Op 1 augustus 1945 trad ik in dienst van de Nieuwe Rotterdamse Courant. Ik ben dus bijna zestig jaar werkzaam geweest in de journalistiek. Eerst heb ik gewoon bureauredactiewerk gedaan, zo nu en dan afgewisseld door een reportage. Sinds 1954 - na een onderbreking van ruim vier jaar, die ik in Amerika doorbracht - is commentaar en analyse mijn voornaamste bezigheid geweest, aanvankelijk in een dagelijkse rubriek waarin ik de internationale politiek volgde, met ingang van 1960 in mijn nog bestaande rubriek Dezer dagen, waarin ook andere zaken ter sprake komen. De meeste van de in deze bundel overgenomen artikelen zijn aan die rubriek ontleend.
Door welke beginselen heb ik me bij dit werk laten leiden? Ik zou het niet weten. Zeker ben ik niet met een vaste opzet aan dit werk begonnen, behalve dat ik - om het plechtig te zeggen - de waarheid wilde dienen, maar dat spreekt zo vanzelf dat het nauwelijks vermelding verdient.
Maar is er geen rode draad in mijn werk te bespeuren? Of: wat is het kenmerk ervan? Het is niet aan mij die vragen te beantwoorden. Niemand kan een objectief beoordelaar van eigen werk zijn. Het is pas later dat ik de uitspraak van de Belgische historicus Henri Pirenne ontdekte die ik in het woord vooraf bij mijn eerste bundel (Het verschil met anderen, 1975) citeerde: ‘L'essentiel est de faire réfléchir’ en dat het besef toen tot mij doordrong: ja, daar heb ik ook altijd naar gestreefd.
Het gaat mij er niet in de eerste plaats om zelf met uitspraken en meningen te komen - al ontbreken die niet - als wel om de mensen te doen nadenken (met de nadruk op doen), en dat bereik je eerder, zoals ik ook in 1975 schreef, ‘door het zetten van vraagtekens dan van uitroeptekens’. Het gaat mij, met andere woorden, meer om bijdragen te leveren aan de discussie dan om
oplossingen aan te dragen. ‘Il vaut mieux remuer une question sans la décider que la décider sans la remuer’, heeft de Franse essayist Joseph Joubert, tijdgenoot en vriend van Chateaubriand, geschreven. Ik wil geen voorschriften geven of politici zeggen hoe ze moeten handelen, wel wetend dat bij politieke beslissingen heel wat meer komt kijken dan de zuivere rede. Dat sluit kritiek op die beslissingen natuurlijk niet uit. ‘Spectateur engagé’ noemde Raymond Aron zichzelf. Dat zeg ik deze maître à penser graag na, al pretendeer ik niet hem te kunnen evenaren.
Om een discussie aan de gang te krijgen is het niet nodig uitsluitend met eigen, originele bijdragen te komen. Ik heb mijn rubriek ook vaak gezien als een kanaal waardoor ik meningen of bevindingen van anderen, die ik aangetroffen had in minder bereikbare publicaties, doorgaf aan mijn lezers - met of zonder commentaar mijnerzijds. Sowieso citeer ik vrij veel in mijn artikelen, maar dat is vrijwel onvermijdelijk als je de opvattingen van iemand met wie je in discussie bent, recht wilt doen wedervaren. De lezer mag niet alleen afgaan op mijn weergave van die opvattingen.
Of ik erin geslaagd ben zo'n discussie aan de gang te krijgen? Daar ben ik niet zeker van. Het is mijn ervaring dat veel lezers mijn rubriek eerder lezen om de informatie die ze bevat dan om de opvattingen die erin verkondigd worden. En misschien hebben die lezers misschien wel gelijk. Een krant is immers in de eerste plaats een nieuwsorgaan? Maar wellicht ligt dit ook aan het feit dat het intellectuele discours in Nederland vanouds moralistische trekken vertoont, erfenis van de negentiende-eeuwse domineesinvloed. Ook het burgerlijk, huiselijk karakter van onze samenleving draagt daartoe bij: een analyse wordt hier zo gauw koel gevonden, en dat is dan niet als compliment bedoeld. Zelf behorend tot een burgerlijk geslacht, dat de nodige predikanten heeft voortgebracht, heb ik dat wel begrepen, maar ik heb mij er weinig aan gelegen laten liggen.
Een slotwoord van iemand die mijn leeftijd heeft bereikt, is bijna noodgedwongen een terugblik. Daarbij behoort ook een monstering van de werktuigen die mij ten dienste hebben gestaan bij mijn werk. Over mijn intellectuele capaciteiten zal ik
zelf geen oordeel uitspreken. Wèl mag ik misschien zeggen dat ik gezegend ben met een goed geheugen, en wanneer dat tekortschiet, dan vind ik meestal wel de weg in de documentatie die mij ter beschikking staat.
Daarbij heb ik een goede opvoeding gehad. In de eerste plaats op het gymnasium dat ik bezocht. Maar ook de huiselijke sfeer is niet zonder invloed geweest. Mijn moeder was Frans, en al is zij vroeg overleden, door haar familie, die ik veel bezocht, ben ik van kindsbeen af in aanraking geweest met de Franse cultuur, wat, naar ik aanneem, mijn blik verruimd heeft. Mijn vader was geen intellectueel, maar hij wist zin van onzin te onderscheiden. Ook was hij belezen en geïnteresseerd in geschiedenis, kunst en, zij het in mindere mate, literatuur. In elk geval werd daar aan tafel veel over gepraat. Bovendien maakte hij elke zondag vrij om ons andere steden dan Amsterdam te laten zien (zo kende ik Leiden al voordat ik er ging studeren). Later werden dat buitenlandse reisjes. Bij elkaar vormt dit bagage waar je de rest van je leven van profiteert.
Niet vergeten wil ik de christelijke invloeden die ik heb ondergaan. Ik ben allerminst ‘gristelijk’ opgevoed, maar een zekere bijbelkennis werd geacht te behoren tot de bagage waarvan ik zojuist sprak. Bovendien werden de predikanten in ons voorgeslacht, die ik ook even vermeldde, in ons liberale gezin niet verloochend. Dat doe ik nog steeds niet, al is in mijn geval de appel misschien ver van hun stam gevallen. Toen ds. A.A. Spijkerboer in een bespreking van mijn werk in Trouw mijn ‘filosofie’ karakteriseerde als ‘protestantisme zonder geloof’, wees ik deze benaming niet af. Sterker nog: ik was er een beetje trots op. Niettemin zal ik dit slotwoord, dat tevens iets van een afscheidswoord heeft - een vierde bundel van mijn artikelen zal wel niet meer verschijnen - niet met amen eindigen.