terug  begin  verderprepost
[p. 189]

Hoofdstuk III
Het Middenland en overgangsgebied

1. De trek noordwaarts uit het Middenland

Het is kenmerkend voor de Indianen in het Achterland, dat zij - in tegenstelling tot de Indianen die de noordelijke savannegordel en de kustvlakte bewonen - nog steeds een nomadisch leven leiden en zich zelden zelfs maar één generatie-lang op dezelfde plaats ophouden. Zij trekken, ongeacht de richting, bij voorkeur daarheen waar niemand woont, waar in het tropische regenwoudgebied zandige grond te vinden is, en dan liefst nabij een rivier of kreek, mits er geen Bosnegers wonen. Zij vermijden liever elke aanraking, en zeker een frekwente, met anderen, en bij een onontkoombare ontmoeting gedragen zij zich veeleer vreesachtig en introvert, dan open of agressief.

Geheel anders is het met de Bosnegers gesteld, die zelfbewust en extravert bij ontmoeting met anderen optreden, en die feitelijk maar gedeeltelijk een nomadisch leven leiden, zodat men ze ‘half-nomaden’ zou kunnen noemen. Want al geven ze veel blijk van reislust en zien ze niet op tegen dagenlange tochten - het liefst per korjaal - ze keren steevast naar hun geboortedorp, hun kondre terug, tenzij ze tijdelijk of voorgoed zijn ‘uitgebannen’ en zich elders metterwoon hebben moeten vestigen, liefst onder de rechtstreekse protectie van een Granman (groot-opperhoofd), hetgeen nogal eens voorkomt. Maar de kondre, waarvan sommige wel vijf, zes generaties oud zijn, blijven een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen, en gedwongen transmigratie, om welke redenen dan ook, heeft een dramatisch verloop. Want de Bosneger hoort voor zijn gevoel dáár thuis, waar èn zijn voorouders, èn zijn eigen ‘navelstreng en nageboorte’ begraven zijn, en waar het lagere geestendom van zijn stam zich ophoudt.

Dit neemt niet weg dat hij, vaak met zijn familie, naar verafgelegen kost-gronden, de prenási trekt om er een tijdlang te blijven, of alleen er op uit gaat om werk te zoeken bij de bedrijven die langzaam maar zeker het zuidelijke Middenland binnendringen: de hout-exploitanten, de onderzoekers naar bodemschatten, de landbouw-proefbedrijven of - het verst van huis - de grote mijn-industrieën. De Bosnegers worden echter nooit vaste employé's; ze stellen er prijs op, losse, mobiele dagloners te blijven, die minstens eens per jaar met de overschotten van hun verdiensten naar de stad gaan of naar hun kondre terugkeren om er een tijdje goede sier te maken, en er hun vroegere status te vergroten, of op zijn minst te handhaven.

Zo voltrekt zich een arbeidsmigratie op steeds grotere schaal, in gelijke

[p. 190]

verhouding toenemend met de ontsluiting van Midden- en Zuid-Suriname. Part-time loonarbeid en bezitsvorming werken in de hand dat de kondre steeds meer het aanzien van in wijken verdeelde dorpsgemeenten krijgen, maar ook dat veel bewoners min of meer ‘losgelaten’ blijken. Onttrokken aan het gezag van hun Granman en vaak zonder voldoende kostgrondjes, zijn de nieuwe kondre, waar men de getransmigreerde Bosnegers heeft ondergebracht, al enigszins ‘stadachtig’ van aanzien, met alle daarbij behorende euvels: mensen die zich ongelukkig voelen in hun cementstenen twee- of drie kamerwoninkjes, de vorming van kleine ‘slums’, het ontbreken van de oude cohesie. Het dorp Brownsberg is kenmerkend in dit opzicht.

Maar ook de gunstige invloed van het Stuwmeer begint op te vallen. Het leidt tot samengroei van centraal-Suriname met het Voorland, doordat nieuwe, grotere landbouwondernemingen er ontstaan, waar vooral de Bosnegers kennismaken met meerjarige cultures, en (als in het nabij het Stuwmeer gelegen Victoria) zelfs als fabrieksarbeiders tevens de beschikking krijgen over een eigen stuk land, dat zij als toeleveraars aan het grootbedrijf zelfstandig kunnen ontginnen in hun vrije tijd. Een dergelijk modern optreden als ten dele loontrekker en ten dele zelfstandig ondernemer, kweekt ‘blijvers’ met meer bestaanszekerheid en beginnende welvaart, juist voor hen wier oude kondre is verdwenen.*)

Er is tevens meer verkeer ontstaan. Vóór alles een regelmatige verbinding met ‘de stad’, en mede ten gerieve van de overige bewoners van dit veraffe Middenland: de nog vrij schaarse Creolen die er als ambtenaar, semi-ambtenaar, opzichters en bij de veerdiensten werkzaam zijn, scharrelaars en kleine neringdoenden, die daar evenals wat Chinese winkeliers als tussenhandelaars optreden en een marginaal bestaan voeren. De tussen

[p. 191]

oost en west aangelegde wegen hebben toenemende lintbebouwing teweeggebracht; langs de van noord naar zuid lopende wegen is dit in mindere mate het geval, vooral daar de grondsamenstelling er niet zo geschikt is voor permanente landbouw. De grotere ondernemingen zijn vooral met de rivieren - als voornaamste verkeersweg voor groot en klein vrachtvervoer - vebonden. Nog vaak treden hierbij, net als in het verleden, de Bosnegers op als koelaman, transportlieden, die - wanneer zij zich al hiervoor beschikbaar stellen, wat vaak moeite kost hen ertoe te brengen - zich goed laten betalen, net als voor hun diensten als gids bij allerlei exploratie-tochten ten behoeve van de mijn- en bosbouw.

De grote trek is nog altijd noordwaarts, stadwaarts, al vallen er al duidelijke tegenstromen waar te nemen. Er heerst echter in het Middenland nog teveel vereenzaming die weglokt. Zeer velen willen nog met alle geweld het ‘goede’ - zeker, slechts relatief goede - leven daar ruilen voor de zelden verwezenlijkte verwachting van een beter leven in de stad of haar omgeving, waar zij zich groot houden tegenover de achterblijvers, hoewel zij er gewoonlijk slechter aan toe zijn. Inderdaad is Paramaribo, en vooral de naaste omgeving van Paramaribo, in dit opzicht voor het Middenland wat de Bijlmer bij Amsterdam voor Paramaribo is ...

De grote magneten van de stad - werkgelegenheid, meer vertier, gezelligheid en buitensport, alsook de daar bestaande scholingsmogelijkheden om vooruit te komen - zijn evenzovele verlokkingen om het hachelijke avontuur te wagen, dat zoveel meer menselijke en sociale facetten heeft dan de gemakzuchtige term ‘urbanisme’ zou doen vermoeden. Bij de trek uit alle windstreken naar ‘de stad’ is het stellig niet in de eerste plaats om loonsverbetering,

[p. 192]

maar veeleer om een algemene lotsverbetering te doen. De aantrekkingskracht van Paramaribo en het omringende district ‘Suriname’, aangroeiend tot een ware zuigkracht, berust tenslotte op een fictie, een onverwezenlijkbare droom, een waanvoorstelling. Een beweging in tegengestelde richting doet zich alleen voor bij een niet onaanzielijk gedeelte van de Bosnegers en bij alle Indianen die zich niet, reeds geruime tijd geleden, hebben laten verleiden tot een niet bijster nobel bestaan als ‘show-Indianen’ ten vermake van toeristen, als in Bernharddorp en Galibi. Hun voornaamste ‘bezigheid’ is: zich voor wat geld of goederen, in een min of meer verzonnen ornaat, te laten fotograferen en bewonderen.

Hetzelfde gebeurt ook met de Bosnegers van Santigron - zwart Volendam - en Klaaskreek, die ook bereid zijn in Paramaribo voor allerlei ‘elite-publiek’ hun vuurdansen en gefingeerde bezetenheidstrances ten beste te geven. Maar de van huis uit zakelijk ingestelde Bosnegers weigeren meer en meer zich elders, zonder een flinke vergoeding, te laten gebruiken als camera-object. Zelfs al gebeurt dit nog zo onverhoeds of tersluiks.

A.Q.B. - L.L.

*) ‘Victoria is het voorbeeld van een nieuwe cultuuronderneming die van start ging, niet in de oude kustvlakte waar zo lang reeds grootlandbouw was bedreven, maar nu op de hoge gronden in het Surinaamse binnenland en wel in het gebied waarheen een groot deel van de Saramakaners en Aukaners uit het gebied zuidelijk van Afobaka verhuisden, nadat in 1964 bij genoemde plaats de Surinamerivier door een dam werd afgesloten en zich een stuwmeer in hun vroegere woongebied begon te vormen. De aanleg van deze oliepalm-onderneming kon gebeuren zonder de kosten en zorgen voor afwatering als in de oude kustvlakte, en bood werkgelegenheid voor velen, in dit geval de Bosnegers die, na langdurig in isolement en volgens eigen ongeschreven tradities en rechtsregels te hebben geleefd, nu door de moderne ontwikkeling en ontsluiting uit hun oude bestaan waren verdreven. Vanaf 1969 werd met Bosneger-werknemers pioniersarbeid verricht in het oerbas van Victoria, werd een ontsluitingsweg van 10 km aangelegd vanaf de Afobakaweg tot aan de Surinamerivier nabij het dorp Asigron. Toen in 1969 die ontsluitingsweg de rivier had bereikt, werd op de plaats van het toekomstige emplacement naar Saramakkaanse trant de plechtigheid van het wijden van de grond verricht en een gebed uitgesproken tot Kediampo, waarin dank werd gebracht voor de vervulling van de lang gekoesterde wens: Oe kè wooko, oe kè moni (Wij willen werk, wij willen geld). Volgden de ontbossing, de ontginning, de aanleg van secundaire wegen, de voortzetting op grote schaal van het bestuivings- en selectieprogram, dat eerder door het landbouwproefstation was gedaan, en de aanleg van kweek- en kiembedden. Wat het laatste betreft, kon goed gebruik gemaakt worden van de ervaringen met oliepalm opgedaan in de naburige proeftuin Brokobaka. Al na luttele jaren konden de trossen van de eerste in productie gekomen vakken tot olie worden verwerkt en kon geconstateerd worden dat van de geplande 1600 ha al 1500 ha waren ontbost, waarvan 1400 ha beplant met oliepalm; dat er 300 werknemers, Saramakaners en Aukaners, in dienst waren, een wegennet van 60 km was aangelegd, drie woondorpen voor de werknemers, een stafemplacement, een fabriek en een steiger waren gebouwd, drinkwater en electrisch licht, een kliniek, een recreatiezaal, een voetbalveld waren tot stand gekomen. Een vakbond werd opgericht, de Victoria Werknemers Bond, en een collectieve arbeidsovereenkomst werd aangegaan. Van de medio 1975 in dienst zijnde werknemers waren er slechts 9 uit Paramaribo, maar ruim 250 uit de Bosnegerdorpen!’ (Uit een rapport van drs. J. Michels)
prepostterug  begin  verder