terug  begin  verderprepost
[p. 51]

We leven altijd in een crisistijd
13 april 1990

Nederlands beroemdste historicus is Johan Huizinga (1872-1945), maar slechts weinigen wisten in zijn tijd wat zijn voornaam was. Zijn boeken publiceerde hij onder de naam J. Huizinga, wat in het buitenland - waar men toen al gewoon was ook de voornaam van de auteur voluit te vermelden - wel eens tot verwarring aanleiding gaf. Zo moest hij eens de bul van een - ik geloof: Oostenrijks - eredoctoraat in ontvangst nemen waarop hij Jan genoemd werd.

In een artikel in de Londense The Times van 7 april noemt Daniel Johnson, commentator bij dat Londense dagblad, hem Johann. Dat moeten we hem maar ten goede houden, want hij citeert Huizinga uitvoerig, en dat overkomt niet iedere Nederlander in een buitenlandse krant, en dan nog wel 45 jaar na zijn dood! Johnson noemt de bron van zijn citaten niet, zegt alleen maar dat Huizinga het in 1936 schreef. Mijn vermoeden dat In de schaduwen van morgen de bron was, bleek juist.

Maar eerst: in welk verband haalt Johnson Huizinga aan? Het is in een artikel waarin hij betoogt dat, nu het marxisme over de hele linie in diskrediet is geraakt, ook wel een eind zal komen aan de populariteit waarin de socio-economische interpretatie van de geschiedenis zich de laatste halve eeuw, ook bij nietmarxisten, heeft mogen verheugen. Er zal weer aandacht komen voor rol van de persoon, meer in 't bijzonder van de grote man, in de geschiedenis.

Johnson haalt een beetje, vind ik, geschiedenis als ‘het gebeurde’ en geschiedenis zoals zij geïnterpreteerd wordt, dus als verhaal, door elkaar. Enerzijds zegt hij dat sociologie en economie de ‘heroïsche interpretatie van de geschiedenis’ hadden onttroond, anderzijds dat we net een periode achter de rug hebben ‘waarin politici weinig aanspraak maakten op grootheid’,

[p. 52]

maar dat dat nu, met mannen als Gorbatsjov, Walesa en Havel, anders kan gaan worden. Het een is niet noodzakelijkerwijs in strijd met het ander, maar het zijn wel verschillende dingen.

Of Gorbatsjov, Havel en Walesa - Johnson noemt zelfs Mitterrand, Kohl en Bush als mogelijkheid - de Churchills, Adenauers en De Gaulles (zo niet de Franco's, Tito's en Mao's) van onze tijd zullen worden, moeten we afwachten. Zo ja, dàn omdat er behoefte aan is. Want zoals de Bazelse historicus Jacob Burckhardt omstreeks 1870 schreef: ‘Niet elke epoque vindt haar grote man en niet elke grote bekwaamheid vindt haar tijdperk. Het kan heel goed zijn dat er nu grote mannen leven, groot voor dingen die er niet zijn. De overheersende neiging van onze dagen: de hang van de massa naar een gemakkelijker leven, kan zich onmogelijk condenseren tot een werkelijk grote figuur.’

Toen al! Het lijkt wel alsof Huizinga, met al zijn walging van het materialisme, aan het woord is - terwijl hij in werkelijkheid nog niet eens geboren was toen Burckhardt deze woorden schreef: ‘Wat wij voor ons zien is eerder een algemene vervlakking’, en die ‘zou de mening kunnen rechtvaardigen dat er geen grote individuen meer mogelijk zijn.’

Is - of was - die ‘algemene vervlakking’ er werkelijk? Of slechts in de ogen van de pessimisten Burckhardt en Huizinga? Hetzelfde kan gevraagd worden met betrekking tot de crisis die Burckhardt al zag, en die crisis zou dan wel eens ‘van haar erbarmelijk terrein “bezitten en verkrijgen” plotseling op een ander terrein kunnen worden gebracht’, en dan zou ‘“de ware” wel eens, bij nacht, kunnen komen - en een ieder zal dan achter hem aanlopen’.

Ook Huizinga ziet, 65 jaar later, een crisis en brengt de behoefte aan de ‘heros’, de grote man, ermee in verband: ‘De aanprijzing van het heroïsche is op zichzelf een crisisverschijnsel. Zij betekent dat de begrippen van dienst, taak en plichtsvervulling niet meer de vereiste kracht hebben om de publieke energie actief te maken. Deze moet worden versterkt, als door een luidspreker.’

En: ‘Als uitvoerders van de heroïsche taak zullen maar al te graag elementen toestromen die in het geweld de bevrediging

[p. 53]

vinden van hun animale of pathologische instincten. Een strikt militair gezag zal deze misschien binnen zekere perken kunnen houden. In het fanatisme van een volksbeweging zullen het de beulsknechten worden van de moord.’

Het zijn deze passages van 55 jaar geleden die Daniel Johnson, in vertaling, citeerde in zijn artikel in The Times. Natuurlijk heeft Huizinga ze geschreven met Hitler in zijn achterhoofd. Maar daarom zijn ze nog niet verouderd. Leven we dan in een zelfde tijd van crisis als in de jaren '30? We leven altijd in een tijd van crisis.

Of die crisis opnieuw (de behoefte aan) grote mannen zal meebrengen, weten we niet. En de ‘heroïsche interpretatie van de geschiedenis’? Krijgt die weer een kans? Vast staat in elk geval, zegt Johnson, dat ‘de socio-economische bagage’ (waarmee hij de socio-economische interpretatie van de geschiedenis bedoelt) ‘er op glansrijke wijze niet in geslaagd is de tegenwoordige crisis’ (waarmee hij de ineenstorting van het communisme bedoelt) ‘te voorspellen’.

Dat is juist, maar dat heeft zij gemeen met elke andere interpretatie. Een socio-economische verklaring kan wèl gegeven worden: uit Gorbatsjovs besluit bijna absolute prioriteit te geven aan het herstel van eigen economie en modernisering van eigen samenleving moest het prijsgeven van de hegemonie in Oost-Europa volgen.

Is Gorbatsjov dan de ‘heros’, de man die de historische functie vervulde die niemand anders had kunnen vervullen? Nee, niet noodzakelijkerwijs. Vroeg of laat zou een ander met deze keus geconfronteerd zijn geweest. Trouwens, dertig jaar vóór hem, in 1956, deed een ander, Nikita Chroesjtsjov, die keus (zij het zonder het te weten), en toen wankelde het Sovjet-rijk even in Polen en Hongarije.

prepostterug  begin  verder