest was, en my altyd seer genegen en toegedaan geschenen had, sulx te gaan vernemen, als ook, ofmyn afzyn haar Juffers liefde niet seer verslapt had. Daar gekomen zynde, wierd my de deur van een vreemde maagd geopend, van dewelke ik verstond, dat de andere, die voor haar daar gewoond, en die ik tot Parys gesien had, onlangs met een burgers soon uit de Stad getrouwd, en derhalven al eenige weken van Clarice haar Ouders afgeweest was. De begeerte die ik nogtans had, om met haar te spreken, en haar aangaande myn liefdens-saken te bevragen, was oorsaak dat ik na haar woning vroeg, die sy my so ras niet beduid en gesegd had, of ik begaf my na haar toe. Myn geluk wilde, dat ik haar alleen te huis vond, so dat ik de beste gelegendheid des werelds had, om myn voornemen in het werk te stellen.
Na sy my dan met de grootste vreugde en verwondering ontfangen had, vroeg ik haar alles 't geen ik aangaande myn liefdens saken begeerde te weten, en verstond, dat Clarice sig wonderlyke gedagten over myn lang verblyf gemaakt had, en niet weinig verstoord was, dat ik haar op haar brief, die sy my, wanneer sy met haar Moeder schielyk door haar Vader naar Lion ontboden was, van Parys geschreven, (schoon my deselve niet ter hand gekomen was) en haar vertrek van daar te kennen gegeven had. Verders verhaalde sy my, dat de oorsaak waarom sy so
schielyk van Parys vertrokken was, geen andere was, als dat haar Vader, hebbende het gelukkig einde van syn processen vernomen, haar aanstonds te huis ontboden had, om met een ryk Provensaals Edelman, Brion genaamd, uit te trouwen; het welk so ras geschieden sou, als hy van het land, daar sy met hem en haar Ouders voor eenige dagen na toe gegaan was, weder sou gekeerd zyn. Hoe seer my dese tyding bedroeven most, sullen die geene lichtelyk oordeelen konnen, die sig in dese toestand bevonden hebben, voornamentlyk, wanneer ik hoorde, dat sy, door de geschikkelykheid en de goede hoedanigheden van dese myne nieuwe en niet min gevaarlyke Medevryer, de geringste wederstand nog tegenheid over dit houwelyk aan haar Ouders niet bespeuren liet. Na ik met een menigte tranen de werking, die dese tyding in myn ziel veroorsaakte, getoond, en my over de veranderlykheid en d'ontrouw van Clarice nog een geruime tyd beklaagd had, scheen sy groot berouw te tonen my sulx gesegt te hebben, en sogt my op allerlei wys te vertroosten, voorgevende, dat de veranderlykheid van Clarice geen andere oorsprong had, als uit de gevatte argwaan van de myne, en door de verachting, die het stilswygen op haar brief haar deed' geloven dat ik voor haar persoon en liefde hebben most; daar by voegende, dat sy geensins twyffelde, dat myn tegenwoordigheid, en myn tong, die sy oordeelde my niet qualyk gehangen te zyn, alles wederom vergoeden, en myn liefdens-saken wederom in haar vorige toestand brengen souden, tot het welke sy my haar hulp seer gewillig aanbood. Dese troostelyke reden setten de ongestuimigheid van myn treurmoedig hert wederom eenigsins ter neder; en na ik haar, tot bevesting van haar goede gunst, een goude Pistolet, die sy met een groote je vous
remercie aannam, gegeven, en sy my nog meer als te voren van haar getrouwigheid en dienstwilligheid versekerd had, vertrok ik so vergenoegd, als een man die het huilen nader als het lachen was.
Veertien gantsche dagen bragt ik in de grootste ongerustheid des werelds door, na welkers verloop Melinde (so was de gewese Maagd van Clarice genaamd) my quam boodschappen, dat sy met haar Ouders van het Land wedergekeerd was, en dat sy haar aangaande my gesproken, en gesegt had, dat ik in dese Stad gekomen was, daar sy sei niet weinig verwonderd en verbaasd over geweest te zyn, voornamentlyk, wanneer sy haar myn onschuld, so als sy die uit myn mond verstaan had, te kennen gegeven, en versekerd had, dat ik geen brief van haar gesien, maar wel een aan haar geschreven, en haar daar de oorsaak van myn verblyf in te kennen gegeven had, en dat ik verhinderd was eerder by haar te komen, door sekere rampen, die my onder weeg bejegend waren, en die Melinde my sei dat sy sonder tranen niet toegehoord had. Ook wist my dese aangename en troostelyke bode te berigten, dat de betragting van myn onschuld, van het geen sy my beloofd, en de nieuwe verbintenis, die sy met Brion, door dwang van haar Ouders, gemaakt had, haar in de grootste swaarmoedigheid des werelds gestort hadden, die door een regtvaardige knaging haars gewissens byna in een rasende wanhoop veranderd was. Eindelyk sei sy my, dat haar Clarice gevraagd had, hoe ik van haar doen sprak, en of ik niet willens was haar te komen besoeken? daar Melinde haar op geantwoord hebbende sulx niet van my verstaan te hebben, sy haar gebeden had my daar toe te bewegen, gelyk sy my in der daad ried, haar dien selfden dag nog in haar huis te gaan groeten, met versekering, seer aangenaam, so van haar als van
haar Ouders, om de goede diensten, die ik hen tot Parys gedaan had, te sullen ontsangen werden, en dat de voor deelen, die sy oordeelde dat ik boven Brion had, de liefdens vlam, die door de asch van myn afzyn half uitgedoofd was, lichtelyk wederom ontsteken, enin een gunstige brand souden doen uit bersten.
Dese heilsame raad vleide al te seer myn hopelose ziel, om deselve niet met een uitstekende vreugde t'omhelsen, en dien selfden dag nog in 't werk te stellen. Na ik my dan op het voordeeligste toegerust, en een redelyk schoon kleed, dat ik eenige dagen te voren in Lion had laten maken, aangetrokken had, begaf ik my na de woning van de schone Clarice, alwaar ik gekomen zynde, van een Knegt, die my de deur opende, verstond, dat sy te huis was, en so lang in een Saal gevoerd wierd, tot hy haar myn komst ging aandienen. Ik had niet lang vertoefd, wanneer ik haar, seer over myn tegenwoordigheid en door onse eerste bejegening ontsteld, met neergeslagen oogen en een kleur sag binnen treden, die also seer haar gemoeds beweging te kennen gaf, als die haar schoonheid vermeerderde.
Onse ontsteltenis was wederzyds so gelykformig en groot, dat wy beide een geruime tyd sonder spreken bleven, ik uit haar mond de bekentenis en d'ontschuldiging van haar misdaad, en sy uit de myne de
verwytinge, die deselve verdiend had, verwagtende: maar dewyl myn verbaasdheid, door de suiverheid van myn geweten, veel kleinder als de hare was, was ik de eerste die het stilswygen brak, voerende haar met een droevige en half bevende toon dese of diergelyke woorden te gemoed: Hoe kan het zyn, seiik haar, dat in een so heerlyk gemoed, als het uwe, en het welk de deugden tot haar woning verkoren hebben, deschandelyke laster van onstantvastigheid kan huisvesten, die u alleenlyk de glory-ryke naam van volkomen ontmeemt! Hoe kan het mogelyk zyn, schone, dog trouwlose Clarice, dat so een kleine tyd so een groote verandering in u heeft konnen veroorsaken, en dat u de dure eden, waar mede gy my van uw' liefde en getrouwigheid so menigmaal versekerd hebt, sodanig by u vergeten zyn, en de beeltenis van uw' eertyds waarde (indien ik uw' woorden geloven sal) dog nu verstote Mirandor, so t'eenemaal uit uw' geheugenis verdwenen is, dat gy vaardig zyt om de trouw, op onse scheiding met duisend eden, sugten en tranen bezegeld, te breken, en u...... Houd op, Mirandor, viel sy my in myn reden, myn getrouwigheid door uw onregtvaardig oordeel te beledigen. Wel is waar, vervolgde sy, dat myn liefde sig te wyd met die van Brion sou ingelaten hebben, indien ik nog de geringste versekering van de uwe gehad had: maar dewyl myn ongetrouwigheid alleenlyk uit de gevatte waan van de uwe voort komt, is deselve veel eer een misverstand te noemen, die gy door uw misdadige stilswygentheid selver veroorsaakt hebt, en die egter nog sulke diepe wortelen in myn gemoed niet geschoten heeft, dat deselve, na ik door nieuwe kentekenen van uw liefde sal versekerd zyn, niet sullen konnen uitgeroeid werden. Na ik my nog een geruime tyd over haar onstand vastigheid beklaagd, en sy sig
daar over op het best ontschuldigd had, quam haar Moeder binnen, die my met de grootste verwondering en vreugde des Werelds ontfing, en geen kleinder medelyden over de ongevallen, die my bejegend waren, als haar Dogter betoonde, seggende, seer verheugd te zyn, dat ik juist op een tyd daar gekomen was, op dewelke ik het vermaak van haar Dogters Bruilofd sou konnen bywonen, die sy met een Provensaals. Edelman, daar sy al eenige jaren was aan verloofd geweest, (gelyk sy en Clarice my meermaals in Parys verhaald hadden) binnen de tyd van twee maanden houden sou. Hoe seer my dese woorden door de ziel drongen, dorst ik nogtans myn onlust aan de Moeder niet bespeuren laten, die ik nog gedwongen was met een geveinsde vergenoegdheid over dit haar Dogters houwelyk geluk te wenschen, hoewel de tranen, aan welke myn oogen met geweld den uitgang sogten te beletten, haar wel haast te kennen hadden gegeven, hoe my om het hert was.
Weinig tyds hier na quam haar Vader ook in de kamer, die so ras van syn Vrouw niet verstaan had wie ik was, of hy ontfing my met een onuitsprekelyke beleefdheid, my duisendmaal voor myn goedheid bedankende, met dewelke ik syn saken tot Parys had helpen bevorderen, en voor de getrouwe diensten, die ik zyn Vrouw, so in het beschermen tegens de verradery van den schelmschen Saint-Amant, als in andere toevallen, so edelmoedig en verpligtelyk gedaan had; my biddende, dat ik hem de smaad en het ongelyk niet aandoen sou, van my, gedurende de tyd dat ik tot Lyon verblyven sou, van een ander herberg, als syn huis, te dienen, met versekering, dat, schoon ik slegt en armelyk sou onthaald zyn, ik nogtans in geen andere een genegender en dienst bereider Weerd sou konnen aantreffen. Dese so beleefde en ernstach-
tige anbieding sou ik met de grootste vreugde des werelds aangenomen hebben, indien my niet in den sin gekomen was, dat indien ik gestadig met Clarice omging en by haar was, het ons swaarlyk vallen sou, so seer ons liefdens-vlammen te verbergen, dat haar Vader de vonken daar van niet merken, en den voortgang der selver niet sou soeken te stuiten en om te werpen, en dat ik myn liefde veel beter en sekerder sou konnen plegen, indien sulks heimelyk, en sonder kennis van de Vader geschiede. Derhalven bedankte ik hem met de verpligtelykste woorden, die in de schatkamer van myn welsprekendheid voor handen waren, voorwendende, dat ik geselschap met eenige van myn lands-lieden, die ik in dese Stad aangetroffen had, gemaakt had, en die ik niet sou derven verlaten, en op een ander gaan t'huis leggen, sonder de band te breeken, die wy te samen opgerigt hadden, van by malkanderen te blyven, en de voornaamste Steden van het Koningryk door te reisen. Dese en meer andere ontschuldigingen, die ik tot myn voordeel wist by te brengen, veroorsaakten, dat hy my hier niet verder toe drong, hoewel hy een groot leedwesen over myn weigering bespeuren liet.
Wy bragten nog een geruime tyd met verscheide redenen, en voornamentlyk met het verhaal van myn tegenspoedige reis, door, na het welk de Ouders van Clarice, door een van het volk, aangediend wierd, dat 'er ik weet niet wat voor een man was, die hen begeerde te spreken, waar door sy genoodsaakt waren ons alleen te laten, en ik gelegendheid vond, den afgebroken draad van myn vorig propost wederom te hervatten. Ik wist my so troosteloos en verliefd aan te stellen, dat het byna t'eenmaal uitgedoosde liefdens-vuur van Clarice wederom allengskens begost te roken, en sy my nog meer van haar getrouwigheid
en liefde als te voren versekerde, seggende versekerd te zyn, dat haar Vader, niet tegenstaande de verloftenis, die sy al voor eenige jaren met Brion gehouden had, nogtans al te dankbaar was, om my voor myn gedane diensten, wanneer hy hooren sou dat ik na de besitting van syn Dogter tragte, myn Mede vryer niet voor te trekken; behalven dat haar Moeder, die sy sei my uitstekende te beminnen, en altyd seer voordelig van my tegenshem gesproken te hebben, hem daar ligtelyk toe bewegen sou, voornamentlyk wanneer sy haar gebeden met die van haar Moeder paarde, die sy geloofde dat nog het meeste daar toe doen souden, dewyl haar Vader haar altyd seer bemind had, en derhalven tot geen houwelyk dwingen sou, daar sy de geringste tegenheid voor toonde, my radende, dat ik dagelyx, onder schyn van haar Ouders te besoeken, in haar huis quam, waar door ik gelegentheid vinden sou, om my in de goede gunst van haar Vader in te wikkelen, tot welkers verkryging sy het seer noodwendig oordeelde, dat ik myn middelen en goederen seer verhefte; het welk hem, also hy seer gierig was, sonder twyffel het hert meer als al het andere stelen en bewegen sou. Terwyl wy ons nog van dese dingen onderhielden quam Brion, die de verbintenis, daar hy met Clarice in was, een vryen en onaangedienden toegang verleende, in de kamer, gevende my door syn gedaante genoegsaam te kennen, dat ik met een ontsaggelyken Mede-minnaar sou te doen hebben, indien my de mond van Clarice weinig te voren dese vrees niet benomen had. Ik twysel niet of hy kost genoegsaam de verandering, die myn komst in het gemoed van Clarice veroorsaakt had, bespeuren, dewyl sy hem voor een Bruidegom, gelyk hy sig oordeelde te zyn, redelyk koel ontfing, en syn reden beantwoorde: maar dewyl hy sig al te
seer van haar besitting en goede gunst versekerd oordeelde, om de geringste verandering van haar liefde te verwagten, scheen hy sulx niet te merken, of ten minste weinig pas daar op te geven,
Na ik nog een geruime tyd by haar gebleven was, nodigde my ten laatste het vallen van den avond te vertrekken, en myn afscheid van haar en haar Ouders te nemen, na ik my een lange wyl tegens het nodigen, van dien avond haar gast te zyn, verweerd had. Ik spoeide my naar huis, als een man, die gelegentheid sogt, en de grootste appetyt des werelds had, om sig in een toegeslote kamer honderd muilperen van vreugde te geven. Ik liet niet na Clarice dagelyx te gaan besoeken, onder schyn van met haar Ouders te willen spreken; het welk nogtans wonderlyke gedagten in Brion, die niet naliet daar dagelyks ook te verschynen, te weeg bragt, voornamentlyk wanneer hy bemerkte dat hem Clarice hoe langer hoe koelder, en my, selver in syn byzyn, hoe langer hoe vriendelyker ontfing; waar door hy my genoegsaam uit syn wesen bespeuren liet, dat hem de gemeensaamheid, die wy te samen hadden, weinig behaagde, daar wy ons nogtans weinig aan keerden. Ondertusschen liet ik niet na, my seer kostelyk in klederen, en in staat te houden, hebbende ten dien einde twee Lakayen aldaar aangenomen, die ik in seer schoon Leverey gekleed had. Ik liet my ook in andere groote en aansienlyke onkosten seer pragtig bespeuren, gevende somtyds een schoone Serenade, of het een of 't ander kostelyk geschenk aan Clarice; het welk haar Ouders siende, vastelyk deed' geloven dat ik een van de rykste Cavalliers van Europa was: maar dewyl het geld, dat ik tot Molins ontfangen had, al te weinig wasom dese onmatige onkosten te konnen verdragen, ontbood ik een merkelyke som,
met dewelke ik my een tyd lang sou konnen behelpen; want ik had my vastelyk voorgenomen, al het geld, dat my de sal: Marquies, Belindors Vader, vermaakt en nagelaten had, te verteren, en my alsdan wederom, indien myn aanslag my mislukte, in dienst van Belindor, die niet lievers wenste, te begeven, of Clarice, schoon sy, volgens haar Lands gebruik, niet meer als een Morgen gave te verwagten had, tot myn Vrouw te hebben, het welk ik veel hoger (so dwaas is de liefde) als al het goud van Peru, ja als al de schatten van de wereld achte. Dese wissel, daar ik van gesegt heb, bestond in twee-honderd Pistoletten, welke my van een Koopman betaald wierden, die dagelyks by den Vader van Clarice quam, en die niet naliet hem sulks te seggen, het welk hem nog meer in syn mening, dat ik seer ryk zyn most, sterkte.
Myn geluk wilde, dat Brion omtrent dese tyd brieven kreeg, dat syn Vader, die tot Marseille in Provence woonde, tot stervens toe krank lag, waar door hy genoodsaakt was, indien hy hem nog voor syn dood begeerde te sien, aanstonds over te komen. Syn mynen gaven, wanneer hy syn afscheid van Clarice nam, genoegsaam te kennen, hoe seer hem dit vertrek tegens de borst was, en hoe seer hy vreesde, dat hem syn afzyn, en myn tegenwoordigheid by Clarice, in syn liefde hinderlyk zyn mogt. De afwesentheid van Brion, gaf my en Clarice gelegentheid, om ons, aangaande onse liefdens-handel, te beraadslagen, en veel onbeschroomder met malkanderen om te gaan: maar hoe gunstig en genegen Clarice my ook was, kost ik my nogtans in het geringste met haar besitting niet kittelen, dewyl de starke verbintenis, daar sy sig met Brion ingelaten had, alte seer door haar Vaders hand en mond bevestigd was, om deselve wederom te konnen omstoten; behalven dat ik wel gedenken
kost, dat geen Vader so sot en onbesonnen zyn sou, van my syn Dogter te geven, sonder eerst versekering van myn goed en afkomst te hebben, en dat het my, indien hy sulx begeerde, swaar vallen sou te bewysen dat ik een Edelman was, als ik my tegens hem en Clarice beroemd had. Het is byna met de liefde, als met het pek, het welk opgesloten, en voor het gesigt verborgen zynde, echter door syn reuk ontdekt en gevonden werd. Hoe seer ik en Clarice onse liefde voor de oogen van haar Ouders sogten te verbergen, kosten wy nogtans niet beletten datse niet eenige vonken van so een hevige gloed in het gesigt kregen, daarse den voortgang sonder twyfel van gestuit souden hebben, indiense niet gevreesd hadden hier door tegens de verpligting en de dankbaarheid te sondigen, die ik door myn gedane diensten verdiend had. Wel is waar, dat Clarice my somtyds sei, dat haar Ouders haar bevolen, sig een weinig ingetogender tegens my aan te stellen, en te gedenken in war stand sy met Brion was, die dese manier van leven niet als nadelig zyn kost, en daar door geen kleine oorsaak hebben sou, t'onvreden te zyn, indien hem sulx ter ooren quam: maar onse driften waren al te brandig, om hier door de geringste koeling, ik laat staan een uitblussing te krygen; en gelyk de tegenstribbelingen in de liefde gpmeenlyk voor pek en swavel dienen, om het vuur daar van te voeden, also waren dese vermaningen de regte blaas-balg voor het onse. Middelerwyl quam Brion, wiens Vader van syn siekte wederom genesen was, weer tot Lion, en, volgens syn gewoonheid, in het huis van Clarice, sonder dat ik daarom naliet haar minder als te voren op te passen, het welk hem niet weinig scheen te verdrieten, dewyl hy, zedert myn komst in die Stad, seer groote verandering in het gemoed van Clarice bespeurde,
wiens liefde, met het naderen van hun bestemde trouw-dag, dagelyks scheen te verflauwen en af te sterven; het welk hy siende, sprak my eenmaal op een morgen, in het uitgaan van de Misse, aan, seggende seer verwonderd te zyn, dat nademaal ik sonder twyfel de verbintenis, die tusschen hem en Clarice was, so uit haar mond, als uit die van haar Ouders sou vestaan hebben, ik my nogtans so gemeensaam met haar aanstelde, en byna vlytiger en met meerder yver, als hy selver, oppassen quam; my derhalven radende en biddende, eer hy tot het uitterste sou gebragt werden, niet alleen haar geselschap, maar ook haar huis te myden, dewyl hy willens was, haar, met haar Ouders, als ook haar eigen bewilliging, binnen de tyd van vier often langsten ses weken te trouwen, en dat hem derhalven desen ommegang niet als seer nadelig aan haar beider goede naam zyn kost.
De barse mynen, en het trots gelaat, waar mede hy my deese woorden uitte; veranderde den haat, die men gemeenlyk voor een Mede-vryer heeft, in een uitstekende gramschap. Derhalven antwoorde ik hem op een wys, die in schamperheid en raserny de syne ver te boven ging, dat ik willens geweest was, hem al voor lang deselve raad en vermaning te geven, die hy my gegeven had, dewyl het my niet minder als hem verdroot, een Juffer dagelyks van een ander opgepast, en in so een groote gemeensaamheid te sien, daar ik mede verloofd, en willens was in het kort te trouwen. Gy Clarice trouwen! riep hy met een vergramde toon uit, dat sal u myn degen beletten, vervolgde hy, en dit gesegd hebbende, trok hy van leder, vallende my, met het rapier in de hand, en met een groote verwoedheid, aan. Gelyk het niet nodig is, een bitsigen hond lang te tergen, also had Brion geen groote moeite om my tot tegenweer te brengen, so
dat ik hem met geen minder hevigheid als hy my aanviel, en indien wy door de luiden, die met ons uit de Kerk quamen, niet gescheiden waren, sou sonder twyfel een van ons beide op de plaats gebleven hebben. Evenwel kort de yver, waar mede sy ons van een sogten te brengen, niet beletten, dat Brion in het scheiden een goede stoot van my door den arm kreeg, waar door hy genoodsaakt was syn rapier te laten vallen, het welk ik hem sonder twyfel sou benomen hebben, indien my sulx door het gedrang van het volk, dat van alle kanten toegelopen quam, niet belet, en ik te rug gedrongen was, en dewyl ik merkte dat eenige van het onbesonne canalje den gequetsten, gelyk het gemeenlyk geschied, seer beklaagden, en my daar-en-tegens, sonder eens te weten of ik daar oorsaak toe gehad had, vervloekten, en te samen rotten, om my door een gedeelte stok-slagen, of mogelyk nog wat slimmers, het voordeel, dat ik op myn tegen-party had, duurte doen betalen, drong ik, so ras my mogelyk was, door hen heen, en begaf my met een grote geswindheid naar huis, terwyl Brion, met eenige van syn goede vrienden, die, tot myn geluk, na het eindigen van ons gevegt, en op het toelopen van het volk, by hem gekomen waren, naar een barbier ging, om syn gekregen wond te laten verbinden.
So ras ik in huis en in myn kamer gekomen was, sloot ik deselve na my toe, en wierd van de swaarste treurmoedigheid des werelds besprongen, overdenkende hoe qualyk de Ouders van Clarice het nemen souden, dat ik door dit verschil haar Dogter op de tong van de luiden geholpen had, die lichtelyk souden konnen oordelen wat de oorsaak van onse questie geweest was. Ook kost ik my ligtelyk inbeelden, dat de Ouders, hoewel ongaarn, nogtans gedwongen
zyn souden, welstaanshalven, de zyde van haar aan staande Schoon-soonte omhelsen, en my derhalven hun huis en de tegenwoordigheid van Clarice te verbieden. Om kort te gaan, de verschrikkelykste slagen, en rampen, die de liefde met sig sleept, scheenen myn hoofd te dreigen, en op my te doelen. Hoe seer ik nu vreesde voor de Ouders van Clarice te verschynen, kost ik evenwel niet besluiten van haar te blyven, of daarom een dag langer, als naar gewoonte, haar huis te myden, dewyl ik haar nog dien selfden dag ging besoeken. Sy ontfing my met haar gewoonlyke vriendelykheid, hoewel een weinig ontsteld, en na sy my bevolen had haar in haar kamer te volgen, sei sy my, dat haar Vader, hebbende het verschil tusschen Brion en my verstaan, haar seer hard aangesproken, en gesegt had, dat dese toeval niet sonder oorsaak geschied was, en dat myn oog wit sig vry wat verder uitstrekken most, als haar alleenlyk om een praatje te koomen besoeken; en dat hy versekerd was dat dese questie geen ander oorsaak had, als de yver-sugt ofte jalousie, die tusschen my en Brion was, haar derhalven bevelende myn ommegang te myden, voor Brion te doen, dat sy aan een aanstaande Man schuldig was, en my te bidden, ofte (indien het niet anders zyn kost) te verbieden, dat ik myn menigvoudige besoekingen wilde sparen, en uit haar huis blyven, ofte dat hy my sulx selver, en op een veel ongeschaafder wys wilde te kennen geven. Nauwelyks had my Clarice dese troosteloose woorden verkondigd, of haar Vader sonder dat ik nog de tyd gehad had haar te antwoorden, en ons hier over te beraadslagen, trad selver in de kamer, met een wesen, het welk my genoegsaam te kennen gaf, dat het Compliment, dat hy my maken ging, seer weinig tot bevordering van myn liefde diende, hebbende een open brief in de
hand. So ras hy binnen gekomen was, en syn Dogter bevolen had te vertrekken, en ons alleen te laten, keerde hy sig met een ernstagtig gelaat na my toe, seggende, dat het hem altyd seer aangenaam geweest was, dat een persoon, die so veel goede diensten aan de syne, als ik gedaan had, hem de eer had gelieven te doen van syn drumpel te betreden, en syn Dogter te besoeken, so lang als hy geoordeeld had dat sulx sonder nadeel van haar goede naam, of de verbintenisse, die wederzyds tusschen haar en Brion gemaakt was, had geschieden konnen, maar dewyl hem de vyandlyke toevallen, die hy vernomen had dat tusschen syn aanstaande Schoon-soon en my dien dag voorgevallen waren, niet als groote nadelen hier van voorspelden, so dwong hem de goede voorsorge, die een Vader voor de goede naamen het welvaren van syn Kind hebben most, my te bidden, haar tegenwoordigheid te myden, om also hier door het onbesonnen; en van de natuur tot quaad spreken geneigde volk de oorsaak van achterklap te benemen, en Brion syn regtmatige ongeneugt te versagten; te meer, dewyl hy hem door een brief, die hy hem so aanstonds gesonden, en die hy nog in de hand had, en my lesen liet, dese voldoening voor het aangedane ongelyk, daar hy Clarice de oorsaak van oordeelde, van hem begeerde, of dat hy andersints al het geen dat tusschen hen besloten was van geender waarden houden, en van de trouw-belofte, die hy haar, en sy hem gedaan had, ontslagen wilde zyn, daar de Vader sei, dat hy my al te redelyk en eerlyk voor aansag, om sulx te willen veroorsaken.
De verbaasdheid, daar my dese reden in storte, was so groot, dat het my onmogelyk was deselve anders als met sugten, en eenige tranen, die my tegens myn wil uit myn oogen borsten, te beantwoorden; het
welk hy siende, en wagtende vergeefs, op het geen ik antwoorden wilde, vervolgde syn reden verder, seggende, dat de gemeensaamheid, die hy tusschen syn Dogter en my eenige tyd herwaarts gemerkt had, en de ontsteltenis, die hy bespeurde dat dese syne woorden in my veroorsaakten, hem in een dool-hof van duisend agterdenkelyke wanen en onsekere gedagten storten, daar het swaarlyk vallen sou om uit te komen, indien ik, met deselve openhartigheid, daar hy my zyn mening mede had te kennen gegeven, hem ook myn gevoelen niet ondekken, en sonder schroom bekennen wilde, met versekering, dat het selve mogelyk een beter uitwerking, als ik verhoopte, voortbrengen kost. Met hoe goede en troostryke woorden hy nu sogt de geheimenissen van myn hert uit my te lokken, was ik nogtans al te voorsigtig, om sulx te bekennen; maar wat hielp het my, dat myn tong versweeg het geen myn hert in sig voelde; daar myn oogen en myn wanhopig gelaat het selve dies te kennelyker en klaarder uitboesemden, en aan den dag bragten; het welk hy siende, sei niet te twyfelen, dat ik my met syn Dogter in enger verbintenis most ingelaten hebben als hem bekend was, en dat hy my bad, indien sulx sig so verhield, het selve vry te bekennen; my versekerde, dat hy syn Dogter al te seer beminde, om haar in een verkiesing van een ding, daar haar geluksaligheid en vergenoeging meer als de sijne aan hing, tegen te zyn; behalven, dat de goede diensten, en den yver die ik voor syn welvaren in Parys had speuren laten, hem daar toe nodigden, of hy schoon blind genoeg was, om myn verdiensten boven die van Brion niet te konnen onderscheiden, wiens trotsigheid, met dewelke hy hem de ontslaging van syn gedane beloften had derven schryven, hem so seer verdroot, dat hy geen grote oorsaak van doen
had, om hem te laten sien, dat sig daar so weinig als hem aan gelegen was; en dat, schoon het houwelyk met hem en syn Dogter niet voort ging, sy daarom niet laten sou een Man te krygen, die hem mogelyk in verdiensten ver sou te boven gaan, my derhalven nogmaals biddende, regt door zee te gaan, en hem myn regte mening en voornemen te bekennen; nogmaals swerende, dat hy meer myn vriend en dienaar was, als ik mogelyk oordeelde. Wat sou ik rampsalige aanvangen? Indien ik den toestand, daar ik met Clarice in was, lang voor hem verborgen hield, en myn mening niet te kennen gaf, had ik sekerlyk te verwagten, dat hy my haar tegenwoordigheid en syn huis verbood, daar-en-tegen vreesde ik, dat de goede en troostelyke woorden, die hy my gaf, nergens anders op gegrond waren, als om het geen hy gaarn weten wilde, uit my te horen, en my als dan nog veel strenger als te voren syn huis te verbieden. In dese stryd en twyffeling besloot ik, alles te wagen, en hem te seggen het geen ik op het hert had. Ik bekende hem dan, met een stem, die de ontsteltenis van myn gemoed genoegsaam te kennen gaf, dat de schoonheid en de verdiensten van syn Dogter my al tot Parys so seer van myn vryheid ontblood hadden, dat ik haar opentlyk myn liefde had moeten bekennen, die sy so genadig aangehoord, en my daar-en-tegen wederom sulke merkelyke tekenen van de hare gegeven had, dat wy ten laatste malkander den trouw versproken hadden; en dat ik ten dien einde, hebbende op myn wederkomst uit Vlaanderen, en tot Parys vernomen, dat sy met haar Moeder schielyk naar Lyon gekeerd was, in dese Stad ook gekomen was, alwaar ik op myn aankomst vernomen had, dat sy in het kort met Brion, met dewelke sy my al in Parys, bekend had, hoewel tegens haar wil, verloofd te zyn, trouwen
sou. Ik sei hem ook verder, dat de genegentheid en de goede wil, die sy tot dit houwelyk, gedurende myn afzyn, had bespeuren laten, geen ander oorsaak had, als om sig over myn gewaande ontrouw en onstandvastigheid, die sy uit myn verblyf geloofd had, te wreken; en dat, so ras ik haar de oorsaak van myn traagheid, en myn onschuld had te verstaan gegeven, wy malkander op het nieuw wederom onse getrouwigheid gesworen hadden
So ras ik opgehouden had van spreken, bleef hy een geruime tyd staan, sonder te antwoorden, als een man die in de hoogste verwondering was. Eindelyk wederom een weinig tot sig selven komende, sei hy, dat hy de ondankbaarste van alle Menschen zyn most, indien hy my hier in boven Brion niet begunstigde; maar dat hy niet sien kost hoe sulx aan te vangen was, dewyl het niet te geloven was, dat hy sig so licht sou laten afwysen, en te vreden stellen, dat hem een ander een Juffer ontvryde, daar hy opentlyk mede verloofd was; en dat, indien hy met goedheid syn vryery niet nalaten, en Clarice ontslaan wilde, hy geen groote moeite hebben sou, om haar door dwang van het Geregt te trouwen. Het raadsaamst dat hy oordeelde, dat ons beide dan hier in te doen stond, my om de besitting van Clarice te verkrygen, en hem om sig van een Schoon-soon te ontslaan, die sig dese naam, door de kleinachting, die hy in syn brief voor hem en syn Dogter had bespeuren laten, onwaardig gemaakt had, was, dat ik gestadig, en nog veel vryer als te voren, syn Dogter sou komen oppassen; het welk Brion siende, en de verachting die Clarice voor hem bespeuren liet, merkende, sonder twyfel syn liefde in haat veranderen, en van syn vryery sou aflaten. Of indien hy sig daar aan niet keerde, en haar mogelyk door het Geregt tot trouwen brengen wilde, hy
voorgeven sou: dat syn Dogter nog jong genoeg was, en hy nog eenige jaren sou wagten moeten, dewyl in de Voorwaarde geen tyd genoemd was, binnen dewelke hy haar trouwen sou, en dat door dese uitstelling, en de koelheid, die Clarice voor hem sou bespeuren laten, syn liefde veranderen, en hy haar gaarn op vrye voeten stellen sou. Dit aldus besloten zynde, scheiden hy van my, also hem eenige noodwendigheden elders riepen, latende my de vergenoegste Man des werelds, gelyk sulx wel te geloven is; te meer, dewyl dese so aangename tyding ver buiten myn gissing gekomen was. So ras hy dan uit de Kamer gegaan, en my nogmaals van syn genegentheid versekerd, en seer vriendelyk omhelsd had, quam Clarice wederom by my, met een gelaat, het welk genoegsaam te kennen gaf, dat sy een gants andere tyding uit myn mond verwagte, als ik haar willens was te seggen; het geen ik so ras niet gedaan had, of sy viel my van vreugde om den hals, gevende my duisenden van kussen op onse aanstaande rekening. Weinig hier na quam haar Moeder ook binnen, die, sulx al te voren uit de mond van haar Man verstaan hebbende, geen kleine vergenoeging hier over toonde, seggende, dat sy hem in dit besluit dagelyx so wel sterken wilde, dat ik veel ongeloviger als St. Tomas zyn most, indien ik in het geringste aan de besitting van haar Dogter twyfelde, daar Brion zyn mond niet aan smerig maken sou, al was hy een Prins van syn hals geboren. So onverhoopt als nu dese myne geluksaligheid was, also onverwagt wierd deselve door een rampsalige en noodschikkelyke tyding beneveld. Het was de dood van myn alderwaardste vriend, en getrouwe voorsorger, Belindor, die my de bedrukte Diana, syn nagelate Vrouw, en myn Koopman schreef, dat hem, door het vallen van syn paard op
de jagt, schielyk uit dese wereld weg gerukt had. Indien de vreugde van de verhoopte verkryging van myn waarde en ziel-gebiedende Clarice den slag van dese rampsalige mate niet enigsins gestuit en versagt had, sou deselve sonder twyfel swaar genoeg geweest zyn, om my hem op dese droevige reis te doen vergeselschappen, en door myn dood te doen getuigen, hoe seer my de syne ter herten ging: maar dewylder geen vrugteloser hulp-middel is, als de verstorvene door tranen te doen herleven, was ik genoodsaakt myn droefheid te matigen, na ik evenwel aan syn geest gegeven had, het geen men aan die van een waarde en getrouwen vriend schuldig is.
Ondertusschen paste ik Clarice dagelyks vlytiger en met minder beschroomdheid als te voren op, also ik hier in van Brion, die van wegen syn wond, daar sig een kleine koorts toegeslagen had, syn bed en kamer houden most, niet verhinderd wierd, en van de kant van haar Ouders in het geringste niet te vresen had, van welkers goede wil en genegentheid ik my dagelyx nog meerder versekerde, door aansienlyke geschenken en gelanteryen, die ik aan Clarice vereerde, waar door ik genoodsaakt was den eenen wissel op den ander t'ontbieden, het welk myn geld, 't geen my van den sal: Marquies nagelaten was, merkelyk deed' verminderen, en ten einde brengen: maar daar keerde ik my weinig aan, dewyl ik myn ryk genoeg oordeelde, indien ik Clarice slegs tot myn Vrouw kreeg, al had sy my niets als een paar naakte billen toegebragt, volgende hier in boven alle andere dingen de wetten en de regels van de Romans, in dewelke men noit vinden sal, dat een Heroische Minnaar sig oit om het Capitaal van syn Liefste bekommerd heeft. Gelyk de selfde noit sonder argwaan, en de argwaan noit sonder een wakend' oog is, also wierd Brion wel
haast door syn goede vrienden van myn vlytigheid in het oppassen van Clarice berigt, die, om desen gelukkigen voor myne, en voor syne liefde nadeligen voortgang te stuiten, alle mogelyke vlyt tot syn genesing deed aanwenden; gelyk ik hem ook eenige dagen daar na, wanneer ik Clarice ging besoeken, by haar alleen vond sitten. De bescheide Leser sal lichtelyk oordelen konnen, hoe vriendelyk sig twee dodelyke vyanden, en gevaarlyke Mede-vryers, als wy, mosten aansien: so veel is 'er van, dat syn oogen my genoegsaam te kennen gaven, dat indien syn arm, die hy nog in een scherp had hangen, hem sulx niet belet had, hy my, niet tegenstaande de eerbiedigheid, die hem de tegenwoordigheid van Clarice had moeten inblasen, sou getoond hebben hoe hatelyk hem myn gesigt op een plaats was, daar hy oordeelde alleenlyk met regt te mogen verschynen. Clarice, vresende voor onheil, stelde sig doenmaals veel vriendelyker tegens hem aan als haar van 't hert ging, om hem also hier de gelegendheid tot meerder gramschap te benemen. Evenwel was syn onsteltenis so groot, dat hy genoodsaakt was syn afscheid te nemen, en te vertrekken. Nauwelyx was hy uit den huis gegaan, of Clarice sei my, dat hy haar, eer ik gekomen was, seer hard te gemoet gevaren, en haar ontrouw voor oogen gehouden had, seggende, dat, nu sy deselve so opentlyk en onbeschaamd in het werk dorst stellen, hy in der eeuwigheid niet toelaten sou dat wy tot ons voornemen quamen, niet so seer om dat hy haar na dese ontrouw nog begeeren wilde, als wel het vermaak te hebben, van onse liefde en vergenoeging te verhinderen; en dat, schoon het Geregt hem hier in niet behulpsaam genoeg was, hy nog vrienden, en selver moeds genoeg had, om my met een stuk kout staal het verliefde bloed afte tappen. Hoewel ik wel-
staans halven, gedwongen was, dese woorden met lachen te beantwoorden, lieten deselve nogtans niet na een groote ontroernis en swaarmoedigheid in my te verwekken, konnende lichtelyk gedenken, dat Brion, hebbende een schriftelyke trouw-belofte van haar Ouders, sig so ligtelyk niet sou te rug wysen laten, en van syn geregtigheid afstaan; en dat, schoon hy, door de afkerigheid van Clarice, syn genegentheid veranderde, hy egter niet toestaan sou dat hem deselve ontvryd wierd, en daar-en-boven niet nalaten sou, my, door hulp van syn goede vrienden, by dag en nagt op te passen, en den voortgang van myn liefde met myn levens-draad te gelyk af te snyden: maar dewyl de liefde ons alle gevaren aan een kant doet stellen en veragten, liet ik daarom niet na Clarice des anderen daags, volgens myn gewoonheid, wederom te gaan oppassen. Ik was nog geen half uur by haar geweest, wanneer wy aan de deur hoorden kloppen, en op deselve tyd de stem van Brion vernamen, die sig in het geringste aan de woorden van de Knegt niet kerende, die hem de deur opende, en hem, volgens het bevel van Clarice, swoer, dat syn Juffer met haar Moeder uitgegaan was, met geweld in huis drong, en stout en onbeschaamd, met nog een van syn goede vrienden, in onse Kamer quam. Me-juffrouw, sei hy, so ras hy Clarice genaderd was, indien al de Hollanders de Fransen so wel als dese wist te verdryven, sou onsen Koning groote moeite hebben om haar onder syn gehoorsaamheid te brengen: maar, vervolgde hy, dewyl syn victorie ofte overwinning niet als op de dwase verkiesing van een veranderlyke Vrouw gegrondvest is, vrees ik dat deselve wel haast van een wonderlyke en onverwagte nederlaag sal gevolgd werden, daar my de genesing van myn arm seer in schynt te willen begunstigen. Hoe groote eerbiedig-
heid ik ook voor Clarice had, kost ik my nogtans niet onthouden in haar woorden te vallen, en het antwoord, dat sy hem geven ging, af te breken, seggende op een barse wys, dat, indien syn andere landsluiden geen meer voordeel op de myne kregen, als hy tot nog toe op my gehad had, de beeldhouwers en metselaars in Vrankryk nog tyds genoeg hebben souden, om de Tropheen ofte Eeren-suilen, die al in voorraad by hen besteld waren, door het gantsche Koningryk, ter eeren van hun strydbaren Monarch, op te rigten; daar by voegende, seer verwonderd te zyn, dat syn arm so schelmagtig by syn meester handelde, en niet gedogen wilde dat hy met een heele huit slapen ging, zynde wederom op nieuwe middelen gedagt, om de barbiers hun salf te doen verkopen, en aan geld te helpen. Dese so schimpelyke woorden wilde hy beantwoorden, wanneer Clarice ons beide bevalstil te swygen, met so een ernstagtig en aansienlyk gelaat, dat geen van ons beide, hoe vergramd wy ook zyn mogten, het hert had een woord te kikken, ik laat staan een bevel, dat uit so een goddelyke mond quam, te overtreden, seggende alleenlyk tot Brion, dat sy hem geen rekenschap van haar doen en laten wilde geven, en dat het haar vry stond in haar eigen huis met die geen te spreken die haar wel geviel, en die sy niet spreken wilde, af te laten wysen.
Gedurende de stilswygentheid, daar wy van wegen onse misnoeging een geruime tyd in waren, betragte ik nauwkeuriglyk het wesen en de gedaante van den geen die Brion met sig gebragt had, en die my dagt voor desen meer gesien te hebben, sonder my nogtans te konnen bedenken, waar sulx mogt geweest zyn. Daar-en-tegen betragte my den ander met geen minder verwondering, en scheen niet minder in syn geheugenis te doorsoeken, waar hy my voor desen mogt
gesien hebben, sonder dat nogtans geen van ons beide malkander de eerste wilde aanspreken, en syn mening hier over te kennen geven. Die geen, die ons in dese toestand gesien had, sou sekerlyk geloofd hebben dat wy een vertoning, als de Commedianten doen, afbeelden; want Clarice had sig na de vensters en met de rug na ons toe gekeerd. Brion kauwde van spyt syn nagels, en syn vriend en ik sagen malkander gestadig van het hoofd tot de voeten aan, blyvende al te samen meer als twee geslagen uren sonder spreken. Eindelyk begost het donker te worden; en hoewel ik niet gaarn de eerste had willen wyken, en myn afscheid van Clarice nemen, dwong my nogtans de geschikkelykheid sulx te doen; dewyl ik de tafel hoorde dekken en het eeten op dragen. Ik nam dan myn afscheid van Clarice, dog veel droger als ik gewoon was, moetende my alleenlyk met een vriendelyke lag vergenoegen, die Brion al so seer door de ziel drong, als die my over de spyt trooste, van myn Mede-vryer meester van het stagt-veld, en de vryheid te laten, om Clarice alleen te mogen onderhouden.
Ik liet niet na my des anderen daags, volgens myn gewoonheid, wederom na het huis van Clarice te begeven, en had so ras niet aan de deur geklopt, of ik bemerkte, dat haar maagd, hebbende een kleine yseretralie, die in de deur was, geopend, om te sien wie daar voor was, aanstonds, en sonder een woord te spreken, wederom keerde, en naar achtere liep. Ik wist in 't eerst niet, wat ik van dese ongewone toeval oordeelen sou; maar dewyl een verliefde syn argwaan ofte jalousie op de geringste beuselingen weet te grondvesten, beelde ik my, na ik nog een tyd lang, sonder ingelaten te werden, geklopt had, vastelyk in, dat sulx niet sonder oorsaak geschied was, en dat Brion mogelyk daar zynde, Clarice haar bevolen had,
dat sy my niet inlaten, of de deur openen sou. Om hier dan van versekerd te zyn, klopte ik nog verscheide malen, en dat nog vry wat harder als te voren, aan de deur, die my ten laatste door de Vader selver van Clarice geopend wierd. Ik had hem so ras niet om vergeving over myn hard kloppen gebeden, en gesegd, dat ik niet gedagt had van so een voornaam dienaar ingelaten te werden, of hy vroeg my met een koelheid, die te gelyk van gramschap en verachting vergeselschapt was, wat myn begeerte was, en wien ik begeerde te spreken? Ik antwoorde hem gants ontsteld en verslagen, dat de begeerte van hem en McJuffer syn Dogter van myn gehoorsaamheid te versekeren, my derwaards had doen komen. So ras ik dit gesegd had, antwoorde hy my, dat hy nog syn Dogter met geen Schurk en Landloper te doen hadden, slaande hier op de deur met een groot geweld voor myn neus toe. Hoe rauw en nugteren my dit compliment voor komen most, sal den bescheiden Leser, indien hy slegts so veel breins als een huis-mos heeft, lichtelyk oordeelen konnen. Het verdrietigste van allen voor my was, dat eenige Lakeyen, ('t schuim van het menschelyk geslagt) die by geval verby de deur quamen, het selve aanhoorden, en daar so een onbeschaamd gelag over maakten, dat ik schier rasend' daar over wierd, en een van hen gewisselyk den degen door het wammis sou gejaagd hebben, indien hun troep door eenige van die se