terug  begin  verderprepost

Dinsdag

- Mijn gedachten verzamelen zich terwijl ik in het smalle scheepsbed lig.

Gisteren bij het inpakken van het hoognodige - ‘Neem zo min mogelijk en niets kostbaars mee,’ had Bob omineus gezegd - keek Lili, mijn vrouw, mij even aan met die rare blik die ze wel eens heeft wanneer zij vindt dat ik me overmoedig gedraag of mij aan grootspraak schuldig maak. Zij zégt er nooit wat van, maar die blik maakt ook elke waarschuwing, elk verwijt overbodig. We delen onze dagen en nachten al lang genoeg samen, om precies te weten wat elke oogopslag, elk gebaar betekent. Ook ditmaal heb ik haar wel begrepen. Bedenk dat je je vijftigste verjaardag al gevierd hebt, heeft ze willen zeggen, en dat je je weer nodeloos in gevaar begeeft, al je mooie beloften ten spijt, net als in het verleden... tijdens de Duitse bezetting in Nederland; bij al je missies in die op revolutie beluste Latino-republieken; nu ook hier, waar je je met al je hoekigheid niet bepaald geliefd gemaakt hebt. Ik weet het, ze heeft gelijk. De vijftig gepasseerd, niet meer zo jong, ja-ja ik weet het wel. Maar ik voel me fit, nog tot alles in staat. Zeker in mijn eigen land. De laatste jaren ben ik weliswaar niet meer in training geweest, omdat mij tijd en gelegenheid ontbraken om het binnenland weer in te trekken zoals vroeger, zo vaak, al van kindsbeen af met mijn vader.

‘Je bent nu zelf vader,’ heeft ze willen zeggen; ‘eerdaags - laat me niet lachen! - misschien zelfs grootvader. En ik hou

[p. 20]

van je, juist omdat je niet zo'n krachtpatser bent en geen “he-man”. Ik weet dat je taai bent, maar kun je nog wel doen wat je klaarspeelde als de jonge man die ik voor het eerst in Barcelona ontmoette? Ik gun het je van harte, maar ik vind het een beetje overmoedig. Een van je gebreken, die me overigens ook dierbaar zijn omdat ik van je hou.’

Ik zie die blik mij hier onderweg nog volgen en ik weet precies wat hij wil zeggen... Maar stel je gerust, Kornchen, ik overschat mezelf niet en ben overtuigd dat ik dit aan kan, want onze ouderdom is nog veraf. Net als die van dit land, dat sinds aeonen eeuwig jong blijft, onophoudelijk zichzelf vernieuwt. Samen zullen wij ouder worden, ook eeuwig jong blijven. Jammer dat je niet mee kon, mijn lief, zoals eertijds naar het oorlogsfront in Aragon...

De sterke tegenstroom maakte dat wij minder dan normaal opschoten. Er is aan de zuidoostelijke hemel een flauw schijnsel dat zeker het licht van het mijnstadje Moengo moet zijn, maar wie kan voorspellen hoeveel kronkelbochten we nog moeten varen voordat we er aankomen? We zijn nu al bijna twaalf uren onderweg. Het schijnsel verdwijnt weer, en alleen dat van de sterren hangt nog boven het oeverbos aan weerszijden te dansen.

Onverwachts, aan bakboord, doemt het meest fantastische gezicht op dat je aan de oever van een rivier, midden in de wildernis, kunt bedenken. Zilvergrijs en met een lichte roze wasem overtogen staan daar, met gele blinklichten in top, de grote cilindervormige bauxiet-silo's van Moengo, en daar boven uit, in de nacht blazend, de rijen van hoge schoorstenen met hun verwaaiende walmpluimen. Sleepboten, lichters en vrachtschuiten liggen aan de kaden, - we zitten weer midden in de beschaving. Boven op de hoge oeverkant rijdt een auto voorbij; mensen in nette witte kostuums flaneren nabij de meerplaats.

[p. 21]

Ja, we werden verwacht, al was het wat laat geworden. Nog een verfrissing in het Clubhuis, waar de radio Amerikaanse dansmuziek speelt en een der employés zowaar een diepzinnig gesprek over schilderkunst begon en hardnekkig blijft voortzetten - ik kwam nu eenmaal uit ‘de stad’ - en eindelijk kunnen we naar bed in het ‘Guesthouse’ van de Surinaamse Bauxiet Maatschappij, dat nog altijd een van de meest comfortabele hotels van Suriname was, tienmaal beter dan het beste in Paramaribo.

prepostterug  begin  verder