terug  begin  verderprepost
[p. 54]

Wedergeboorte van het beeld
8 juni 1990

Opnieuw Huizinga. Onlangs bracht Gustav Seibt, redacteur van het culturele katern van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, hem daar ter sprake in verband met de revolutionaire gebeurtenissen van 1989 (kan het actueler?). Die gebeurtenissen hebben we allemaal op de televisie kunnen volgen - tot aan de terechtstelling van de Ceausescu's toe. Wie zegt nog dat gebeurtenissen slechts ‘het schuim van de geschiedenis’ zijn; dat wat er van veel diepere processen komt bovendrijven?

In elk geval: ‘De nieuwe zichtbaarheid van de wereldgeschiedenis gooit dierbaar geworden concepties overhoop.’ En dan haalt Seibt een uitspraak van Huizinga uit 1941 aan, waarin deze zegt dat de geschiedenis sinds het midden van de 19e eeuw haar dramatische en epische kwaliteiten verloren heeft; zich niet meer verdichten laat in kenmerkende beelden en figuren. Kortom, zij is onleesbaar geworden.

Huizinga letterlijk citerend (ik vertaal terug uit het Duits): ‘Ik ben geneigd van de geschiedenis, ook in haar meest wetenschappelijke vorm, de leesbaarheid als een criterium van haar waarde te eisen. Onleesbare geschiedenis is geen geschiedenis.’

De oorzaak van haar onleesbaarheid zoekt Huizinga in het opkomen van ‘massale verschijnselen’, zoals sociale en economische factoren, en daarmee in de devaluatie van de rol van de persoonlijkheid van de geschiedenis, en dus ook in het verdwijnen van het moment van vrije, zedelijke beslissing. De geschiedenis kan nog slechts gemeten, gekwantificeerd worden, maar ‘in het getal gaat het verhaal ten onder en wordt geen beeld geboren’.

Gaat Huizinga's diagnose, die (volgens Seibt) door de moderne sociale geschiedenis met vlag en wimpel is overgenomen, nog op? Zeker kan na 1989 niet meer gezegd worden dat er

[p. 55]

geen beeld meer geboren wordt. Integendeel: we hebben de recente geschiedenis juist in beelden meegemaakt. Sterker nog: het beeld heeft op zichzelf geschiedenis gemaakt, want de mensen in Leipzig zagen wat er in Boedapest gebeurde, en de mensen in Praag zagen wat er in Leipzig en Berlijn gebeurde, en werden erdoor tot actie geïnspireerd.

De vraag is echter of die geschiedenis ook verteld kan worden, dus leesbaar is. Moeten we niet vaststellen dat het beeld in de plaats van het verhaal is gekomen, dat voortaan de geschiedenis niet langer leesbaar, maar zichtbaar moet worden gemaakt - aan de hand van de talloze televisie-opnamen die van de gebeurtenissen in Midden-Europa gemaakt zijn? Dat heeft Huizinga natuurlijk niet kunnen voorzien.

De gebeurtenissen sinds de laatste zomer hebben hem evenwel in zoverre gelijk gegeven, vindt Seibt, dat zij ‘geen ogenblik door individueel handelende mensen gedomineerd werden; zij werden door niemand - zelfs niet door Gorbatsjov - bewust beraamd en veroorzaakt; maandenlang zijn de politiek verantwoordelijken achter ze aan gehold’. Een latere historiografie zal dit alles, aldus Seibt, slechts als verhaal kunnen samenvatten. Akkoord, maar dan niet zozeer als leesbaar als wel als zichtbaar verhaal.

Natuurlijk, zegt Seibt, zal het een latere historiografie ook lukken ‘aan de gebeurtenissen van 1989 achteraf al het verrassende te ontnemen en ze als logisch resultaat van de Macht der Verhältnisse uit te leggen. Als de tijdgenoten daarvan niets gemerkt hebben, dan des te erger voor die tijdgenoten!’ Maar wie de geschiedenis wil navoelen zoals de tijdgenoten haar hebben beleefd, zal niet uitkomen zonder verhaal - of het door Huizinga doodverklaarde beeld.

Heeft de geschiedenis Huizinga gelijk gegeven of niet? Seibt is daar niet helemaal duidelijk over, want hij is de grote historicus enigszins kwijtgeraakt in de loop van zijn eigen betoog. Tenslotte zegt hij, nogal onbevredigend: ‘hij had gelijk en ongelijk tegelijk’. Tja, dat heeft bijna iedereen.

Ongelijk had, volgens hem, Huizinga al in zijn eigen tijd door niet te zien dat, per slot van rekening, ook de geschiedenis van, bijvoorbeeld, het hellenisme of van de vroege middeleeu-

[p. 56]

wen niet zo ‘leesbaar’ is. En omgekeerd: kon de geschiedenis van het Derde Rijk, die Huizinga zelf meemaakte, niet bij uitstek ‘verbeeld’ worden in de figuur van Hitler en in de gruwelijke beelden die na de oorlog - en na Huizinga's overlijden - ervan vrijkwamen?

prepostterug  begin  verder