Er wordt vaak gesproken van Duitslands Sonderweg in de moderne geschiedenis: Duitsland zou in de negentiende eeuw en in de eerste helft van deze eeuw een weg naar de moderniteit zijn gegaan, en willen gaan, die verschillend is van die van de West-Europese landen. Deze these, hoewel niet onbetwist, wordt door vele historici, ook Duitse, aangehangen.
Maar kan er niet ook van een Nederlandse Sonderweg gesproken worden? De historicus prof. dr. M.C. Brands betoogt dat het feit dat de Eerste Wereldoorlog aan Nederland is voorbijgegaan, de oorzaak is van een ‘gebrek aan aansluiting bij het geschiedbeeld van de buren’, bij wie die oorlog wèl behoort tot het ‘nationale bestand van collectieve herinneringen’.
Hierdoor kan, volgens Brands, grotendeels nog steeds het geringe inzicht verklaard worden dat Nederland heeft in de grote omwentelingen die zich deze eeuw hebben voltrokken. Brands spreekt zelfs van de ‘bekende Nederlandse parochiale myopie’. Nu hebben andere landen ook wel eens last van zo'n myopie, maar belangrijker is dat de Nederlandse Sonderweg, àls daarvan gesproken kan worden, slechts het denken over Nederlands plaats in de wereld betreft, niet zijn interne bestel, de democratie. Wat dàt betreft behoorde Nederland tot West-Europa, Duitsland niet.
Bij dezelfde gebeurtenis als waarbij Brands dit betoog hield - de opening van de nieuwe behuizing van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - heeft ook de Duitse historicus dr. G. Hirschfeld, directeur van de Bibliothek für Zeitgeschichte te Stuttgart en hoogleraar nieuwe geschiedenis aldaar, gesproken. Hij kent Nederlands recente verleden, want hij is de auteur van een alom geprezen werk: Nazi Rule and Dutch Collaboration (Oxford 1988).
Hirschfeld vergelijkt nu beide Sonderwege: de Duitse en de Nederlandse. Hier wil ik mij voornamelijk bezighouden met wat hij over de eerste heeft gezegd. Ook in de Weimarrepubliek (1919-1933), formeel een democratie, ging de ideologie van die aparte weg door. Na Hitlers machtsovername (1933) werd met de formele democratie gebroken en verdween ook deze aansluiting bij het Westen.
En na 1945? De Bondsrepubliek werd beschouwd als een integraal onderdeel van de Westerse beschaving. Bonn zou zelfs nooit meer Weimar mogen worden. Maar de Duitse staatsbureaucratie bleef bestaan, zij is zelfs ‘een van de belangrijkste steunpilaren van de Bondsrepubliek’ geworden. En die staatsbureaucratie bestond in de beginjaren van de Bondsrepubliek grotendeels uit ambtenaren die ook Hitler gediend hadden. De benoeming van Hans Globke, die een van de ontwerpers van de Neurenberger rassenwetten van 1935 was geweest, tot hoofd van Adenauers kanselarij is daar het meest sprekende voorbeeld van.
Ook kwam er ‘geen nieuw begin in onderwijs en wetenschap. Antiliberale tradities en predemocratische gezagspatronen werden in stand gehouden’. Een van de andere dominante trekken van de naoorlogse tijd was het ‘gebrek aan onderzoek van de naziperiode’. Het beeld dat het Duitse publiek medio jaren vijftig van die periode had, was grosso modo dat van een kleine kliek oorlogsmisdadigers rond Hitler, en de rest op z'n hoogst meelopers. Met dit ‘collectieve zwijgen’ werd de ‘hyperstabiliteit’ van de vroege Bondsrepubliek gekocht.
‘Maar deze tekortkomingen en restauratieve elementen (...) werden met succes in evenwicht gehouden door een aantal veranderingen in het weefsel van de Duitse maatschappij’: het verdwijnen van de Pruisische landadel en van het militarisme. Daarnaast waren er ‘aanzienlijke sociale veranderingen binnen de traditionele heersende politieke en economische elites’. Sommige van die veranderingen waren al in de Hitlertijd begonnen.
Hitler had immers grotendeels de structuren van het keizerrijk die ‘Weimar’ overleefd hadden, vernietigd. Zo was het leger onder hem veel ‘democratischer’ geworden, in die zin dat
gewone mensen tot de hoogste rangen konden opstijgen. De reusachtige volksverhuizingen die al in 1944 begonnen, hebben het hunne tot die sociale veranderingen bijgedragen.
Deze sociale veranderingen voltrokken zich of hadden zich al in belangrijke mate voltrokken terwijl de ideologie en de praktijk van de Bondsrepubliek in die eerste jaren na de oorlog nog restauratief waren. Hirschfeld dateert de kentering hierin van de jaren zestig: het proces tegen Eichmann, het Auschwitzproces en de studentenopstanden. Een soortgelijk proces deed zich in Nederland voor: pas in de jaren zestig, toen een nieuwe generatie aan bod kwam, werd een begin gemaakt met de afbraak van de vooroorlogse zuilenmaatschappij.
Maar terug naar Duitsland. ‘De levensvatbaarheid van de tweede Duitse democratie nam toe’, zegt Hirschfeld. ‘Een van de grootste prestaties was de vestiging van een onafhankelijk juridisch systeem en een functionerende grondwet, die uiteindelijk de eerste vereisten waren voor een moderne civil society.’ De Bondsrepubliek opende zich onvoorwaardelijk voor de politieke cultuur van het Westen (wat Jürgen Habermas de misschien wel grootste intellectuele prestatie van de Bondsrepubliek noemde).
Slotsom: ‘Voor de eerste keer in zijn geschiedenis is een verenigd Duitsland stevig verankerd in de westerse politieke en culturele gemeenschap. (...) De burgers van de Bondsrepubliek laten zien dat de vooruitzichten gunstig zijn.’
Hirschfelds betoog kan in grote trekken onderschreven worden, maar toch blijft er iets onverklaards: hoe kan een maatschappij die zulke restauratieve trekken vertoonde als Hirschfeld breeduit schetst, plotseling - of bijna ongemerkt - overgaan in een ‘normale’ samenleving en rechtsstaat, die in wezen niet verschilt van de omringende samenlevingen en staten? Men zou bijna gaan geloven dat het eerste voorwaarde was voor het tweede.
Een te boude veronderstelling? Brands zinspeelt in zijn bij dezelfde gelegenheid gehouden referaat, op een soortgelijke mogelijkheid. Het wraakzuchtige verdrag van Versailles (1919) vergelijkend met ‘vroegere verdragen die meer gericht waren op verzoening dan op straf en vergelding’, zegt hij: ‘“Zand er-
over” is nu eenmaal een essentiële voorwaarde voor vrede en zeker voor een vredesverdrag.’
Zou hetzelfde niet net zo goed kunnen gelden voor interne vrede? Al in 1978 schreef de Nederlandse historicus H.W. von der Dunk: ‘De kritiek van buitenlandse zijde op de personele continuïteit’ - tussen het Duitsland van vóór 1945 en het West-Duitsland van na dat jaar - ‘en de vrees dat bij velen het vroegere bruine hemd onder het democratische vest te voorschijn zou kunnen komen, is begrijpelijk. Toch zou een radicale zuivering veel eerder tot een ressentimentsbeweging hebben geleid dan Adenauers pragmatische struisvogelhouding.’ (Adenauer was de eerste Duitse bondskanselier, van 1949 tot 1963.)
Deze politiek heeft, zo schreef Von der Dunk in 1989 uitvoeriger, ‘bij alle, met name voor de antifascisten, grievende en onrechtvaardige aspecten, de herleving van een revanchistische, antidemocratische oppositie, die de republiek van Weimar (1918-1933) zo fataal was geworden, verhinderd. Door de wijde mantel der vergetelheid gedekt, konden tallozen in de nieuwe staat carrière maken, hetgeen uiteraard het innerlijke verzet tegen die staat heeft weggenomen.’
En hij besluit: ‘Op lange zicht gezien was Adenauers beleid wellicht het kleinere euvel, vergeleken bij een - moreel gesproken rechtvaardiger en zuiverder - beginselvaste denazificatie, die naar alle waarschijnlijkheid al die miljoenen buiten de nieuwe staat had gehouden en in een verbitterde oppositie had gedreven.’
Maar wat de West-Duitsers zichzelf na 1945 hebben gegund - een zwijgen over het verleden - hebben zij de Oost-Duitsers na 1989, toen beide Duitslanden herenigd werden, niet gegund. De Oost-Duitsers heeft men, zo schrijft Franziska Augstein in de Frankfurter Allgemeine, ‘rigoureus en met morele verontwaardiging ter verantwoording geroepen. Men heeft de Oost-Duitse elites uit de macht ontzet en de ddr tot een misdadige organisatie verklaard.’ Geen wonder dat de grote meerderheid van de Oost-Duitse bevolking zich ‘stelselmatig vernederd’ voelt.
‘Niet de jeugdwerkloosheid is de bron van het rechtse radicalisme in Oost-Duitsland, maar de declassering en werkloosheid van de ouders, hun gebrek aan oriëntatie, hun ressenti-
ment, de omstandigheid dat zij geen enkele aanspraak op gezag kunnen doen gelden. Wie de eigen ouders als waardeloos beleeft, zoekt andere voorbeelden en eigen maatstaven, en de ouders keuren de wandaden van de kinderen vaak genoeg heimelijk goed.’
Natuurlijk zijn er ook andere oorzaken te noemen dan degene die Franziska Augstein noemt. Een verschijnsel is zelden monocausaal, maar de resultante van een samenloop van oorzaken. Zo was de ddr ook voor de niet-communistische meerderheid toch in de loop der jaren een tehuis geworden, en dat tehuis is na 1989 resoluut, zo niet afgebroken, dan toch belachelijk gemaakt. Op die manier raakte een hele bevolking vervreemd of ontheemd, en dat levert geen goede voedingsbodem voor democratie op.
Onnodig te zeggen dat ook het communistische regime zelf schuld heeft aan neonazisme. Niet doordat het eveneens vele ex-nazi's opnam - acht hunner brachten het zelfs tot minister - maar vooral door de militarisering van de hele samenleving - tot op de scholen toe. Het schuwen van eigen verantwoordelijkheid, dat eigen is aan elk totalitair stelsel, is een gewoonte die ook niet eensklaps verdwijnt bij de invoering van de formele democratie.
Wat echter het meest tegen de borst stuit, is het moraliseren van mensen wier ouders en grootouders geprofiteerd hebben van de heel wat lankmoediger houding tegenover hun tekortkomingen dan zij nu jegens anderen, die evenmin helden zijn geweest, aannemen. Maar dat is geen typisch Duits verschijnsel. Wij Nederlanders weten daar ook wat van. Het geheugen laat zich nu eenmaal, als het al niet kort en selectief is, gemakkelijk verdringen en bedriegen.