- Waar we precies naar toe zouden gaan wist ik pas op het ogenblik van vertrek. Ik kende de richting, ik kende de rivieren, hoewel ten dele slechts bij naam, en kende ook de reden van de expeditie, maar niet veel meer dan dit hoogst summiere beetje. Bob, onze leider - een nog jonge maar veelzijdige en al ervaren ingenieur - was zo in beslag genomen met de voorbereidingen, met het geven van aanwijzingen en het denken aan talloze details, al sinds de dag van onze afspraak dat ik mee zou gaan, dat een nauwkeurige aanduiding van het punt tot waar wij zouden reizen eenvoudig niet uit hem los te krijgen was, en ik ook niet te zeer durfde aandringen op nadere uiteenzettingen. Hij mocht het eens in zijn hoofd krijgen mijn nieuwsgierigheid als een zweem van aarzeling te beschouwen... Dat mocht in geen geval, want ik had al jaren naar een gelegenheid als deze uitgezien.
Zo kwam het dan dat ik belangstellenden thuis in Parama-
ribo-ironische, meewarige, hoofdschuddende zelfs-op mijn beurt alleen een vage aanduiding kon geven. ‘Tot ongeveer daar’, - en dan noemde ik maar een schilderachtige naam of liet mijn vinger dwalen langs de grillige rivierlijn op het uiterst rechtse deel van mijn kaart. En een beetje dwaasheid moest ik mezelf toch wel bekennen...
Maar toen wij aan boord stapten van de vrij comfortabele ‘Afobaka’, de grote motorboot waarmee wij het eerste, gemakkelijkste stuk door overbekend gebied zouden afleggen, en Bobs vrouw bij het afscheid vroeg: ‘En tot waar gaan jullie nou precies?’, toen werd tenminste een duidelijke naam genoemd en nog een: de Tosso-kreek, west van de Marowijne, en Affisiti, een plaatsje aan de hoofdrivier. Begrippen die aan nauwkeurigheid niets te wensen overlieten. En ik voelde mij opeens minder dwaas en ietwat gericht, - op wat eigenlijk? Een naam, een kronkellijntje, een stip op de kaart, meer niet. Ik had er geen flauw idee van hoe dit alles eruit zou zien, noch hoe groot de kronkelige afstanden waren die wij gingen afleggen.
Tegen half elf, al laat in de morgen, vertrokken we. Het lawaai van de motor maakte elk gesprek onmogelijk, de kennismaking met onze derde reisgenoot, de topograaf D., kon slechts vluchtig zijn, en daar ieder vermoeid was van de voorbereidingen die op het laatste ogenblik toch nog spaak liepen (mijn veldfles bleek vergeten, akelig genoeg!) zochten we elk maar een gemakkelijk hoekje op en zaten versuft te staren naar de al zo vaak gepasseerde oevers van de Surinamerivier en oostwaarts de Commewijne.
Zelfs een feestelijke whisky-soda en een Chinese lunch - een soort van laatste luxe op de vertrekdag - konden onze ingekeerdheid niet verstoren. Bob greep naar zijn ingenieurstijdschrift, de topograaf naar de enkele publikaties die ik op de valreep nog bij me gestoken had, - bij wijze van afscheid
van de civilisatie misschien. Zou ik ze nog vaak inkijken gedurende de lange avonden in de eenzaamheid, of zouden ze toch hinderlijke ballast blijken, gelijk een wantrouwig stemmetje mij in het oor scheen te fluisteren? Eerlijk gezegd interesseerden ze mij nu al bitter weinig.
Toen wij de zuidwaarts afbuigende Commewijne weer vaarwel zeiden om, steeds oostwaarts, in de Cottica door te varen, zaten wij weldra, waar de rivier nog vrij breed is, midden in de Coca-Cola. Donkerbruin, vrij helder boswater, dat in machtige stroming benedenwaarts kwam, terwijl we juist de rivier óp moesten. Dat hadden wij aan de regens van de laatste weken te danken, dezelfde die het tijdstip van onze afreis hadden bepaald, omdat wij bij een hoge waterstand straks veel verder dan anders met de vooruit gezonden grote korjalen en buitenboordmotoren konden komen dan normaal het geval zou zijn.
Aan de andere kant was het minder gewenst om in het volle regenseizoen te reizen, want wie dan eenmaal nat is, wordt niet meer droog voordat hij goed en wel thuis terug is, - een naargeestig vooruitzicht wanneer men zich voor een paar weken in de wildernis begeeft.
Maar het weer was nu stralend geworden en de frisse middagwind op de rivier, tussen al het sappig geboomte en gebladerte langs de oever, stemde tevreden en lui. Straks, dacht ik, zal ik oververzadigd van groen zijn - groen en het zilverwit van de rivier in de zon - op dezelfde wijze als Jacobus van Looy fantasterig schreef over een ‘spectraal gedierte, aangedaan van wit’. Eigenlijk was ik nog met mijn werk, met de stad bezig; er is tijd voor nodig om van de ene wereld in de andere over te stappen.
Tegen de avond, in dat korte, maar allerbekoorlijkste vóórschemeruur van de tropen, waarin zelfs de meest zakelijke lieden zinnig en bezonnen worden, beklommen wij het dak
van onze ‘Afobaka’ en gingen in luie stoelen liggen kijken naar het vallen van de avond over de kronkelende rivier-verte en de lange laan van boomtoppen aan weerszijden.
Inderdaad, dit was het beste deel van de dag, en het begon al gauw de naam van avond en van nacht te verdienen. Dáár was al aan bakboord de Kleine Beer en ginds begon Orion te zwenken en te zwaaien boven de bosrand. Nu pas kon je zien hoe onmogelijk raar de rivier kronkelde; nu eens stond Sirius vóór, dan weer achter, dan weer links of rechts van ons te flonkeren. Maar dit was dan ook werkelijk de enige onrust, afgezien van het ongestoorde motorgeronk waaraan wij nu, na bijna negen uur aan één stuk, al aardig gewend waren.
Opeens, - een paar trage slagen, en daar zweeg de motor. De rivier was aardedonker, maar een schijnwerper die de oeverlijn afzocht, hield nu een kleine wrakke korjaal in zijn lichtcirkel vast. Er zat één naakte bosneger achter in het bootje, - onbeweeglijk, alsof er niets aan de hand was.
De beleefdheid van de rivier en ook de eenvoudigste menselijkheid eisen dat motorboten, die met hun schroef veel deining veroorzaken, vaart verminderen zodra ze in de buurt van een kleine korjaal komen, die er immers niet op berekend is om veel geschud zonder kantelen te verdragen. En zij - de in uitgeholde boomstammen varenden - zijn nu eenmaal de ware bewoners van de rivier, en niet wij.
Bob was opgesprongen. ‘Voor geen geld zou ik zonder licht op deze rivier willen varen,’ zei hij, ‘maar die kerels doen het allemaal.’
We moesten nog heel wat keren onze vaart minderen, en toen wij in het gedeelte van de Cottica kwamen, waar deze wel heel diep maar nogal smal is, zagen wij aan de oeverkant telkens lichtjes. Niet in de boten die de rivier bevoeren, maar op de wal vlak bij het water.
Mijn romantisch vermoeden, dat hier de vrouwen hun
varende mannen met een geleilicht kwamen opwachten, bleek volkomen onjuist, - zoiets kon alleen maar in het brein van een stedeling opkomen. ‘Zodra ze het motorgeronk horen,’ werd ik ingelicht, ‘rennen ze de walkant af, naar hun bootjes die tegen de modder gemeerd liggen, om ze vast te houden totdat de deining voorbij is. Anders zijn ze die kwijt.’ Het kon niet prozaïscher in deze poëtische nacht.