In 1975 verscheen mijn eerste bundel artikelen onder de titel Het verschil met anderen; veertien jaar later, in 1989, Een dilettant, een soortgelijke verzameling. Dat laatste jaar was het jaar van de val van de Muur, symbolisch voor de ineenstorting van het communisme en van de Sovjet-Unie. Een periode van ruim veertig jaar, die gewoonlijk met de Koude Oorlog wordt aangeduid, was afgesloten. Een nieuw tijdperk opende zich, waarvan niemand wist hoe dat eruit zou zien. Voor velen bevrijding - bevrijding van de spanning waarin we geleefd hadden, bevrijding ook van het communistische juk. Maar tegelijkertijd onzekerheid, ja chaos en nieuwe oorlogen.
Daar viel veel over te speculeren, en daaraan heb ik de afgelopen veertien jaar druk meegedaan. Maar dat rechtvaardigt op zichzelf niet de bundeling van artikelen die hoofdzakelijk in een dagblad zijn verschenen, want zoals het gezegde luidt: in de krant van gisteren wordt de vis van vandaag verpakt. Maar mijn rubriek in NRC Handelsblad volgt zelden de actualiteit heet van de naald. Zij bekijkt de gebeurtenissen en ontwikkelingen meer van een afstand. Dat is eigen aan een rubriek die twee keer, later zelfs maar één keer per week verschijnt. Wat dat betreft, zijn vele van mijn artikelen dus als ‘tijdloos’ te beschouwen en, los van hun betekenis, niet verouderd. Daarin zie ik een zekere rechtvaardiging voor zo'n bundel.
Voor het maken van een keuze uit wat ik sinds 1989 schreef, heb ik als voorwaarde gesteld dat iemand anders die keuze zou doen - niet zozeer omdat ik dan zelf ontlast zou zijn van die taak als wel omdat iemand met een frisse kijk naar mijn output kon kijken. Die iemand is in Heleen Ruijg gevonden, die haar keus op intelligente wijze wist te beargumenteren. Ik ben dan ook vrijwel geheel op haar kompas afgegaan.
De tekst van mijn artikelen zoals die in dit boek staat, is bijna geheel identiek met die zoals die in de krant en, wat het openingsartikel betreft, in Tirade heeft gestaan. Slechts hier en daar zijn verwijzingen naar eerdere artikelen die niet in dit boek zijn opgenomen, weggelaten. Elders zijn een paar verduidelijkingen toegevoegd, want feiten en personen die de lezer een paar jaar geleden vertrouwd waren, zijn dat later niet altijd. Heel zelden heb ik een ongelukkig woord of een ongelukkige zinsconstructie vervangen. Aan de strekking is niet gesleuteld. In drie gevallen heb ik twee artikelen die over hetzelfde onderwerp gingen, in elkaar geschoven. Door zo'n ‘telescopie’ zijn de drie betrokken hoofdstukken wel langer uitgevallen, maar zijn ze, hoop ik, niet gaan ‘rammelen’.
Van commentaar bij analyses die achteraf verkeerd zijn gebleken, heb ik me onthouden. Anders zou ik bij analyses die de tand des tijds hebben doorstaan, ook commentaar hebben moeten geven, en dan in de geest van ‘zie je wel’, en dat vond ik wat pedant. De lezer moet zelf uitmaken waar ik gelijk had en waar niet. Die lezer zal misschien ook vinden dat ik soms nogal lange citaten in mijn werk vlecht. Dat kan ik niet ontkennen, maar de reden is dat mijn artikelen vaak geschreven zijn in reactie op wat iemand anders gezegd of geschreven heeft. Om die gesprekspartner of opponent volledig recht te doen, moet ik hem soms wel vrij lang aan het woord laten. Anders krijgt de lezer maar één kant van de zaak te horen.
Onvermijdelijk zijn de herhalingen die de lezer in dit boek zal aantreffen. Over een periode van enkele jaren uitgespreid, zijn die niet hinderlijk, te minder omdat je als dagbladschrijver er niet van moet uitgaan dat de lezer al je vorige artikelen heeft gelezen en onthouden. Bovendien is het mijn ervaring dat je je soms, om een punt te maken, niet vaak genoeg kunt herhalen.
Ook citaten komen meer dan één keer voor. Nogmaals; in een krant is dat niet zo erg, in een boek is het misschien een beetje te veel van het goede. Eén zo'n, twee keer gebruikt citaat (van Pascal) geeft blijkbaar zo goed mijn stemming weer dat ik er zelfs de titel van dit boek aan heb ontleend: ‘Wij branden van verlangen om een stevige grondslag en een laatste vaste ondergrond te vinden, om er een toren op te bouwen die zich verheft
tot in de eeuwigheid. Maar heel ons fundament kraakt, en de aarde opent zich tot in de diepste diepten. Laten wij dus geen zekerheid en geen vastheid zoeken!’
Achteraf en onbedoeld vat het mijn eigen scepsis goed samen. En bovendien is het kenmerkend voor de afgelopen veertien jaar en, naar het zich laat aanzien, voor de voorzienbare toekomst.
Den Haag,
augustus 2003