Kopij en druk in de Nederlanden. Atlas bij de geschiedenis van de Nederlandse typografie


auteur: W.Gs Hellinga


bron: W.Gs Hellinga, Kopij en druk in de Nederlanden. Atlas bij de geschiedenis van de Nederlandse typografie. Federatie der Werkgeversorganisatiën in het Boekdrukkersbedrijf / Vereniging van Nederlandse Chemigrafische Inrichtingen / Noord-Hollandsche Uitgevers Mij, Amsterdam 1962  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 17]

De zestiende eeuw

Het boek in de cultuur

De zestiende eeuw verdient de eeuw van het boek genoemd te worden. Alle nieuwe krachten, die zich in deze roerige eeuw laten gelden, alle veranderingen, die zich voltrekken, bedienen zich van het boek als instrument, ja als wapen. Zonder het boek zouden deze bewegingen minder hevig, minder vèrstrekkend geweest, en in ieder geval minder snel doorgedrongen zijn. Welke zijn die krachten?

Daar is in de eerste plaats dat veelzijdig, gecompliceerd verschijnsel, de Renaissance, die na in de vijftiende eeuw in Italië haar schoonste bloei bereikt te hebben, nu in de zestiende eeuw vrijwel geheel Europa verovert. Een van de grondslagen van de Renaissance, volgens velen dè grondslag, is het Humanisme, dat zich toelegt op de studie van de Oudheid en deze ten voorbeeld stelt voor een betere samenleving op ieder gebied. Was gedurende de middeleeuwen de kennis van de klassieke auteurs niet verloren gegaan, het Humanisme ziet voor 't eerst de antieke beschaving als een historische eenheid en tevens als een ideaal. De Oudheid, beschouwd als een voorbereiding van het Christendom, moet tegelijkertijd dienen om het Christendom te regenereren. Aan de herleving van het klassieke Latijn, dat het barbaars Latijn van de scholastiek verdringt, voegt het Humanisme nu de studie van het Grieks toe, dat de middeleeuwers amper gekend hadden. Een waarlijk internationale gemeenschap vormt het Humanisme: de wereld is één, de taal, het Latijn, is één, de wetenschap is één. En deze gemeenschap is gebouwd op het boek, het gedrukte boek, het instrument dat de blijde boodschap van de ‘bonae litterae’, de goede letteren, tot in de verste uithoeken moet verbreiden.

De term ‘letteren’ bestrijkt in deze periode het ganse gebied der geesteswetenschappen. Niet alleen de studie van de klassieke auteurs, de oude geschiedenis en de archeologie houdt de geesten bezig, maar er ontstaat ook een nieuwe letterkunde in antieke stijl. De neo-latijnse dichtkunst trekt talloze beoefenaars, waaronder vele poëtasters, maar ook enkele echte dichters. Belangrijker is, dat de Renaissance tevens de stoot geeft tot de vernieuwing van de letterkunde in de landstalen. Ondanks alle goede bedoelingen maakte het Humanisme door zijn ijverige navolging van de klassieken het Latijn tot wat het in de Middeleeuwen niet geweest was: een dode taal. Juist de bestudering van de klassieke voorbeelden lokt uit tot het pogen de antieke gedachten te kleden in de nationale talen. Ook hier geeft Italië het voorbeeld, dat in geheel Europa navolging vindt. Al spoedig geeft Frankrijk de toon aan met de ‘Pléiade’, de groep van Ronsard, Du Bellay en hun vrienden. Dank zij het gedrukte boek vinden deze jonge dichters direct gehoor bij een groot publiek.

De tweede kracht, die de Renaissance bezielt, is de kunst. De geheimen der klassieke kunst tracht men te doorgronden en haar eenvoudige vormen na te volgen. De kunst wordt ‘geleerd’ en de scheiding tussen de kunstenaar en de ambachtsman

[p. 18]

voltrekt zich. Ook de kunstenaar heeft boeken nodig: werken over algemene theoretische vraagstukken, zoals de leer der proporties en het perspectief, architectuurboeken met nauwkeurige afbeeldingen, voorbeeldenboeken voor decoratie, penningkunst, calligrafie, enz.

De wetenschap verkrijgt in de zestiende eeuw een volkomen nieuwe oriëntatie. De ontdekking van de nieuwe wereld, het hernieuwde contact met het Oosten openen ongekende perspectieven. Naast degenen, die zich blind staren op wat de antieke wetenschap gepresteerd heeft, staan zij, die uit eigen ogen willen kijken en zelf aan het experimenteren slaan, anatomen, botanici, fysici. Als geheel biedt de wetenschap nog een verward beeld, omdat een eigenlijke methode ontbreekt en allerlei schijnwetenschappen, zoals astrologie, alchemie en demonologie, al te veel belangstelling trekken. Hoe dit ook zij, al deze echte en valse wetenschap heeft boeken nodig en uit zich door boeken. Reisverhalen en kaarten maken de nieuwe ontdekkingen bekend. De zeevaarders hebben behoefte aan werken over stuurmanskunst en nautische instrumenten. Er verschijnen boeken met op eigen waarneming berustende anatomische afbeeldingen, met tekeningen van planten en dieren enz. De boekillustratie krijgt hier een nieuwe taak, die de grootste kunstenaars tot medewerking verlokt.

De belangrijkste preoccupatie van de Renaissance ligt misschien op religieus gebied. Zoals men in de kunst en de letterkunde naar eenvoudige, zuivere vormen streeft, zo wil men ook het Christendom zuiveren en herstellen in zijn eenvoudige vorm. Erasmus, de centrale figuur in de Noordelijke Renaissance, is overtuigd, dat door gezette studie van de Bijbel in de oorspronkelijke talen de ingeslopen misbruiken vanzelf zullen verdwijnen en de ‘philosophia Christi’, het eenvoudige, ondogmatische Christendom, zal zegevieren. Deze leer weet de beste geesten voor zich te winnen. Ondanks sterke weerstanden van dogmatische zijde lijkt zij overal te triomferen, zelfs in Rome, zelfs in Spanje, totdat zij verdacht gemaakt en opzij gedrongen wordt door de onweerstaanbare beweging, door Luther ontketend en door Calvijn voortgezet.

't Is hier niet de plaats in te gaan op oorzaak en werking van de Reformatie, de tweede grote R in de zestiende eeuw. Eén ding staat vast: zonder de boekdrukkunst zou de Hervorming nimmer zo spoedig zulk een grote omvang gekregen hebben en zich niet hebben kunnen handhaven. Immers, de drukpers bood de mogelijkheid om de nieuwe denkbeelden op snelle wijze tot in de verste uithoeken bekend te maken. Opeens werd het publiek onmetelijk groot, want het ging hier om vragen, die niemand onverschillig konden laten. Zowel Reformatie als Contrareformatie hebben zich van de drukkunst bediend als hun machtigste wapen. De typografie, in de vijftiende eeuw geboren, openbaarde zich nu eerst in haar volle kracht en de mensheid ging beseffen wat zij betekende.

Tezelfdertijd vinden ook op staatkundig gebied ingrijpende veranderingen plaats. De middeleeuwse standenstaat met zijn wankelbaar evenwicht en zijn sterke verbondenheid met de Kerk, maakt plaats voor de machtsstaat, de gecentraliseerde,

[p. 19]

hecht georganiseerde monarchie. Deze problematiek leidt tot een scheiding der geesten, die een vloedgolf van theoretische geschriften en polemische litteratuur veroorzaakt. Zoals de geestelijke overheden zich met het boekenbedrijf gaan bemoeien om de ketterij te bestrijden, zo doen het ook de wereldlijke machthebbers: het machtige wapen van de drukpers willen zij ten eigen bate hanteren en het de tegenstanders uit de hand slaan.

Alles wat de zestiende eeuw beweegt en bezielt, is gegrondvest op het woord en bedient zich van het boek om het woord te propageren. Wat men in de vorige eeuw zelden uitgesproken vindt, wordt nu haast een gemeenplaats: de boekdrukkunst wordt gevierd als een wonderbaarlijke uitvinding, als, zoals Erasmus het uitdrukt, een bijna goddelijk werktuig. Spreekt Luther, die meer dan iemand anders ervaren heeft hoever het gedrukte woord reiken kan, zelfs niet van een tweede openbaring? Zoals de zestiende eeuw zich losmaakt van de middeleeuwse cultuur, zo emancipeert het gedrukte boek zich meer en meer van het voorbeeld, waarvan het gedurende de eerste decennia van zijn bestaan de getrouwe navolging had willen zijn: het handschrift. Volwassen geworden leidt het boek nu zijn eigen leven en verwerft zich een eigen vorm. Is er duidelijker bewijs van die emancipatie mogelijk dan het feit, dat de typografie het boek nu geheel opeist voor de letter, voor de zesentwintig loden soldaten, waarmee het de wereld veroveren wil? De alleenheerser wordt nu de tekst met zijn in slagorde opgestelde letters. De illustratie, in de incunabel even belangrijk als de tekst, wordt nu verbannen of ten hoogste geduld waar het voor het begrip van de tekst noodzakelijk is. Een nieuwe periode in de geschiedenis van de menselijke geest breekt aan, een cultuur wier kracht, maar ook wier zwakheid in het intellectualisme gelegen is en die men het best karakteriseren kan als: de cultuur van het boek.

Alle krachten, die werken en woelen in de zestiende eeuw, doen dat ook in de Nederlanden. De veelheid van stromingen maakt het moeilijk de Nederlandse beschavingsverschijnselen uit deze periode onder één noemer te brengen. Daarvoor is het tafereel te kleurrijk en te wisselend. De term Renaissance deugt nauwelijks voor ons land. Er is wel eens voorgesteld te spreken van de tijd der rederijkerij, om daarmee aan te geven, dat alle genoemde krachten zich doen gelden in de poëtische of quasi-poëtische activiteiten van de gezeten burgerij, die zo karakteristiek zijn voor de zestiende-eeuwse Nederlanden. Alles heeft hier een andere kleur en smaak, en de overgangen zijn vloeiender dan in Italië en Frankrijk. Zeker is, dat het overwicht van het Zuiden in de eerste helft van de eeuw nog steeds toeneemt. Niet, dat het Noorden achteruit gaat: integendeel, dank zij de handel nemen de Noord-Nederlandse steden voortdurend in bloei toe. De glans van Antwerpen, dat de grootste handelsstad ter wereld wordt, gaat echter alles overschaduwen. Deze stad wordt ook de metropool van de drukkunst, zoals Venetië het in de vorige eeuw geweest was.

De nieuwe denkbeelden dringen de Moderne devotie naar de achtergrond, al blijft de geest van deze beweging leven. De werken van de wegbereiders uit de voor-

[p. 20]

gaande periode, zoals Rudolf Agricola en Wessel Gansfort, worden nu gedrukt. 't Is in overeenstemming met het Nederlandse volkskarakter, dat het Humanisme hier een uitgesproken bijbelse strekking vertoont. Eveneens in tegenstelling met de Italianen vinden de Nederlandse humanisten hun voornaamste taak in het onderwijs. Onder leiding van bekwame mannen als Johannes Murmellius en anderen wordt het onderwijs in humanistische zin hervormd. De cosmopoliet Erasmus, wiens naam de betekenis krijgt van een programma, wijdt ondanks zijn afkeer van het lesgeven enkele jaren van zijn leven aan het Collegium Trilingue te Leuven, de moderne school voor de drie bijbelse grondtalen, een van de voorbeelden voor het Collège de France, de stichting van Frans I. Hoewel zij zich nog niet kunnen meten met hun collega's van Parijs, Straatsburg en Bazel, blijven de Nederlandse drukkers niet achter, als 't er om gaat Erasmus' werken te drukken. Reeds spoedig verschijnen er vertalingen in de landstaal, die vooral in rederijkerskringen veel gelezen worden. Het werk van de andere grote Nederlander uit deze periode, de jonggestorven neo-latijnse dichter Janus Secundus, veel bewonderd en nagevolgd, wordt ook hier te lande gedrukt. In de Nederlandse letterkunde beleeft de rederijkerspoëzie haar bloeitijd, minder belangrijk om haar litterair gehalte dan als spiegel van de religieuze en politieke stromingen die onder de burgerij leven. De glorie van de Franse ‘Pléiade’ prikkelt tot pogingen om hetzelfde ideaal in onze taal te verwezenlijken: de Antwerpse dichter Jan van der Noot wijst hier de weg.

In de architectuur, de decoratie en de schilderkunst dringt de Renaissance door en wordt op eigen wijze verwerkt. Dit is niet alleen te danken aan de kunstenaars, die de reis maken naar het beloofde land, naar Italië, maar ook aan de theoretische werken en de voorbeeldenboeken, die over de Alpen komen en ijverig bestudeerd worden. Een aantal van deze werken wordt vertaald en uitgegeven op een wijze, die niet onderdoet voor het prachtige werk van de Italiaanse en Franse drukkers. Deze uitgaven worden op de voet gevolgd door oorspronkelijk werk van Nederlanders: Mercator's verhandeling over het kanselarijschrift gaat zelfs vooraf aan de Antwerpse uitgaven van Italiaanse schrijfboeken; op de vertaling van het architectuurwerk van Serlio volgt het boek van Vredeman de Vries; de muntenboeken van Strada e.a. worden overtroffen door de weidse verzamelwerken, die Hubert Goltzius samenstelt voor de Brugse bibliofiel Marcus Laurinus.

Op 't gebied van de natuurwetenschappen verwerven verschillende Nederlanders zich een Europese naam, zoals de kruidkundige Dodonaeus, de anatoom Vesalius en de astronoom Gemma Frisius. Antwerpen wordt het centrum van de cartografie, waar bekwame geografen, die het werk der Italianen voortzetten, de nieuwste ontdekkingen in kaart brengen. De atlas, in de zin van een zo volledig mogelijk, systematisch geordende kaartenverzameling, ontstaat in de Nederlanden: de Vlamingen Abraham Ortelius en Gerard Mercator verrichten pionierswerk op dit gebied.

't Grootste deel van de algemene aandacht wordt in beslag genomen door religieuze lectuur. De brede stroom van stichtelijke en mystieke geschriften uit de

[p. 21]

Middeleeuwen afkomstig, vloeit gestaag door en blijft grote scharen van lezers boeien. Maar op de grondslag van het bijbels humanisme en de leringen van Erasmus groeit hier een evangelische richting met een eigen nationaal karakter, die grote weerklank vindt. Daarnaast worden geschriften van Luther hier spoedig vertaald en leiden tot heftige polemieken. De overheid grijpt in door strenge plakkaten. In het drukkersgilde vallen de eerste martelaars.

De opgang der Renaissance in de Nederlanden, hoe veelbelovend ook, wordt gestuit door het uitbreken van de opstand tegen de koning van Spanje, een vrijheidsoorlog, die tevens een godsdienstoorlog is. Evenals in Frankrijk volgt er op de eerste, lichte helft van de eeuw (betrekkelijk licht, ondanks de oorlog met Frankrijk, ondanks de onrust veroorzaakt door Lutheranisme en wederdoperij) een tweede, donkere helft, waarin het land in vuur en vlam staat en wetenschap en poëzie in de verdrukking raken. In geen oorlog heeft de drukpers zulk een beslissende rol gespeeld. Het gehele volk wordt in deze boekenveldslag betrokken. De talloze godsdienstige en staatkundige pamfletten, apologieën, remonstranties, confessies enz. blijken geduchter wapenen dan de artillerie. De lange reeks bijbels, psalmboeken, liedboeken en stichtelijke geschriften hebben de vervolgden en verdrukten bemoedigd. Deze litteratuur, onder het kruis gedrukt, vormt in onze cultuurgeschiedenis een uniek hoofdstuk, welks betekenis onze generatie, die de bezetting onderging en de kracht der clandestiene drukken ondervond, beter begrijpen kan dan vorige geslachten. Niemand heeft de macht van het boek beter begrepen dan Willem van Oranje, die dit geduchte wapen in dienst van de menselijke geest op virtuoze wijze hanteert. Ook de tegenpartij en de vele krachten, die tezamen de machtige beweging van de Contra-reformatie vormen, concentreren alle energie en vernuft op de strijd en de propaganda door middel van het boek.

In het laatste kwart van de eeuw blijkt tegen alle verwachting de opstand te zullen slagen; de jonge republiek krijgt vaste voet in het Noorden. De bezegeling van dit aanvankelijke, later nog menigmaal bedreigde welslagen kan men de stichting van de Leidse universiteit in 1575 noemen, bolwerk van het Calvinisme, maar tevens van het Humanisme. De wetenschap krijgt nu in het Noorden een belangrijk steunpunt. De oprichting van de Friese academie te Franeker en andere inrichtingen van hoger onderwijs zullen volgen. Dat hierdoor tevens belangrijke centra van boekdruk en uitgeverij ontstaan, zullen wij later bespreken. De wetenschap die hier bedreven wordt, is internationaal en heeft de studie van de Oudheid als middelpunt. Figuren als de jonge Scaliger en Justus Lipsius, de tweede Erasmus, zijn Europeanen in de volle zin van het woord. Hetzelfde geldt van de medici, de botanici en andere geleerden, die in Leiden en elders werken. Figuren voortgekomen uit de kringen der rederijkers, zoals de moralist Dirck Volckertsz Coornhert en de dichter Hendrik Laurensz Spiegel, werpen zich op de studie van de Nederlandse taal, die zij in grammaticale regels trachten te plooien.

Na de val van Antwerpen gaat de sterk opbloeiende stad Amsterdam de plaats van 's werelds grootste koopstad innemen. Het geestelijk leven, dat zich hier ont-

[p. 22]

wikkelt, is meer op de practijk gericht. De ontdekkingsreizen der Hollanders brengen mee, dat men zich toelegt op de cartografie en op de studie van zeevaartkunde en stuurmanskunst. Hier wordt de basis gelegd voor de bloei, die in de Gouden Eeuw tot volle wasdom zal komen.

Het boekenbedrijf

Was de drukkerij in de vijftiende eeuw steeds min of meer een avontuur geweest (sprak Gutenberg niet van ‘Affentur und Kunst’?), in de zestiende eeuw krijgt het bedrijf een hechtere grondslag en een steviger organisatie. Het internationaal verkeer krijgt een vaste vorm door de Frankforter mis, een halfjaarlijkse boekenbeurs, waar niet alleen gekocht, maar ook veel geruild wordt. Er ontstaat hier en daar een zekere taakverdeling onder de vakgenoten.

In 't begin van de eeuw verschijnt er een merkwaardig type in de wereld van het boek: de humanistische drukker, die èn geleerde èn typograaf is. Het ongeëvenaarde voorbeeld is de beroemde Venetiaan Aldus Manutius, die zich onsterfelijke verdiensten verwerft voor de studie van het Grieks en tevens de typografie op verschillende punten moderniseert. In de Nederlanden vindt men dit type terug bij Dirk Martens van Aelst. Deze verdienstelijke man, de eerste drukker in 't Zuiden, slaagt erin te Leuven een wetenschappelijk drukkersbedrijf te stichten. Persoonlijk bevriend met Erasmus en Thomas Morus, heeft hij van eerstgenoemde een aantal belangrijke werken en van de laatste de Utopia gedrukt. Hij is de eerste in ons land, die Griekse teksten uitgeeft. Ondanks de steun die hij geniet, blijft de positie van zijn bedrijf, het enige van dien aard in de Nederlanden, vrij hachelijk. Dit hangt ten nauwste samen met de ongeordende toestanden, die op de internationale boekenmarkt heersten en waarvan de nadruk het ergste euvel is.

Wie een indruk wil krijgen hoe het er in deze periode in de wereld van het boek uitziet, leze de brieven van Erasmus. De grote Rotterdammer is de vermaardste auteur van zijn tijd: de drukkers achtervolgen hem en hij staat in direct contact met zijn publiek, dat alle geletterden in Europa omvat. Hoe is de verhouding tussen schrijver en uitgever? Van een honorarium is nog geen sprake. Slechts in een enkel geval krijgt een gevierd auteur als Erasmus een kleine vergoeding. Van de uitgever ontvangt de schrijver een aantal exemplaren van zijn werk, die hij wegschenkt of verhandelt. Door zijn boek aan een aanzienlijk persoon op te dragen zorgt hij er voor een beloning te ontvangen. De oplagen wisselen naar het te verwachten debiet. Van Erasmus' Lof der zotheid worden in enkele maanden 1800 exemplaren verkocht. Zodra een boek succes blijkt te hebben, wordt het door een andere drukker, meestal in een ander land, nagedrukt. Van auteursrecht is nog geen sprake. Wel trachten de drukkers zich tegen nadruk te beschermen door van verschillende autoriteiten (vorsten, universiteiten of geestelijke instanties) privileges voor een aantal jaren te vragen, maar deze hebben hoogstens een lokale werking.

[p. 23]

Zo blijft het drukken van veelgevraagde werken een waagstuk. Ja, zelfs zien we, dat een minder kapitaalkrachtige uitgever als Dirk Martens de oplage van werken van Erasmus, die tot de ‘bestsellers’ behoren, opzettelijk laag houdt om zijn risico te beperken. De auteurs werken zelf de nadruk in de hand door, lang voordat de eerste uitgave uitverkocht is, aan een andere drukker de kopij van een iets gewijzigde herdruk toe te vertrouwen met een nieuwe opdracht, die natuurlijk niet onbeloond blijft. In deze periode zien we ook, dat bepaalde drukkers of groepen van drukkers practisch het monopolie verwerven voor zekere categorieën van boeken, die een internationaal karakter dragen. Zo leggen Italiaanse drukkers zich toe op liturgische werken, Parijse drukkers op versierde ‘livres d'heures’. Venetië moet het debiet van het Corpus juris nu delen met Lyon. Voorlopig komen de Nederlanders nog niet aan deze winstgevende specialiteiten te pas.

Als een magneet trekt Antwerpen de drukkers aan. Van de ruim honderdvijftig drukkerijen, die er tussen 1500 en 1540 in de Nederlanden werken, zijn er zestig in Antwerpen gevestigd. In verschillende steden in het Noorden, waar gedurende de incunabeltijd drukkers aan 't werk waren, komen deze bedrijven in het begin van de zestiende eeuw tot stilstand. De Deventer schoolboekendrukkerij van de Pafraets blijft nog lang bloeien, maar als de scholen in deze stad gaan kwijnen, verliest zij haar betekenis. Daartegenover staat de opkomst van de typografie in Amsterdam. Na een aarzelend begin treedt hier een energiek drukker op, Doen Pietersz, die werk maakt van geïllustreerde religieuze lectuur en ook Bijbels uitgeeft in Lutherse geest.

In plaats van de kleine ondernemer uit de eerste tijden en van de humanistische drukker die tevens geleerde was, treedt nu een nieuw type naar voren: de drukkerkoopman, die geheel past in de sfeer van de zestiende eeuw, waarin de ondernemende kooplieden op ieder gebied vooraan staan en de toon aangeven. Ook in ons land zien we nu grote, zeer actief geleide bedrijven opkomen. De bekendste vertegenwoordiger van dit nieuwe type is de Fransman Christophe Plantin,* die in 1554 te Antwerpen een kleine drukkerij opent. Door zijn onverzettelijke energie slaagt hij er in, ondanks de ernstigste moeilijkheden, het grootste drukkersbedrijf ter wereld te vestigen. In het fonds van Plantin zijn alle genres van boeken vertegenwoordigd; zijn ondernemingsgeest kent geen grenzen. Zijn levenswerk is de Biblia regia, de grote polyglotbijbel. Wat Aldus niet aandurfde, ondanks de aansporing van Erasmus, dat waagt Plantin. Als deze gigantische onderneming hem door het uitblijven van de door Philips II toegezegde steun aan de rand van het faillissement brengt, lukt het hem zijn bedrijf te redden door het verkrijgen van monopolies voor de invoer van liturgische werken in Spanje.

Het voorspel van de Nederlandse opstand en de daarop volgende oorlogsperiode brengt de drukkerswereld in rep en roer. De plakkaten tegen verboden boeken worden vernieuwd en verscherpt. In de strijd die beginnen gaat, wordt het gehele drukkersbedrijf gesommeerd partij te kiezen. Wederom vallen er slachtoffers. Slechts een enkeling, zoals Plantin, gelukt het door handig manoeuvreren beide partijen beurtelings te vriend te houden.

[p. 24]

Tijdens het begin van de troebelen komt de drukkerij in het ontredderde Noorden vrijwel tot stilstand, behalve in de vrije stad Vianen, waar zich onder bescherming van de machtige heer van Brederode enige drukkers vestigen. Drukkers uit het Zuiden die de nieuwe religie toegedaan zijn, vinden een toevlucht op veilige plaatsen in het buitenland, eerst in Londen, daarna vooral in Emden, maar ook in Rouaan, Sedan, Aken, Wezel en Frankfort. Daar worden de politieke en godsdienstige geschriften gedrukt, die op grote schaal het land binnengesmokkeld worden.

't Is belangwekkend na te gaan hoe de organisatie van dit boekenbedrijf ‘onder het kruis’ werkt. In de processtukken wordt nu en dan een tipje van de sluier opgelicht. We zien, hoe de politieke pamfletten geredigeerd worden door van hoger hand geleide propagandabureaus en vervolgens gegeven aan vertrouwde drukkers. Voor de verspreiding zorgen colporteurs, die als hun voorraad uitgeput raakt, onderweg een nieuwe oplaag laten drukken. Zij brengen ook liederen aan de man: schriftuurlijke liedekens, psalmen, geuzenliederen, die op vliegende bladen gedrukt op de markt te krijgen zijn. Meer voorbereiding en veel kosten vordert het drukken van bijbelvertalingen in de landstaal, zoals te Emden geschiedt. Er zijn geleerden nodig voor de vertaling, kerkelijke instanties die toezicht houden, bekwame typografen voor het drukken, geldschieters die aanzienlijke bedragen moeten fourneren en tenslotte een netwerk van colporteurs en bijbelschippers om de boeken in het land te brengen. In Emden werken twee dergelijke organisaties van verschillende godsdienstige signatuur naast elkaar.

Als voor 't eerst na het begin van de opstand een protestantse bijbel in 't Noorden verschijnt, de Deux-aes bijbel, die in 1571 door Jan Canin te Dordrecht gedrukt wordt, is dit een teken, dat de kans gaat keren. In 1577 wordt Willem Silvius, drukker van de koning van Spanje te Antwerpen, benoemd tot drukker van de Staten van Holland en de Universiteit van Leiden, in welke stad hij zich twee jaren later vestigt. Als hij kort daarna sterft en zijn zoon zich niet staande kan houden, volgt zijn oude rivaal Plantin hem op, die, benoemd tot drukker van de Staten-Generaal, inmiddels eveneens naar het Noorden getrokken is. In de enkele jaren dat hij in Leiden werkt, weet Plantin deze stad tot een belangrijk centrum van uitgeverij te maken. Hij drukt zowel de werken van de hoogleraren als de geschriften van de groep, die zich toelegt op de studie van de Nederlandse taal. Hoewel Plantin na de val van Antwerpen naar deze stad terugkeert, blijft het Leidse bedrijf bestaan onder leiding van zijn schoonzoon, de geleerde Raphelengius.* Een andere Antwerpse drukker, Gillis van den Rade, vestigt zich te Franeker en sticht daar als academiedrukker een uitgeverij op wetenschappelijk gebied.

Onderwijl wordt Amsterdam meer en meer het middelpunt voor de uitgave van kaarten, atlassen, reisverhalen, werken over stuurmanskunst, enz. De ziel van het Amsterdamse boekenbedrijf is Cornelis Claesz, een zeer ondernemend uitgever, die zelf geen drukkerij heeft, maar verschillende drukkers voor zich laat werken. Het Leidse bedrijf van Plantin drukt bv. voor hem de beroemde zee-atlas van Lucas Jansz Waghenaer, de eerste atlas van dien aard. Cornelis Claesz geeft alle soorten

[p. 25]

van boeken uit, behalve humanistische. Ook in andere steden komt de typografie tot bloei o.a. te Delft, waar het grootste bedrijf van het Noorden gevestigd is, de bijbeldrukkerij van Albrecht Heyndriksz, drukker van de Staten-Generaal en de Staten van Holland. In 1591 wordt deze drukkerij verplaatst naar 's-Gravenhage.

De vorm van het boek

Als men met het einde der vijftiende eeuw de periode der incunabelen afsluit, is dit natuurlijk een vrij willekeurige grensbepaling. De groei van het ‘kinderlijke’ tot het ‘volwassen’ boek heeft zich niet plotseling voltrokken. Daartussen ligt een overgangstijd. De boeken uit deze tussenperiode noemt men postincunabelen - een term, die van Nederland uit zijn weg gevonden heeft. Begrijpelijkerwijze liggen de tijdslimieten van deze vage onderscheidingen in ieder land anders. In Venetië is de incunabelperiode reeds omstreeks 1480 afgelopen, in de rest van Italië tien jaar later, in Frankrijk omstreeks 1510, in Duitsland tegen 1520, in de Nederlanden in de buurt van 1540. De bekende bibliografie van Nijhoff-Kronenberg, die in aansluiting op de bibliografie der incunabelen van Campbell, het tijdvak van 1500 tot 1540 beschrijft, behandelt dus een afgerond onderwerp: de Nederlandse postincunabelen.

Waarin onderscheidt zich het volwassen boek van de incunabel? We zagen het reeds: het boek emancipeert zich van zijn voorbeeld, het handschrift; in het boek krijgt de typografie, de tekst, de alleenheerschappij; decoratie en illustratie worden bijzaak. Deze verandering gaat gepaard met een radicale wijziging in de productie: terwijl de incunabel geheel het persoonlijk werkstuk is van de drukker, die soms zelf zijn typografisch materiaal vervaardigt, gaan nu steeds groter groepen van drukkers hun letters betrekken van gieterijen, zoals men die in Parijs en Antwerpen aantreft. Van een persoonlijk werkstuk wordt het boek, overigens in nog zeer betrekkelijke zin, massaproduct. De uiterlijke tekenen van deze grondige wijziging zijn de nieuwe lettertypen en formaten, die in de zestiende eeuw gebruikelijk worden.

De emancipatie van het boek, de zegepraal van de typografie, betekent tevens de overwinning van de humanistische drukletter, de zg. romein, op de gothische drukletter. Die overwinning is niet te danken aan technische of aesthetische qualiteiten, maar enkel een gevolg van het feit, dat het Humanisme nu in geheel Europa vaste voet verkrijgt. 't Is regel, dat men teksten die op de ‘moderne’ wetenschap betrekking hebben, zoals uitgaven van de klassieken, geschriften van humanisten enz., met de romeinse letter drukt, terwijl de gothische gebruikt wordt voor alles wat met de ‘oude’ wetenschap te maken heeft, zoals scholastiek, juridische en medische werken, en voorts voor geschriften in de landstaal. Naarmate de ‘moderne’ wetenschap nu veld wint en de middeleeuwse disciplines gemoderniseerd worden, komt de romein steeds meer in zwang en verkrijgt gaandeweg in Italië en daarna in Frankrijk vrijwel de alleenheerschappij. In Duitsland komt door de Hervorming

[p. 26]

dit proces tot staan - een stilstand die tot de huidige dag voortduurt, omdat men de gothische letter, volkomen ten onrechte, als nationale letter is gaan beschouwen. In de Nederlanden, waar de Renaissance, vooral in het Noorden, door Reformatie en vrijheidsoorlog gestuit wordt, treedt een vertraging in. Tot diep in de zeventiende eeuw blijven de beide lettersoorten naast elkaar in gebruik. Voor bijbeldruk is de gothische letter, in zijn typisch Nederlandse vorm, het Lettersnider-type, tot in onze dagen blijven leven.

De romein heeft in de loop van de zestiende eeuw niet alleen overwonnen, maar ook de geijkte, klassieke vorm gekregen, die tot het eind van de achttiende eeuw behouden en in onze tijd weer herleefd is. Deze is te danken aan Aldus Manutius, die in de laatste jaren van de vijftiende eeuw door Francesco Griffo een nieuw type liet snijden, dat omstreeks 1530 nagevolgd en verbeterd is door Franse stempelsnijders, vooral door Claude Garamont. Al spoedig vond dit materiaal zijn weg naar de Antwerpse drukkers, die sinds het midden van de eeuw de in Franse stijl gensneden lettertypen van hun stadgenoot François Guyot gingen gebruiken.

Een tweede gewichtige nieuwigheid dankt eveneens aan Aldus Manutius haar ontstaan: de cursieve boekletter. Voor zijn serie goedkope tekstuitgaven in klein formaat had Aldus een smalle letter nodig, die minder plaats innam dan de romein. Daarom liet hij in 1500, eveneens door Francesco Griffo, een nieuw type snijden naar het model van het cursieve boekschrift der humanisten. Deze letter bleek een groot succes en werd spoedig in Lyon en Bazel nagevolgd. Erasmus was er verrukt van. 't Is dan ook geen toeval, dat zijn vriend Dirk Martens van Aelst de eerste was, die de cursief in ons land gebruikte. Ook de cursief kreeg zijn klassieke vorm in Frankrijk, vooral door de stempelsnijder Robert Granjon, die veel voor Plantin werkte. Gedurende de zestiende eeuw hebben de romein en de cursief geruime tijd tegenover elkaar gestaan als zelfstandige letterfamilies, die elkaar de voorrang betwistten. Tenslotte is deze broederstrijd beslecht ten gunste van de romein. De cursief is sindsdien een bij-letter geworden, die men gebruikt voor voorreden, citaten, enz.

Een merkwaardig typografisch experiment uit deze periode speelt zich grotendeels op Nederlandse bodem af, de zg. civilité-letter.* Aangezien de destijds gebezigde nationale schrijfhanden alle op het gothisch teruggingen, hadden velen, vooral schoolkinderen, moeite met het lezen van uit romeinse letters gezette teksten. Daarom kwam men ertoe om drukletters te snijden naar het model van de nationale schrijfhanden. 't Ging dus niet om een imitatie van cursief, humanistisch boekschrift, zoals bij Aldus' cursieve drukletters, maar van cursief gothisch handschrift. Begrijpelijkerwijze ontstonden er nu verschillende typen, al naar men het Franse handschrift tot voorbeeld nam, zoals Robert Granjon deed, dan wel het daarvan verschillende Nederlandse, zoals het geval was met de ‘geschreven letters’ van Ameet Tavernier en Hendrik van den Keere. Deze nieuwe drukletter werd vooral gebezigd voor schoolboekjes (de naam ‘civilité’ stamt van de Franse vertaling van Erasmus' boekje over goede manieren, La civilité puérile) en voor populaire litteratuur.

[p. 27]

Veel succes heeft deze letter echter nooit gehad, ook al omdat de zetters wegens de onduidelijkheid van de tekens er grote moeite mee hadden. Toen in de loop van de zeventiende eeuw de cursieve humanistische schrijfhand, het zg. Italiaanse schrift, de gothische verdrong, werd de civilité overbodig.

Aldus had zijn cursieve letter ontworpen om goedkope tekstuitgaven in klein formaat te drukken. Hij begreep, dat de humanistische wereld vóór alles behoefte had aan goedkope boeken. Dit bleek een van de gelukkigste initiatieven, die ooit in de boekenwereld genomen zijn. De Aldijnse drukken in klein octavoformaat begonnen een ware zegetocht door Europa en werden overal nagevolgd. In de Nederlanden gingen al spoedig de Leuvense drukkers in hetzelfde formaat drukken. Ook kwamen er nog kleinere formaten* in gebruik (in 16o, in 24o en in 32o) voor gebedenboekjes ten behoeve van reizende kooplieden, voor filosofische teksten, die men graag op zak wilde hebben, en voor hand- of gezangboekjes van geheime secten, die verborgen moesten blijven. Voor muziek- en liedboeken, een Antwerpse specialiteit, bezigde men het oblong-formaat, ook geschikt voor boeken met langwerpige illustraties.*

De titelpagina is in de zestiende eeuw algemeen gebruikelijk. Verschillende stijlen en invloeden doorkruisen elkaar. Hier te lande vindt men nog lange tijd titels met grote, sterk versierde gothische kapitalen, die later onder Duitse invloed monstrueuze afmetingen gaan aannemen. Uit Bazel neemt men over de titelpagina's met architectonische omlijstingen en putti, zoals Hans Holbein ze ontworpen heeft. De strenge Franse stijl met zijn zuiver typografische titels heeft hier eveneens navolgers. Plantin lanceert de mode van gegraveerde titels met mythologische voorstellingen in de geest van het Barok.

Dat de decoratie en de illustratie van het boek, die een integrerend deel van de incunabelen uitmaken, in de zestiende eeuw op de achtergrond kwamen, zagen wij reeds. Dit ging ongemerkt, omdat de litteraire genres die men in de Middeleeuwen placht te illustreren, gaandeweg verdwenen. Die middeleeuwse afbeeldingen waren nuttig, omdat velen nog moeite hadden met het lezen. Het Humanisme, dat alles wat zweemde naar ongeletterdheid verafschuwde, duldde geen illustratie van werken in klassieke geest. Natuurlijk kwam deze verandering niet ineens. De oude genres hadden een taai leven: gedurende de gehele zestiende eeuw werden de ridderromans, vooral Amadis de Gaule en zijn talrijke vervolgen, verslonden, ook in ons land, totdat de Don Quichote hun de genadeslag toebracht; de heiligenlevens, eindeloos herdrukt met de oude, sinds lang versleten houtsneden, verdwenen in het Noorden met de Hervorming. Maar de volksboeken, het populaire nakroost van de ridderromans, bleven tot in de negentiende eeuw hier nog steeds in hun oude kleed verschijnen.

In de eerste decennia van de zestiende eeuw, als we in het Noorden nog in de periode van de postincunabelen leven, werken er hier enkele belangrijke kunstenaars, die zich met boekillustratie bezig houden. De Amsterdamse schilder Jacob Cornelisz van Oostsanen is een geboren illustrator, die zich gemakkelijk aan ver-

[p. 28]

schillende genres weet aan te passen. Zijn passieprenten vinden bewonderaars tot in Scandinavië. De geest der Renaissance wordt vaardig over de beroemde Lucas van Leyden, die in zijn jonge jaren ook houtsneden voor boekillustratie geleverd heeft. Een boeiende figuur is de Amsterdammer Cornelis Anthonisz, schilder, graveur en tevens cartograaf. Door zijn stadsgezichten, plattegronden en kaartboeken is hij een voorloper van de grote Amsterdamse cartografen van de zeventiende eeuw.

Terwijl het veldwinnen van de Renaissance in deze streken enerzijds het terrein van de boekillustratie inkrimpt, schept het aan de andere kant nieuwe genres van boeken die om illustratie vragen. Dit vloeit voort uit de impuls die de wetenschap ontvangt. Nu gaat het niet meer om prenten om de weinig geletterde lezer op weg te helpen, maar om afbeeldingen die noodzakelijk zijn voor het begrijpen van de tekst. Reeds kwamen ter sprake de talrijke werken in verband met de herleving van de antieke kunst: repertoria van antieke monumenten, inscripties en munten, architectuurboeken, verzamelingen van modellen voor decoratie, schrijfboeken, enz. Daarnaast komen geschriften over medicijnen en biologie, die rijkelijk met afbeeldingen worden voorzien, dikwijls van voortreffelijke kwaliteit en getuigend van de smaak en de vindingrijkheid van kunstenaars en drukkers.

Ook de schijnwetenschap leidt tot een nieuw soort van geïllustreerde boeken, dat in hoge mate kenmerkend is voor de geest van de zestiende eeuw. Quasi-wetenschappelijke verklaringen van de hiëroglyfen geven de stoot tot het ontstaan van de emblemata,* verzamelingen van zinnebeeldige voorstellingen, met begeleidende tekst. De eerste verzameling van deze aard, bijeengebracht door de Italiaanse jurist Alciati, verschijnt in 1531 in Augsburg. Zelden heeft een boek zulk een opgang gemaakt: herdruk na herdruk verschijnt, vooral in Frankrijk, waar veel zorg aan de illustraties besteed wordt. Vernuftige geesten gaan dergelijke bundels samenstellen. In ons land doet dit genre zijn intrede in 1556, als er in Antwerpen een vertaling verschijnt van de emblemata van La Perrière. In 1561 begint Plantin zijn lange reeks van emblemata-uitgaven met een herdruk van de verzameling van Paradin en Simeoni, die in 1563 door zijn concurrent Willem Silvius in 't Nederlands vertaald wordt. Nieuwe bundels volgen aldra, o.a. die van de Hoornse geneesheer Hadrianus Junius. Voor zijn talrijke geïllustreerde boeken weet Plantin zich de medewerking te verzekeren van verschillende bekwame grafici, zoals Pieter van der Borcht, Arnold Nicolai e.a. Meer en meer gaat de kopergravure de houtsnede verdringen. Als Plantin naar Leiden verhuist, betekent dit, dat er nu ook grote geïllustreerde werken in het Noorden gaan verschijnen, zoals bv. de botanische werken van Dodonaeus, Lobelius en Clusius. De eerste emblemata-bundel in de Republiek is Coornherts vertaling van De rerum usu et abusu van Furmerius (1585). Cornelis Claesz en de andere Amsterdamse uitgevers tegen het eind van de eeuw onderhouden nauwe betrekkingen met bekwame geografen zoals de Van Langrens en de Van Doetecums. Hier werken ook bekwame graveurs, zoals Harmen Jansz Muller en zijn zoon Jan.