Elke Staat, het al of niet op rechtmatige wijze autonoom geworden schepsel van één of meer culturen, heeft bij zijn uitgroei het vermogen verworven om datgene wat hem heeft voortgebracht te gebruiken voor zijn eigen specifieke, statale doeleinden. Het kan er op lijken dat het schepsel machtiger geworden is dan zijn schepper. De moderne geschiedenis van menig land laat zien op welke wijzen de Staat, zijn machthebbers, zijn apparaat of bureaucratie de cultuur kunnen misbruiken, aan banden leggen, bepaalde richtingen uit forceren, verminken en zelfs geheel of gedeeltelijk vernietigen. De snelheid en roekeloosheid waarmee dergelijke ‘cultuurpolitiek’ bedreven wordt, is ijzingwekkend, diep-tragisch menigmaal.
Maar gelukkig valt niet alle cultuurpolitiek af te wijzen. Cultuur kan, en behoort ook in sommige gevallen, dienstbaar gemaakt te worden aan doeleinden die nog buiten haar algemeen gezichtsveld liggen, al zweven ze de pioniers van zulk een culturele gemeenschap reeds als begerenswaardige doeleinden voor ogen. Vooral wanneer dit het samengaan van kleinere, op zichzelf zwakke groepen in één grotere (statale) gemeenschap beoogt. Zachte dwang, planmatige steun, positieve stimulering hebben - zoals de Maecenaten in de historie - meestal aanmerkelijk betere resultaten gehad
dan repressieve maatregelen of draconische verboden. Vaststaat, dat cultuurpolitiek, àls die dan al nodig is, niet voorzichtig genoeg bedreven kan worden, en al spoedig tot fatale resultaten leidt, wanneer ze voor niet-culturele (bijvoorbeeld agressieve of dictatoriale) doeleinden wordt aangewend.
Er is echter een keerzijde aan deze medaille: ook de cultuur zelf beschikt tot haar eigen bescherming over ‘een politiek’, over middelen van coërcie en overtuigingsdwang, om tot gevoelsaanpassing en intuïtieve volgzaamheid te prikkelen en een nieuwe consensus te bewerkstelligen. Zij heeft immers een innerlijke cohesie waarvan kracht uitgaat; een traditie die haar taaiheid verschaft en het vermogen zich (met een meestal onbewuste tactiek) te verzetten tegen van buitenaf opstormende dwang en willekeur. Maar bovenal heeft zij, daar waar er (nog) geen versteningsproces is ingetreden, een adaptabiliteit en flexibiliteit die men gerust ‘groeikracht’ mag noemen. Zij past zich aan, naar de omstandigheden en de onvermijdelijke contacten met ‘het andere’, zonder haar intrinsieke waarden prijs te geven. Zij verzet zich niet tegen noodzakelijke ‘acculturatie’, vooral niet wanneer het saldo van de culturele winst- en verliesrekening positief blijkt.
Dat kleine ‘minderheden’ hierbij meer veren laten (zelfs letterlijk), maar ook uiteindelijk soms - helaas niet altijd - meer winst boeken dan de grotere minderheden, ligt voor de hand. Bij de grotere minderheidsgroepen verloopt het acculturatieproces wel opvallender (en luidruchtiger soms), gelukkig echter minder dramatisch of pijnlijk. Duidelijk valt dit alles in Suriname te observeren, waar het proces in volle gang is.
Het mozaïek van dit ogenblik is dan ook een vloeiend beeld; de steentjes zijn oplosbaar, kunnen samensmelten tot nieuwe, wellicht grotere. Morgen kan zo geheel anders zijn dan vandaag, al zal veel nog lang weinig verandering tonen. Er zullen onvermijdelijk culturele verschuivingen plaatsvinden, verlies náást winst geboekt moeten worden, menige nieuwe plant ontstaan uit het oude, op onnaspeurlijke wijzen bevruchte zaad. Vandaar de grote les die de politiek der cultuur ons bijbrengt, en die - om Vondel's woord te gebruiken - ons voorhoudt: ‘Hoedt u...scheldt geen vaders voor verraders van de Staat’. En ook de Staat zie toe dat hij niet valle, want cultuur is een diepe, eindeloos diepe zwampgrond.
Het culturele mozaïek van Suriname geeft aldus aanleiding tot talloze overwegingen en précaire prognoses die, hoe angstvallig er ook naar gestreefd is, niet altijd buiten de tekst gehouden konden worden, en die zich overigens toch wel aan de aandachtige lezer zullen opdringen. Waar nodig werd nadrukkelijk op bepaalde acculturatieverschijnselen gewezen, en aan niets wat het culturele beeld kon voltooien, werd met opzet voorbijgegaan.

Suriname's veeltaligheid. - Foto's: Nic. Loning.

De distribute van de talen die gesproken worden in Paramaribo en de kuststrook met uitzondering van Bosneger- en Indianentalen, worden hieronder aangegeven in statistische kolommen. Sranantongo is de ‘Lingua franca’. Nederlands is de officiële taal.
Hoe anders een cultuur ook zijn moge dan de onze, zij vraagt toch eerbied en een zo onbevooroordeeld mogelijk tegemoettreden. Maar de diepere lagen van het culturele leven van welke groep dan ook, vormen evenmin een gebied ‘where angels fear to tread’, zolang de waarnemers maar het terrein, gedragen door eigen vleugels van onvooringenomenheid, voorzichtig genoeg betreden. Wel hebben allen, inheemse engelen of ‘vreemde duivels’ te trachten dit te doen zonder de hindernis van plompe westerse laarzen, die zo gemakkelijk vertrappen, of over 't hoofd zien van wat zij niet vanhuis-uit kennen en waarderen. De medewerkers aan dit boek zijn zich hiervan bewust geweest. Voor hen, maar niet minder voor de lezer, is daarom dan ook het Bijbelwoord van toepassing, dat aan dit boek als motto wordt meegegeven:
‘Trek uwe schoenen af van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig’ (Josua5:15).