terug  begin  verderprepost

3. De Hollandse boeren (Boeroe's)

Van de eerste helft van de 17de eeuw af werden aan de kust van Guyana door de Engelsen verschillende volkplantingen gesticht, waarvan die, gelegen aan de monding van de Surinamerivier omstreeks het midden dier eeuw in Nederlandse handen overgingen. Hierbij bleef het karakter van een ‘volkplanting’, d.w.z. van de blijvende vestiging van moederlandse immigranten ter vorming van een eigen, durende gemeenschap, volledig behouden. Geheel Suriname bleef dit karakter van een volkplanting lange tijd dragen.

In de loop der 18de eeuw voltrok zich echter een wijziging. Te geringe toevloed van immigranten uit het moederland deed een tekort aan arbeidskrachten ontstaan, waarin noodgedwongen door invoering van slaven werd voorzien. Dit werd in de hand gewerkt doordat in steeds sterker mate overgang op mono-cultures, ter voorziening in behoeften van het moederland, plaats had. Suriname werd in de loop van de 18de eeuw een typisch wingewest (kolonie), waarbij niet meer het belang van de plaatselijke gemeenschap, doch dat van het koloniserende land voorop stond.

Dit karakter werd in de eerste decennia van de 19de eeuw nog meer geaccentueerd door een toenemend absentisme der plantage-eigenaren, zodat omstreeks het midden dier eeuw Suriname vrijwel geheel werd beheerd door directeuren en administrateurs in naam, en ten behoeve van merendeels in het moederland gevestigde eigenaren.

De welvaart van Suriname berustte te dien tijde op de plantages in de districten. Paramaribo (het Parijs van Zuid-Amerika) vormde het bestuurscentrum, bewoond door de veeltijds aldaar verblijvende directeuren en administrateurs, de ambachtslieden (-slaven) en een opkomende handelsstand.

[p. 240]

Maar al in de dertiger jaren doemden voor de basis van de Surinaamse welstand nog ernstiger bezwaren op. Het stopzetten van de slavenhandel maakte dat op den duur handhaving van het oude systeem ook in Suriname onmogelijk zou blijken. Dit veroorzaakte in de veertiger jaren een herleving van het aloude idee van een volkplanting; een streven het dreigend tekort aan arbeidskrachten te keren door immigratie uit het moederland, en daardoor tevens het Europees karakter der gemeenschap te versterken. Dit openbaarde zich door het entameren van een grootscheepse kolonisatie door middel van (moederlands) Europese immigratie. Dat de gedachte aan een overwegend Europese volkplanting in Suriname nimmer geheel werd verlaten, blijkt uit de vele pogingen tot het aantrekken van Europese immigranten al tijdens de gehele 18de eeuw. Geen van deze kolonisatiepogingen werd echter met succes bekroond. Tegenkanting hiertegen kwam in Suriname voort uit de kringen der plantage-eigenaren, die zich voorstander toonden van handhaving der plantagegewijze grootlandbouw, en daartoe streefden naar vervanging van de slavenarbeid door de invoer van contractarbeiders, aanvankelijk uit Brits-Indië, daarna uit Nederlands Oost-Indië.

De drang tot grotere immigratie uit het moederland vond in Nederland weerklank. Reeds de voorbereidingen onder een drietal predikanten leidden echter tot veel verwikkelingen, zowel in Nederland als in Suriname, terwijl reeds spoedig een der leiders overtuigd raakte van de onmogelijkheid op de gekozen vestigingsplaats - Groningen aan de Saramacca - tot een succesvolle kolonisatie te kunnen komen.

Over de hierop volgende catastrofale ontwikkeling reeds in het eerste janr der kolonisatie en haar kwijnend bestaan nadien zijn vele - pro en contra - publicaties verschenen. In 1853 toen uiteindelijk de ‘Proeve’ als mislukt werd opgegeven en het Etablissement te Groningen werd opgeheven, waren uit Nederland 398 kolonisten aangekomen, en 74 kinderen geboren in Suriname, terwijl aldaar 249 personen overleden. Het aantal overlevenden bedroeg dan ook per 31 mei van dat jaar 223 personen. Hiervan werden 41 personen (wezen, ouden van dagen) gerepatrieerd, terwijl de kleine staf gedeeltelijk elders door het Goevernement werd tewerkgesteld, dan wel eveneens naar Nederland terugkeerde, zodat tenslotte 167 kolonisten in Suriname achterbleven, waarbij nog een Europeaan, gehuwd met een der vrouwelijke kolonisten, is te rekenen. Van deze 167 kolonisten waren 125 uit Nederland afkomstig, terwijl 42 van hen na juni 1845 in Suriname zijn geboren. Deze groep van 168 personen, waarvan een aantal reeds eerder uit Groningen was vertrokken, vormden de stamouders van de groep thans in Suriname bekend als de Boeroe's

[p. t.o. 240]



illustratie
Javaanse. - Foto: G.Pos.

[p. t.o. 241]



illustratie



illustratie
Woontoestanden te Paramaribo. - Foto's: Nic Loning.

[p. 241]

De Boeroe's. Hier zij opgemerkt dat, ook in Suriname, veel misvatting bestaat omtrent welke personen (families, geslachten) tot deze Boeroe's - d.w.z. tot de werkelijke afstammelingen der kolonisten van 1845 - behoren. Veelal worden ook tot de Boeroe's gerekend afstammelingen van andere Europese geslachten, vaak afkomstig van voordien plaatsgevonden kolonisatiepogingen, die gesproten zijn uit copulatie-verbindingen met een vrouwelijke afstammeling der kolonisten van 1845. Behoorden de 167 in 1853 overlevenden nog tot 40 verschillende families (geslachten), in de vierde generatie der in Suriname geboren afstammelingen hadden nog slechts een achttal familie- (geslachts-)namen zich gehandhaafd, soms ook, doordat de naam behouden bleef bij de kinderen geboren uit ongehuwde moeders. In de vierde generatie steeg het percentage van deze personen zelfs tot ruim 24% van het totaal der geborenen, die hetzij van vaders- hetzij van moederszijde, van de kolonisten afstamden.

Het Surinaamse goevernement stelde aan de restgroep van 1853 gronden beschikbaar in de directe omgeving van Paramaribo, waarbij tevens gereedschappen, vee, enz. werden verstrekt om hen aldaar als kleinlandbouwer een bestaan te verschaffen. De directe nabijheid van Paramaribo als afzetgebied voor hun producten, had aanvankelijk uiteraard een gunstig effect. In het laatste decennium van de 19de eeuw bleek echter steeds meer dat de Hollandse boeren, hun bedrijf veelal uitoefenend met behulp van negroïde arbeidskrachten, niet waren opgewassen, tegen de concurrentie van de Hindostaanse landbouwerszin steeds grotere getale infiltreerden deze op de aanvankelijk de Hollandse boeren toegewezen gronden, en namen spoedig het merendeel der verzorging van Paramaribo voor hun rekening.

In de twintiger jaren van onze eeuw werd een poging gedaan de groep te versterken, door aanvoer van nieuwe Hollandse landbouwers en door hun landbouwmethoden te verbeteren. Ook deze poging had weinig succes. De groep kwam ook gedurende de periode tussen de beide wereldoorlogen weinig tot ontwikkeling, hoewel door de oprichting van een school te Uitvlugt verbetering kwam in de ontwikkeling der jongere generaties, wat echter vaak gepaard ging met een zich afwenden van de landbouw. Sociaal bleef de groep in een geïsoleerde positie. Belangrijke posities, hetzij bestuurlijk, hetzij in het bedrijfsleven, bekleedden geen der afstammelingen.

In de periode na de laatste wereldoorlog werd, met wisselende uitkomsten, getracht nieuwe cultures (citrus) tot ontwikkeling te brengen, doch toen werd reeds spoedig het bestaan van deze landbouw-conglomeratie van andere zijde aangetast. De stad Paramaribo breidde zich uit; mede door de sterke verstedelijking van de Creoolse bevolkingsgroep. Veel Hollandse boeren ontdekten spoedig, dat het verkopen van hun gronden lucratiever

[p. 242]

was dan de landbouw. Een althans financiële welvaart maakte het hun mogelijk, hun kinderen een betere opleiding buiten het boerenbedrijf te geven, waaraan veelal een vertrek, al dan niet blijvend, naar Nederland was verbonden. In het bijzonder in de zestiger jaren ontkwamen ook zij niet aan de alles beheersende drang naar Nederland, die zich van de Surinaamse, en vooral de Creoolse bevolking meester maakte.

Hoewel in Suriname het begrip Boeroe nog wordt gebezigd, is hieraan voor deze mensen als afzonderlijke groep de werkelijke grond ontvallen. Op de bouwlanden, eens door het Surinaamse goevernement de restgroep van 1853 ter beschikking gesteld, thans volgebouwd door de zich uitbreidende stad, herinneren slechts de namen der straten nog aan de Europese kolonistengroep, die er eens getracht heeft zich een bestaan als landbouwer te scheppen.

 

Vermenging. In welke mate is de oorspronkelijke groep der Europese kolonisten opgegaan in de raciaal en sociaal-cultureel zo verschillende andere bevolkingsgroepen? De trendmatige ontwikkeling is vastgesteld over een periode (1845/1853 tot en met 1950) van ruim een eeuw. Dit geeft een alleszins betrouwbare basis voor inzicht in de raciale en sociaal-culturele assimilatie van de groep. Uit de 125 in Nederland geboren kolonisten van de restgroep van 1853 kwamen in deze honderd jaar in rechtstreeks mannelijke lijn (agnaten) 840 afstammelingen voort, terwijl 1057 borelingen van deze kolonisten afstamden in door vrouwelijke afstammelingen onderbroken lijn (cognaten).

Aan deze reproductie werd deelgenomen door 368 personen (M. 233, Vr. 135) aangehuwd aan afstammelingen, zodat trends konden worden bepaald, voorkomende in een bevolkingslichaam van totaal 2390 zielen. Bij het nagaan der 32 voorouders van 840 agnaatborelingen blijken nog 48,2% van zuiver Europese afstamming te zijn, terwijl van 14,8% vier der voorouders, van 15,4% acht voorouders en van 21,8% meer dan acht voorouders negroïde blijken te zijn. Daarnaast bleken nog 0,6% der agnaten van gemengd Europees-Indiaanse bloede.

Voor alle in deze 100 jaar geborenen (agnaten en cognaten) blijken op grond van het genomen ‘sample’ slechts 36,5% van ongemengd Europese afstamming, tegenover 61% (bij de agnaten 52,2%) met negroïde menging. De cognaten blijken in sterkere mate gemengd met kleurlingen. Ondanks het hoge aantal negroïde borelingen blijkt de bloedmenging vrij gering te zijn, hoewel toenemend in de opeenvolgende generaties. Deze trend wordt bevestigd door de keuze van copulatie-partner. Duidelijk valt te constateren, dat hierbij steeds een streven bestaat tot keuze van een mannelijke of

[p. 243]

vrouwelijke partner met een lagere negroïde menging. De groep tracht haar ethnologische identiteit te handhaven, blijkt echter te gering van omvang om hierin te slagen. Dit streven wordt nog geaccentueerd door de hoge mate van inteelt. Voor de gehele groep (agnaten èn cognaten) blijken rond 30% der copulatie-verbindingen van consanguine aard te zijn, waaruit ruim 27% der borelingen voortsproot.

Rond 62% van de copulatie-verbindingen der agnaten (de eigenlijke afstammelingen der kolonisten 1845) zijn in meerdere of mindere mate negroïde, d.w.z. dat de hieruit voortkomende progenituur van negroïde afstamming is. Parallel hiermede wijzigt zich ook het conceptiepatroon. Bij de niet-negroïde copulatie-verbindingen wordt de eerste conceptie in ruim drie van de vier gevallen ontvangen binnen het huwelijk; bijna een kwart buiten het huwelijk, te weten 6% pre-nuptiaal; terwijl van de overige conceptie 4% der borelingen bij huwelijk worden gewettigd. Voor de 62% Creoolse copulatie-verbindingen der agnaten zijn deze cijfers resp. nog geen 30% binnen het huwelijk en ruim 70% buiten het huwelijk. Een duidelijke aanpassing derhalve van de agnaten der kolonisten van 1845 aan het conceptie-patroon der Creoolse bevolkingsgroep.

Tot slot nog een enkele indruk over de vruchtbaarheid. Voor alle vrouwen, afstammelingen van de kolonisten, van 15 jaar en ouder, werd een gemiddelde van 4,2 geboorten per vrouw berekend. Hierbij zijn inbegrepen de vrouwen waarvan de reproductieperiode nog niet werd beëindigd. Voor vrouwen met afgesloten reproductie wordt een aantal borelingen (levend of dood) van 6,4 per vrouw bereikt; voor de vrouwen in reproductieve leeftijd bedroeg dit 3,4 geboorten per vrouw.

Uit al deze gegevens kan worden geconcludeerd, dat hoezeer ook door de kolonisatiepoging van 1845 het vraagpunt of een Europse kleinland-bouw in Suriname mogelijk is, onbeslist bleef, evenals de vraag omtrent de mogelijkheid van veldarbeid in de tropen door Europeanen, niettemin door deze proef duidelijk is aangetoond dat, ook na generatielang verblijf in de tropen, de vruchtbaarheid der Europese vrouw, al dan niet gemengd met met-Europees bloed, onaangetast blijft.

J.G.

prepostterug  begin  verder