Met de standrechtelijke moord op het echtpaar Ceausescu is het jaar 1989 geëindigd - een slotakkoord dat schril afstak tegen de vreedzame wijze waarop, in dit merkwaardige jaar, het ene communistische regime na het andere de geest gaf. Is de Roemeense opstand daarom niet veeleer als een voorbode dan als een slotakkoord te beschouwen? In elk geval beantwoordt het Roemeense geweld meer aan de voorstellingen die velen onzer aan het eind van een schrikbewind vastknoopten dan het vrijwel geluidloos leeglopen van de communistische ballons in Polen, Hongarije, de ddr, Bulgarije en Tsjechoslowakije.
Als Roemenië inderdaad de norm zou zijn en die andere landen de uitzondering, dan voorspelt dat niet veel goeds voor de jaren '90. De gerechtvaardigde vreugde die wij beleven over de overwinning van de vrijheid en over het einde van de Koude Oorlog, zou wel eens van korte duur kunnen zijn. In grote delen van Europa beginnen de moeilijkheden pas.
Maar dat is op zichzelf niet verwonderlijk. Immers, de stabiliteit die Europa's tweedeling veertig jaar lang ons werelddeel heeft bezorgd, heeft, met het einde van de Koude Oorlog, niet dadelijk plaats gemaakt voor een nieuwe stabiliteit. Ja, veranderingen - en niemand kan ontkennen dat wat we het laatste halfjaar meegemaakt hebben veranderingen zijn (en bovendien veranderingen waarop we jarenlang gehoopt hadden) - en stabiliteit gaan niet goed samen.
We doen er dus goed aan ons voor te bereiden op een decennium van instabiliteit. Het politiek-economische herstel van de Oosteuropese landen zal jaren vergen, en het is de vraag of de bevrijde samenlevingen - waarvan de meeste nauwelijks enige democratische traditie hebben - het geduld en de zelftucht zullen opbrengen die daarvoor nodig zijn. Zelfs in de ddr, die on-
getwijfeld door de Bondsrepubliek onder de arm genomen zal worden, zal dat niet zonder spanningen gaan (en dan praten we nog niet eens over de Duitse hereniging - een op zichzelf destabiliserend onderwerp).
Wat voor Oost-Europa geldt, geldt voor de Sovjet-Unie in versterkte mate. Gorbatsjovs economische hervormingen lijken de kant uit te gaan die hervormingen van zijn voorgangers Chroesjtsjov en Kosygin zijn gegaan; ze stranden op de onwil van een oppermachtige bureaucratie en - erger nog - van de bevolking. En intussen dreigt het rijk uiteen te vallen.
‘De Sovjet-Unie bevindt zich in een prefascistische periode. De veranderingen zijn tot nu toe blijven steken in goede bedoelingen en halfzachte maatregelen. De mensen zijn moe en ongeduldig, vatbaar voor populisme en volksmennerij. En de reactie in Rusland zal zwart zijn, fascistisch’, tekent André Gerrits in Moskou op uit de mond van Oleg Roemjantsev, medewerker aan het Instituut voor de Economie van het Wereldsocialistisch Systeem (Het Parool, 23 december).
Dat hoeft op zichzelf geen gevaar voor de wereldvrede op te leveren. De ‘correlatie van krachten’ - een marxistisch begrip, dat veel meer dan uitsluitend het militaire evenwicht bevat - is zo duidelijk ten gunste van het Westen verschoven, dat zelfs een ‘fascistische’ Sovjet-Unie, die overigens met dezelfde interne problemen als Gorbatsjov zou komen te zitten, voorlopig wel geen avonturen zal beginnen. Maar bevorderlijk voor de ontspanning zal een en ander niet zijn.
En de Derde Wereld (een verzamelterm, die een eenheid suggereert die helemaal niet bestaat)? Die dreigt het kind van de rekening te worden. De komende jaren zal de aandacht van het Westen zozeer op Oost-Europa gericht zijn, dat er weinig meer overschieten zal voor de Derde Wereld. En de hulp zal ongetwijfeld de weg van die aandacht opgaan.
Daar komt bij dat één prikkel voor die hulp is weggevallen: de vrees dat de Derde Wereld in de invloedssfeer van de Sovjet-Unie zal raken. Een Sovjet-Unie die Oost-Europa praktisch afschrijft, is geen supermogendheid meer. Die conclusie hebben vele Derde-Wereldlanden al getrokken. Hun marxistisch-leninistisch jasje hebben zij uitgetrokken, maar
daarom zijn ze nog niet voor het Westen interessant geworden.
Toch zal zelfs de meest verharde Realpolitiker rekening moeten houden met de gevolgen van een verder verarmende Derde Wereld: steeds meer Afrikanen en Aziaten zullen het welvarende West-Europa proberen binnen te komen, zo niet legaal dan illegaal, en het zal onmogelijk zijn ze allen te weren. Hetzelfde geldt trouwens voor Oosteuropeanen. Voer voor vreemdelingenhaat. Het Alle Mensçhen werden Brüder moge met Kerstmis in de Berlijnse kerken hebben geklonken, het zal zeker niet het politieke hoofdmotief van de jaren '90 zijn.
Maar wat misschien nog het belangrijkste is, is dat de aantasting van de natuur zal voortgaan, als er geen maatregelen worden genomen die onze vrijheid eerder zullen beperken dan doen toenemen. Zijn we bereid die beperkingen te aanvaarden? Het lijkt er niet op, wanneer we zien dat er nooit zoveel auto's - en de auto is voor velen het symbool van de vrijheid - verkocht zijn als in 1989.
En zullen, wat dat betreft, de volken van Oost-Europa en de Derde Wereld bereid zijn de weg naar de begeerde welvaart nog langer en nog moeilijker te maken dan hij toch al voor hen is? Om dat te geloven is het optimisme van Marx nodig. Maar Marx is dood.