terug  begin  verderprepost
[p. 48]

Het grote debat is over
23 januari 1990

Zo'n discussie als verleden week zondag heeft plaatsgehad in het Amsterdamse Paradiso over de vraag of achteraf, in het schelle licht van het communistische bankroet, ‘rechts’ veertig jaar lang gelijk blijkt te hebben gehad - zo'n discussie is natuurlijk heel leuk, maar moet niet te vaak worden herhaald.

Waarom niet? Omdat iedereen het met elkaar eens is, zoals ook in Paradiso bleek: als rechts niet gelijk heeft gehad, heeft links in elk geval ongelijk gehad. Het voornamelijk linkse publiek protesteerde niet; nee, het juichte zelfs de verdedigers van die stelling toe. Met andere woorden: het was geen discussie.

Zal dit kenmerkend blijken voor de periode die wij nu ingaan? Veertig jaar lang hebben we over twee vragen gestreden: 1. is er iets goeds aan het communisme zoals zich dit manifesteert in de landen waar het aan de macht is (het ‘reële’ socialisme)? 2. bedreigt de Sovjet-Unie onze veiligheid? Daar ging het grote debat sinds 1945 over.

Die vragen zijn nu beantwoord, of vrijwel. Aan de vruchten herkent men de boom: de vruchten van veertig jaar communisme in Oost-Europa zijn door en door rot. Dus de boom ook. Het is alleen de Russische militaire macht die de façade die velen voor de werkelijkheid aanzagen, zo lang heeft opgehouden. Toen die macht niet meer beschikbaar was, zakte alles ineen.

Die Russische militaire macht - is die ooit een bedreiging geweest? Objectief wèl. Dat wil zeggen: enkel door er te zijn vormde zij een bedreiging en dwong zij het Westen tot het opbouwen van een eigen militaire macht. Of de Sovjet-Unie ooit de bedoeling heeft gehad van die macht meer dan uitsluitend politiek gebruik te maken, is een kwestie van speculatie. In Afghanistan heeft ze dat in elk geval wèl gedaan.

Maar dat is een debat voor historici. De vraag die ons nu be-

[p. 49]

zighoudt is: is de Russische militaire macht nog steeds bedreigend? Nauwelijks. Het Warschaupact is vrijwel ineengestort. Tsjechoslowakije, Hongarije en Polen (althans Lech Walesa) eisen ontruiming van hun grondgebied door de Russen. Het Russische leger moet steeds meer als politieman in eigen land gaan optreden.

Voorlopig is dus de Russische militaire macht geen gevaar. Maar zelfs als de Sovjet-Unie geheel zou uiteenvallen, zouden er nog tienduizenden kernwapens blijven liggen. In wiens handen zouden die terechtkomen? Dat is een vraag die het Westen op z'n minst nog tot een minimum aan waakzaamheid en militaire samenwerking zou moeten dwingen. Het verdwijnen van het Warschaupact als militair instrument heeft niet het verdwijnen van de navo tot logisch gevolg.

Maar dit kan nauwelijks onderwerp van intellectueel debat zijn. Het grote debat van de naoorlogse periode is dus zo goed als afgelopen. Niet dat de vrede plotseling is uitgebroken. In het vacuüm dat het communisme in Oost-Europa heeft achtergelaten, stromen allerlei duistere en nog onbekende krachten, waarvoor we ons hart kunnen vasthouden. Uit de chaos zullen niet plotseling welvarende en redelijke democratieën oprijzen.

Voordat het zover is (als het ooit zover komt), zullen er jaren overheen gaan, jaren van onzekerheid, jaren waarin er van alles in die landen kan gebeuren. Het meest milde scenario is nog een krachtige herleving, overal, van het nationalisme. Oost-Europa één groot Joegoslavië (of zelfs Transkaukasus) is geen ondenkbaarheid.

Dat is een vreselijk vooruitzicht, maar aanleiding tot intellectueel debat in het Westen geeft het niet. Nationalisme is, anders dan marxisme, geen ideologie waarmee men een discussie kan voeren. Fascisme nog minder. Het zijn wezenlijk irrationele stromingen, en daarmèe is per definitie geen discussie mogelijk. De geschiedenis zal dus voorlopig zonder groot debat, anekdotisch zijn (let wel: ook anekdoten kunnen gruwelijk zijn!)

Heeft Fukuyama dan toch gelijk en gaan we ‘eeuwen van verveling’ tegemoet? Misschien wel (hoewel eeuwen een tijdsspanne vormen die niet te overzien is), maar die periode-zonder-groot-debat zal niet noodzakelijkerwijs een periode zijn

[p. 50]

waarin niets gebeurt. Integendeel: het televisiescherm zal vol blijven van allerlei beelden van oorlog, burgeroorlog, hongersnoden en vluchtelingen.

Maar nu al duizelt het de gewone kijker. Hoe is de toestand precies in Polen, in Hongarije, in Roemenië, in Bulgarije, in Litouwen, in Armenië? We kunnen het nauwelijks bijhouden. Terwijl vroeger die landen en de daar heersende toestanden min of meer over één kam geschoren konden worden - wat het denken erover gemakkelijker maakte - is nu de toestand overal verschillend. Ook dat kan tot onverschilligheid leiden.

Of dat ook tot politieke onverschilligheid zal leiden - met andere woorden: of, nu het Russische gevaar lijkt te zijn geweken, het intrinsieke belang van die landen voor het Westen niet zo groot zal blijken dat het er op zijn minst tien jaar lang miljarden en miljarden (32 miljard gulden per jaar, zegt de voorzitter van de Europese Commissie) in zal pompen - dat zal in laatste aanleg die gewone kijker uitmaken, want die zal dat geld moeten opbrengen.

Dat kan tot interessante debatten aanleiding geven, maar alweer: een groot debat, een filosofisch debat zal het niet zijn. Dat zal moeten wachten op het ontstaan van nieuwe ideologieën die aanspraak maken op universele gelding.

prepostterug  begin  verder